Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP2252

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
18/640784-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag door 17-jarige dader op zijn moeder. Toepassing strafrecht voor volwassenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2011/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/640784-10 (Promis)

datum uitspraak: 27 januari 2011

op tegenspraak

raadsman: mr. K. de Vries

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboorte datum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in Het Poortje Jeugdinrichtingen Veenhuizen,

Oude Asserstraat 20 te Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 13 januari 2011.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op 1 oktober 2010, in [plaats], opzettelijk en al dan niet

met voorbedachten rade zijn moeder, genaamd [naam ], van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, zijn moeder met een hockeystick, meermalen, met kracht, in het

gezicht en/of elders op/tegen het hoofd en/of het lichaam, geslagen en/of

geraakt en/of getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [naam ] is overleden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Verdachte heeft bekend dat hij degene is geweest die zijn moeder met een hockeystick de slagen heeft toegebracht. Verdachte heeft ook verklaard dat zij - naar hij aannam- niet meer leefde toen hij uit haar slaapkamer wegrende. Uit het NFI- rapport blijkt dat het bloed op de door verdachte gebruikte en achtergelaten hockeystick van zijn moeder is. De patholoog-anatoom heeft geconcludeerd dat de moeder van verdachte door meermalen uitgeoefend geweld ernstig hersenletsel heeft opgelopen, tengevolge waarvan zij is overleden. Hiermee is bewezen dat door het handelen van verdachte zijn moeder is gestorven.

Uit de aard van de gedraging kan het opzet worden bewezen: het met kracht en herhaling met een lang slagwapen, specifiek op een kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd slaan, is handelen gericht op levensberoving. Uit de door verdachte omschreven, subjectieve beleving blijkt, dat er bij hem inzicht en bewustheid was, niet alleen ten tijde van het ophalen van de hockeystick, maar ook bij het heffen van de stick boven het hoofd van zijn moeder en daarna het slaan met de stick. Hij heeft zelf bewust de relatie gelegd tussen haar doodswens en het slaan met de hockeystick als methode om te doden. Hij heeft visueel waargenomen en met zijn verstand geregistreerd dat zijn lichaam die slaande bewegingen uitvoerde. Daarmee is aangetoond dat hij inzicht had in zijn handelen en is het opzet bij dat handelen bewezen.

Uit de verklaring van verdachte, die wordt ondersteund door de rapporten over zijn persoonlijkheid, blijkt dat er sprake was van handelen in een immense opwelling en niet van handelen in berekenende koelbloedigheid. Op het moment dat verdachte die ochtend in paniek naar beneden rende om iets te zoeken waarmee hij zijn moeder ervan kon overtuigen dat zij niet dood wilde, had hij tijd voor kalm beraad. Maar zijn opzet was bij het ophalen van de hockeystick nog niet gericht op haar dood, en kalm was zijn toestand geenszins. Van voorbedachten rade en daarmee moord moet verdachte daarom worden vrijgesproken. Doodslag kan wel worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd (zakelijk weergegeven) dat er evident geen sprake is van voorbedachten rade. Het dossier bevat daartoe geen enkele aanwijzing. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van moord.

Gezien de door zowel de psychiater als de psycholoog uitgebrachte rapportages, verkeerde verdachte ten tijde van het slaan in een gemoedstoestand die door beiden wordt omschreven als een acute stressstoornis (shock). Deze constatering en de onderbouwing daarvan, geplaatst in de context van de overige bekende feiten en verklaringen, maken naar de mening van de raadsman dat verdachte ten tijde van het slaan in een zodanige gemoedstoestand verkeerde dat hij dientengevolge geen enkel inzicht had in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Het opzet op het van het leven beroven van zijn moeder ontbreekt derhalve en verdachte dient daarom ook van doodslag te worden vrijgesproken.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 januari 2011 afgelegd, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 1 oktober 2010 zat mijn moeder achter de computer in onze woning in [plaats]. Zij begon weer over zelfmoord te praten, maar deze keer anders dan de andere keren, op een heel duidelijke manier. De toon was anders, het was een andere manier van praten. Het was alsof ze een soort beslissing had genomen.

