Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP2653

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-01-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
18-670409-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de inhoud van het dossier acht de rechtbank poging tot moord/doodslag en poging tot zware mishandeling niet bewezen. Bewezenverklaring en veroordeling van verdachte wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, die ook ambulante psychiatrische behandeling mogen inhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670409-10 (promis)

datum uitspraak: 31 januari 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. J.F. Lorijn

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1950,

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd: dat

hij op of omstreeks 30 september 2010,

in de gemeente Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

een vrouw, genaamd [slachtoffer],

van het leven te beroven,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer] met een mes in de keel en/of

elders in het lichaam en/of het hoofd te steken en/of te snijden,

althans te raken, en/of

die [slachtoffer] bij de keel heeft gegrepen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 30 september 2010,

in de gemeente Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

een vrouw, genaamd [slachtoffer],

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

die [slachtoffer]

met een mes in de keel en/of elders in het lichaam en/of het hoofd

te steken en/of te snijden, althans te raken, en/of

die [slachtoffer] bij de keel heeft gegrepen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 30 september 2010,

in de gemeente Groningen,

[slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

die [slachtoffer],

een mes op de keel gezet en/of

met een mes in de keel en/of elders in het lichaam en/of het hoofd

gestoken en/of gesneden, althans geraakt, en/of

die [slachtoffer] bij de keel gegrepen en/of

die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toegevoegd

'als we sterven dan sterven we samen',

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

gedreigd dat hij een keer terug zou komen met een pistool en

dat het hem dan zou lukken;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op of omstreeks 30 september 2010,

in de gemeente Groningen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),

met een mes in de keel en/of elders in het lichaam en/of het hoofd heeft

gestoken en/of gesneden, althans geraakt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat er bij verdachte geen sprake was van opzet op de dood van het slachtoffer en dat ook voorbedachte raad niet bewezen kan worden. De bedoeling van verdachte was slechts zijn vriendin angst aan te jagen. Uit de door de officier van justitie aangevoerde bewijsmiddelen kan slechts volgen dat het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden.

Beoordeling

De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Verdachte heeft het opzet op de dood ontkend en uit de door de aangeefster en verdachte zelf omschreven handelingen valt naar het oordeel van de rechtbank niet een op doden gericht gedrag af te leiden. Voorts ontbreekt een onderzoek naar het door verdachte gebruikte mes en het in de keuken aangetroffen bloed, zodat niet geconcludeerd kan worden of de bij het slachtoffer gevonden verwondingen door het mes van verdachte zijn veroorzaakt of hadden kunnen worden veroorzaakt. Tevens ontbreekt informatie of met dit mes iemand dodelijk verwond zou kunnen raken. Ook de medische verklaring die als bijlage 4 in het dossier is gevoegd geeft over vorenstaande geen uitsluitsel.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het meer subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting:

Ik heb [slachtoffer] het mes op de keel gezet met de bedoeling haar bang te maken. Ik deed het niet om haar pijn te doen.

Ik heb wel tegen haar gezegd toen ik die dag bij haar was: als we sterven, dan sterven we samen. Ik heb een alarmpistool thuis. Ik kan me voorstellen dat het bedreigend overkomt als ik zeg dat ik terugkom met een pistool.

- een proces-verbaal d.d. 1 oktober 2010, opgenomen als bijlage 1 in het dossier met nummer 2010096131 (hierna aangeduid als politiedossier), inhoudende een verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

In de avond van 30 september 2010 kwam [verdachte] in de woning.

Op een gegeven moment viel [verdachte] mij aan. Ik verweerde mij. Ik kwam op het kleed in de woonkamer terecht. [verdachte] lag bovenop mij. [verdachte] sneed mij meerdere malen in de hals. Ik voelde niet echt iets. Hij probeerde me te verwonden ter hoogte van mijn borstbeen aan de rechterkant. Daarna greep hij mij bij de keel. Ik heb het niet benauwd gehad en heb ook geen pijn gevoeld.

Ik zag in een flits een mes in zijn hand; het mes was krom gebogen. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij terug zou komen met een pistool. Ik heb heel lang geleden wel eens een alarmpistool bij hem thuis gezien.