Ik schoot in de stress. Ik dacht: ik moet zorgen dat dit idee bij haar weggaat.

Mijn moeder ging naar boven. Ik liep achter haar aan. Ik wilde proberen te voorkomen dat ze zelfmoord zou gaan plegen. Ik had er geen concreet plan bij hoe ik dat wilde doen. Mijn moeder ging in bed liggen. Ze had eerst in de badkamer een slaappil genomen. Ik praatte met haar. Ik had niet de leiding in de conversatie. Zij had het woord en ze ging door over zelfmoord. Ze zei:”Ik kan het niet zelf, jij moet me helpen.” Ze omschreef hoe ik het moest doen. Ze zei dat ze wilde dat ik haar ging ophangen met een touw aan een boom in het bos. Ik zei: “Dat kan ik niet en dat wil ik niet, dat ga ik niet doen.” Ik ben de slaapkamer uitgelopen. Ik zocht een manier om haar te stoppen. Ik ging naar beneden en zag de hockeystick. Er kwam een idee bij me op. Als ik de hockeystick pak en boven haar hoofd houd, dan breekt ze er wel uit en dan stopt haar idee wel om dood te willen, dacht ik. Ik ben weer naar boven gegaan met de hockeystick. Ze lag nog in bed. Ik kwam binnen en zei: “Kijk dit wil je niet.” Ik had de hockeystick met twee handen bij de steel vast en hield de hockeystick boven mijn hoofd en zei: “Kijk je wilt niet dood”. Ze zei echter nog steeds resoluut: “Dat wil ik wel.” Toen ging er bij mij een soort knop om. Ik zie mijzelf staan met die hockeystick en zie die stick een beweging naar beneden maken.

Een verslag betreffende het overlijden van [naam] opgesteld op 2 oktober 2010 door de deskundige, B.A. Wolters, forensisch geneeskundige, opgenomen in bijlage 4, hoofdstuk 14 (map 6) van dossier 201096623 d.d. 14 december 2010:

Conclusie: betreft een 49-jarige vrouw, overleden ten gevolge van schedelhersenletsel, veroorzaakt door grof inwerkend stomp geweld. Gezien de vorm/aard van het letsel zou ze meerdere malen (minimaal ca.15 keer) met een langvormig voorwerp (bijvoorbeeld een hockeystick) op gelaat/armen geslagen kunnen zijn. De letsels op de onderarmen/handen zouden kunnen passen bij afweerletsel.

De verklaring ter terechtzitting van 13 januari 2011 van de deskundige V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 3 oktober 2010 een pathologie onderzoek gedaan naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van [naam] en daarvan op 9 december 2010 gerapporteerd. In dit rapport is als conclusie vermeld: Bij sectie op het lichaam van [naam], oud 49 jaren, werd het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen van herhaaldelijk ingewerkt hevig uitwendig mechanisch botsend stomp geweld op het hoofd. De bevindingen duiden erop dat [naam] nog tenminste één ademhalingsbeweging heeft doorgemaakt na het oplopen van het letsel (dus) nog heeft geleefd na het oplopen ervan. Een aanzienlijk deel van het letsel was aan de handen, armen en benen gelokaliseerd, hetgeen zou kunnen duiden op afweerletsel. Ik blijf bij de inhoud van deze rapportage en de daarin vermelde conclusie.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank gaat er gelet op voornoemde bewijsmiddelen vanuit dat de moeder van verdachte op vrijdag 1 oktober 2010 ten overstaan van verdachte een doodswens heeft geuit, waarbij zij verdachte heeft gevraagd haar bij de uitvoering van deze wens te helpen. Verdachte wilde zijn moeder echter juist van deze uitvoering afhouden en is de kamer uitgelopen op zoek naar een oplossing. Verdachte is naar beneden gegaan en zag de hockeystick liggen. Vervolgens is verdachte met medeneming van de hockeystick weer naar boven gelopen en heeft hij deze boven zijn hoofd gehouden om zijn moeder met deze dreigende houding ervan te overtuigen dat ze niet dood wilde, waaraan hij tevens de woorden heeft toegevoegd “Kijk dit wil je niet.” Zijn moeder bleef echter bij haar doodswens zeggende: “Dat wil ik wel,” waarna verdachte haar minimaal 15 maal met kracht met de hockeystick heeft geslagen.