- een proces-verbaal d.d. 1 oktober 2010, opgenomen als bijlage 11 in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Toen ik alleen met [slachtoffer] was ging zij achter de computer zitten. Ik heb toen een mes uit de tas gepakt die ik op de keukentafel had gezet. Ik heb [slachtoffer] van achteren benaderd. Ik deed haar haren opzij en heb haar het mes op de keel gezet. Het was het slechtste mes dat ik had. Ik wilde haar bang maken en heb meerdere keren met het mes in de vloer gedrukt.

Ik heb gezegd dat ze mee zou gaan. Ik bedoelde dat ik haar mee zou nemen in de dood.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 september 2010, in de gemeente Groningen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer], een mes op de keel gezet en die [slachtoffer] (daarbij) de woorden toegevoegd 'als we sterven dan sterven we samen' en gedreigd dat hij een keer terug zou komen met een pistool en dat het hem dan zou lukken;

De rechtbank acht hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen acht levert het volgende strafbare feit op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 13 januari 2011, opgemaakt door C.J.F. Kemperman, psychiater en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 12 januari 2011, opgemaakt door A. Warnaar, psycholoog.

De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan aanpassingsstoornis met een stoornis in het gedrag, waarnaast sprake is van alcoholmisbruik, zwakbegaafdheid en narcistische trekken in de persoonlijkheid.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het primair ten laste gelegde feit, poging tot moord, te veroordelen tot 4 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is betoogd dat verdachte zijn vriendin niet wilde doden en dat er geen bewijs is voor poging tot moord of doodslag en poging tot zware mishandeling. Slechts de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging kan worden bewezen.

Bij de op te leggen sanctie moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte een first offender is en van nature niet agressief. Verder is verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De raadsman heeft een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf, aanzienlijk lager dan de officier van justitie heeft gevorderd, bepleit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat verdachte in zijn sterk gevoelde behoefte om de door aangeefster verbroken relatie te herstellen heeft gepoogd aangeefster, door haar angst aan te jagen, op andere gedachten te brengen. Verdachte heeft daartoe echter buitenporportioneel gehandeld door aangeefster aan te vallen, haar het mes op de keel te zetten en haar te bedreigen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn (voormalige) vriendin door haar met een voor dat doel meegenomen mes te bedreigen. Verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning, waar zij zich veilig mocht wanen, overvallen. Hij heeft vervolgens eerst hun beider dochter naar boven gestuurd, waarna hij het slachtoffer het mes op de keel heeft gezet. Toen het slachtoffer zich verweerde is de confrontatie ontaard in een worsteling. Daarbij heeft verdachte tevens dreigend uitgesproken ‘als wij moeten sterven dan sterven we samen’. Door vervolgens ook nog te dreigen met een pistool terug te zullen komen en te zeggen dat het dan wel zou lukken heeft verdachte op ernstige wijze het gevoel van vrijheid en veiligheid dat het slachtoffer mocht hebben in haar woning, aangetast. Ook de dochter van verdachte heeft een en ander van de bedreiging meegemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijke bedreiging een vrijheidsstraf dient te worden opgelegd.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals deze naar voren is gekomen uit voormelde psychiatrische en psychologische rapportage, alsmede uit het rapport van de Reclassering d.d. 13 januari 2011 en het onderzoek ter terechtzitting.

De conclusies van voormelde psychiatrische en psychologische onderzoeksrapportages, dat het bewezenverklaarde aan verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend, neemt de rechtbank over.

De rechtbank zal een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, mede om daaraan een bijzondere voorwaarde te verbinden, inhoudende dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer], wonende te [woonplaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

De officier van justitie heeft gerequireerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.097,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2010 tot het moment van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF MAANDEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot zes maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde zich zal laten behandelen door de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland zolang de Reclassering dat nodig oordeelt.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 30 maart 2011.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 1097,20 (zegge duizendzevenennegentig euro en 20 cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2010 tot het moment van volledige betaling.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 1.097,20 (zegge duizendzevenennegentig euro en 20 cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2010 tot het moment van volledige betaling ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.097,20 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2010 tot het moment van volledige betaling ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. S. Tempel, voorzitter, H.L. Stuiver en K.R. Bosker, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en in het openbaar uitgesproken op

31 januari 2011.