Uit de aard en uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen, te weten met een hard voorwerp met kracht meerdere malen inslaan op het lichaam van het slachtoffer, kan worden afgeleid dat verdachte het opzet heeft gehad op de dood van zijn moeder. Verdachte heeft de relatie gelegd tussen de doodswens van zijn moeder en het slaan met een hockeystick als methode om te doden. Verdachte kan zich herinneren dat hij de hockeystick met twee handen bij de steel vast hield, dat hij de hockeystick boven zijn hoofd hield en dat hij met de hockeystick een beweging naar beneden maakte. Ter zake de exacte toedracht van het gebeuren geeft verdachte aan dat er sprake is van geheugenmanco’s. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gebleken dat er bij verdachte ten tijde van het verrichten van de uitvoeringshandelingen, sprake is geweest van een zodanige bewustzijnsvernauwing dat het hem aan ieder inzicht in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ervan en cognitieve controle volledig heeft ontbroken. Het opzet op de dood kan dan ook worden bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het handelen noch de verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat er voorafgaand aan de uitvoeringshandelingen een moment is geweest voor kalm beraad en rustig overleg. Verdachte heeft de hockeystick gepakt en meegenomen om zijn moeder ervan te overtuigen dat ze niet dood wilde. Dat hij zijn moeder uiteindelijk wel heeft geslagen met deze hockeystick is gebeurd in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, kennelijk als gevolg van het feit dat zijn moeder bleef volhouden dat zij wèl dood wilde. Van voorbedachten rade en dus moord is geen sprake en de rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. De tenlastegelegde doodslag kan wel worden bewezen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 oktober 2010, in [plaats], opzettelijk zijn moeder, genaamd [naam], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet zijn moeder met een hockeystick, meermalen, met kracht, in het gezicht en elders tegen het hoofd en het lichaam, geslagen tengevolge waarvan voornoemde [naam] is overleden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

- Doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

Op grond van de rapportages van de psychiater en de psycholoog acht de officier van justitie

verdachte zeer sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Uit het feit dat zijn gedrag nog wel gestuurd was, op het overtuigen van zijn moeder, op het slaan, het wegwerpen van de hockeystick en zijn vlucht uit huis, kan naar de mening van de officier van justitie worden opgemaakt dat verdachte niet een totaal willoos werktuig was en dus niet volledig ontoerekeningsvatbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat, gezien het dossier en met name de onderliggende overwegingen en conclusies in de rapportages van de deskundigen, het aannemelijk is dat de gemoedstoestand van verdachte ten tijde van het delict, in welke gemoedstoestand hij is gebracht door omstandigheden buiten zijn schuld, zodanig was dat het delict verdachte niet kan worden toegerekend. Noch in de rapportages van de deskundigen, noch elders in het dossier zijn aanwijzingen te vinden die erop duiden dat aan verdachte een daadwerkelijk schuldverwijt kan worden gemaakt. Het is aannemelijk dat verdachte, onder extreme omstandigheden, juist datgene heeft bewerkstelligd wat hij tot het uiterste bedoelde te voorkomen: de dood van zijn moeder. Gezien de door de deskundigen omschreven psychische toestand van verdachte ten tijde van het delict, valt niet in te zien welk schuldverwijt aan verdachte kan worden gemaakt. Verdachte was ten tijde van het delict volledig ontoerekeningsvatbaar.

Een beroep op artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht dient dan ook te worden gehonoreerd en verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische en psychologische rapportage omtrent verdachte, te weten het rapport opgemaakt door D.T. Van der Werf, psychiater, d.d. 4 januari 2011 en het rapport opgemaakt door J.Hamel, GZ-psycholoog, d.d. 5 januari 2011, welke rapporten ter zitting door deze deskundigen nader zijn toegelicht.

In de rapporten wordt, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, het volgende geconcludeerd. De uitzonderlijke opvoedingssituatie heeft bij verdachte geleid tot een ernstige vorm van parentificatie en langdurige traumatisering en stagnatie/scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling in vooral emotionele zin.

Daarnaast is verdachte lijdende aan een al langer bestaande dissociatieve stoornis nao, welke tijdens de toedracht tot en de uitvoering van het tenlastegelegde delict en de uren daarna is geculmineerd in een evidente acute stressstoornis. De dissociatieve verschijnselen in het kader van de acute stressstoornis en in het kader van de langdurige traumatisering binnen de uitzonderlijke gezinssituatie maakten dat verdachte ten tijde van het hem tenlastegelegde het overzicht en oordeel over de voor hem emotioneel beangstigende situatie met het slachtoffer verloor en de zelfcontrole gaandeweg is kwijt geraakt ten tijde van de toedracht, de uitvoering en de eerste periode aansluitend op het delict.

De psychiater is van mening dat er bij verdachte ten tijde van het delict sprake is geweest van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid en mogelijk zelfs volledige ontoerekeningsvatbaarheid op het moment dat hij sloeg.

De psycholoog is van mening dat verdachte zeer sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor het aan hem tenlastegelegde, waarbij de marge tot volledig ontoerekeningsvatbaar door haar als zeer klein wordt beschouwd. Theoretisch kan niet worden uitgesloten dat verdachte direct voorafgaand aan of ten tijde van het ten laste gelegde een moment van realisatie, van keuze vrijheid gehad heeft, waarin hij anders had kunnen handelen dan hij heeft gedaan.

Ter zitting hebben de psychiater en psycholoog hun rapporten nader toegelicht en aangevuld waarbij de psychiater onder meer heeft aangevoerd (zakelijk weergegeven) dat een kenmerk van de dissociatieve stoornis waaraan verdachte lijdt is dat deze fluctueert.

In hoeverre verdachte toerekeningsvatbaar was ten tijde van het delict kan enkel worden bepaald aan de hand van wat verdachte heeft verklaard. Nu verdachte aangeeft dat hij zich maar een gedeelte van de toedracht van het delict herinnert zal er nooit volledig inzicht worden verkregen in zijn gemoedstoestand ten tijde van het verrichten van de uitvoerings-handelingen. Aan te nemen valt dat er bij verdachte toen wel een bepaalde mate van bewustzijn is geweest. In de aanloop naar en tijdens het delict heeft verdachte - soms doelgericht - kunnen nadenken, maar is de sturing op momenten echter ook zoek geweest. Hoe dit verloop precies is geweest, is slechts vast te stellen aan de hand van de verklaring van verdachte zelf. Op grond van deze verklaring kan aangenomen worden dat verdachte tijdens (enige) momenten van de periode van het slaan volledig ontoerekeningsvatbaar was.

De rechtbank kan zich met de inhoud van de rapporten verenigen. De rechtbank neemt de inhoud van de rapporten over. Ten aanzien van hetgeen met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte door de deskundigen ter terechtzitting aanvullend naar voren is gebracht overweegt de rechtbank echter het navolgende.

Gelet op de verklaring van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat aangenomen kan worden dat het bewustzijn van verdachte tijdens het gebeuren gaandeweg in toenemende mate is vernauwd. Verdachte is zich blijkens zijn verklaring - in de aanloop naar het delict- bewust geweest van zijn handelen, te weten het naar beneden lopen, pakken van de hockeystick en naar boven lopen met de bedoeling zijn moeder er van te overtuigen dat ze niet dood wilde. Toen hij vervolgens met de hockeystick boven zijn hoofd bij zijn moeder stond en haar voorhield dat ze niet dood wilde en de reactie van zijn moeder was dat ze dit wèl wilde, zijn de emoties van verdachte zo hoog opgelopen dat zijn bewustzijn sterk verminderde en hij zijn zelfcontrole grotendeels verloor. Verdachte heeft zijn moeder vervolgens minimaal 15 maal met de hockeystick geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de door verdachte zelf geschetste gang van zaken en hetgeen de deskundigen daaromtrent hebben verklaard, er van moet worden uitgegaan dat de mate waarin het gebeuren verdachte kan worden toegerekend in een glijdende schaal is afgenomen en uiteindelijk is geëindigd in een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Dit komt overeen met de inhoud van de rapportages waarin wordt gesteld dat de dissociatieve verschijnselen van verdachte in het kader van de acute stressstoornis en in het kader van de langdurige traumatisering binnen de uitzonderlijke gezinssituatie maakten dat verdachte ten tijde van het hem tenlastegelegde het overzicht en oordeel over de voor hem emotioneel beangstigende situatie met het slachtoffer verloor en de zelfcontrole gaandeweg steeds meer is kwijtgeraakt ten tijde van de toedracht, de uitvoering en de eerste periode aansluitend op het delict. Echter niet gebleken is dat verdachte ten tijde van het plegen van de uitvoeringshandelingen een totaal willoos werktuig was. Verdachte heeft zijn gedrag - zij het in afnemende mate - nog wel kunnen sturen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er met betrekking tot het tenlastegelegde delict geen sprake is van een volledige ontoerekeningsvatbaarheid zoals door de raadsman is bepleit.

De rechtbank is - alles overziend - van oordeel dat het bewezenverklaarde aan verdachte in zeer sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is met de psycholoog en de psychiater van mening dat, gelet op persoonlijkheid van verdachte en het stadium van zijn ontwikkeling, het minderjarigen- strafrecht moet worden toegepast.

Gevaar voor herhaling wordt niet aanwezig geacht, doordat de situatie tussen verdachte en zijn moeder uniek en extreem is geweest, terwijl verdachte geen agressieve persoonlijkheid heeft. Hoewel de officier van justitie het belang van hulp voor en behandeling van verdachte inziet, kan dit door het ontbreken van recidivegevaar via het strafrecht niet verplicht worden.

Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie gelet op de extreme ernst van het feit, de bijzonder gewelddadige doodslag en daarnaast op de leeftijd van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn zeer sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Toepassing van het minderjarigenstrafrecht impliceert dat maximaal 2 jaren jeugddetentie kan worden opgelegd. De ernst van het feit rechtvaardigt een maandenlange jeugddetentie, maar de omstandigheden van het feit en de persoon van verdachte nopen tot een fors voorwaardelijk deel. De officier van justitie vordert dat aan verdachte 12 maanden jeugddetentie wordt opgelegd, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten en van oordeel is dat verdachte toerekeningsvatbaar is, gepleit voor een rechterlijk pardon (artikel 9a Wetboek van Strafrecht). De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er geen enkele reden is om verdachte, naast de levenslang op hem drukkende wetenschap van wat er is gebeurd, nog eens zodanig verwijten te maken dat dit in een straf zou moeten worden uitgedrukt.

De raadsman heeft desgevraagd verklaard dat hij van mening is dat het minderjarigenstrafrecht moet worden toegepast.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Toepassing sanctierecht voor meerderjarigen

Verdachte is momenteel 17 jaar en was dit ook ten tijde van het plegen van het thans bewezen verklaarde feit. In beginsel dient daarom ten aanzien van hem het minderjarigen- strafrecht te worden toegepast.

Op grond van het bepaalde in artikel 77b Wetboek van Strafrecht (Sr.) kan in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, aanleiding worden gevonden het strafrecht voor minderjarigen (artikelen 77 g t/m 77gg Sr.) buiten toepassing te laten en recht te doen overeenkomstig de bepalingen geldend voor meerderjarigen.

Voornoemde deskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming hebben geadviseerd ten aanzien van verdachte aan het sanctierecht voor minderjarigen toepassing te geven. Zij hebben daarbij met name gewezen op - kort gezegd - de gestagneerde persoonlijke rijping van verdachte (in vooral emotionele zin) en zijn kalenderleeftijd.

De rechtbank is zich ervan bewust dat gemelde stagnatie/schreefgroei in de sociaal/emotionele ontwikkeling van verdachte in beginsel ervoor pleit het sanctierecht voor minderjarigen te hanteren. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak het sanctierecht voor volwassenen toegepast dient te worden. De rechtbank vindt daartoe grond in de ernst van het begane feit; het betreft doodslag, een zeer zwaar (levens)delict waarop een maximum vrijheidsstraf van 15 jaar is gesteld. Verder neemt de rechtbank hierbij als omstandigheid in aanmerking dat verdachte het slachtoffer, zijn moeder, op gruwelijke, zeer gewelddadige wijze om het leven heeft gebracht, door haar met een hockeystick zodanig ernstig toe te takelen dat zij kort daarna aan de gevolgen daarvan is overleden.

Vrijheidsstraf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het door verdachte gepleegde feit een zeer ernstig feit betreft. Verdachte heeft zijn moeder, een 49 jarige vrouw op zeer brute, gewelddadige wijze van het leven beroofd. Verdachte heeft met een hockeystick het slachtoffer ettelijke keren (tenminste 15 keer) met kracht op en tegen haar lichaam geslagen en aldus zwaar verwond, aan met name haar hoofd. Naar gezien de aard van het letsel aangenomen moet worden heeft het slachtoffer zich daarbij tevergeefs getracht te verweren tegen het geweld dat haar werd aangedaan. Op grond van verricht onderzoek staat vast dat het slachtoffer nadat haar de verwondingen waren toegebracht, nog enige tijd heeft geleefd alvorens aan die verwondingen te overlijden. Het leed dat het slachtoffer hiermee is aangedaan, is uit zijn aard onherstelbaar. De nabestaanden van het slachtoffer, waaronder haar partner en dochter, haar moeder en verdere familie, zijn door het gepleegde feit een zeer naast familielid definitief kwijt geraakt. Hierdoor is ook hen groot leed aangedaan. Daaraan doet niet af, dat veel van die familieleden hebben laten blijken ook oog te hebben voor de zeer problematische omstandigheden waaronder verdachte tot zijn daad is gekomen en dat een aantal van hen begaan is met verdachte.

Op grond van deze overwegingen zou naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur dienen te worden opgelegd.

Tegen het opleggen van een langdurige vrijheidsstaf pleiten naar het oordeel van de rechtbank een aantal omstandigheden. Rekening moet worden gehouden met de zeer sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van het door hem gepleegde delict. Van belang is verder dat verdachte pas zeventien jaar oud is en dat hij zelf in bepaalde zin (ook) moet worden gezien als slachtoffer, namelijk van de buitengewoon complexe gezinssituatie waarbinnen hij tot nu toe heeft moeten opgroeien. Dit heeft hem schade berokkend in sociaal/emotioneel opzicht. Het valt nog te bezien in hoeverre die schade in de toekomst kan worden hersteld. Daarnaast dreigt vanuit zijn jeugdervaringen en zijn betrokkenheid bij de gewelddadige dood van zijn moeder het ontstaan van een post traumatische stressstoornis. Indien deze vrees bewaarheid wordt, zal dit het functioneren van verdachte negatief beïnvloeden. Verdachte zal hoe dan ook verder door het leven moeten met de wetenschap dat door zijn toedoen zijn moeder op gruwelijke wijze om het leven is gebracht. De moeder met wie verdachte een - hoe complex verder ook - innige band had en die hem volgens zijn zeggen ondanks haar problematische persoonlijkheidsstructuur heeft omringd met haar aandacht en liefde. Het zal veel van verdachte (en zijn familie) vergen om datgene wat is gebeurd, een plek te kunnen geven in het toekomstige bestaan van alle dag.

De rechtbank merkt tot slot op dat blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister, verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank de duur van de op te leggen vrijheidsstraf aanzienlijk zal beperken. Daarnaast acht de rechtbank gronden aanwezig om de vrijheidsstraf gedeeltelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen. Ten aanzien van dit laatste overweegt de rechtbank het volgende.

Het gegeven dat verdachte zich zal moeten verhouden tot de daad die hij heeft begaan en de complexe opvoedsituatie waarin verdachte jarenlang heeft verkeerd, vragen een intensief behandeltraject.

Om te kunnen bepalen of verdachte dit traject kan ondergaan binnen een verplicht strafrechtelijk kader is het van belang te onderzoeken of er sprake is van recidivegevaar.

Uit de rapporten van eerdergenoemde deskundigen komt naar voren dat de kans op herhaling van een soortgelijk delict uitermate klein dan wel nihil wordt geacht. Ter terechtzitting heeft de psychiater ten aanzien van het mogelijke recidivegevaar ter zake een minder ernstig agressief delict (zakelijk weergegeven) aangevoerd dat wanneer verdachte een partner kiest die in een vergelijkbare relatie met hem staat als zijn moeder met hem stond, er een kans is dat dit tot escalaties leidt. De kans op herhaling van een geweldsdelict is weliswaar klein, maar aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat er met betrekking tot een geweldsdelict, gelet op vorenstaande, sprake is van enig recidivegevaar. Nu de kans op herhaling niet is uitgesloten is behandeling in een verplicht strafrechtelijk kader passend. De rechtbank acht dit, gelet op de problematiek van verdachte, ook aangewezen. Verdachte heeft aangegeven dat hij het belang van een behandeling inziet, maar prefereert een ambulante behandeling boven een klinische.

Blijkens het rapport van eerdergenoemde psycholoog is opname in een forensische kliniek, zoals bijvoorbeeld de FPK te Assen wenselijk om vanuit een dergelijke setting zicht te krijgen op hetgeen verdachte en zijn systeem nodig hebben aan behandeling en om een dergelijk behandeltraject van meet af aan goed in te kunnen zetten.

Door voornoemde deskundigen is tevens aangevoerd dat het gezin waar verdachte deel van uitmaakt een eigen manier heeft om met complexe problematiek om te gaan, te weten bijna automatisch vooruit kijken, niet te lang stil staan bij problemen en verder gaan. Als verdachte na zijn detentie direct terugkeert in het gezin en zijn behandeling niet klinisch, maar ambulant vorm wordt gegeven, is er een reële kans dat het gezin in dit patroon terug zal vallen. De deskundigen vrezen dat de motivatie voor behandeling daarmee voortijdig zal afnemen, mede gelet op het gegeven dat de behandeling, gelet op de problematiek, naar verwachting veel tijd in beslag zal nemen.

De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van na te melden duur waarvan een deel voorwaardelijk, waarbij de rechtbank aan dit voorwaardelijke deel een tweetal bijzondere voorwaarden zal koppelen te weten een verplicht reclasseringstoezicht, alsmede de voorwaarde dat veroordeelde zich ten behoeve van observatie en de daaruit voortvloeiende behandeling van zijn problematiek klinisch zal laten opnemen in een Forensisch Psychiatrische behandelsetting (FPK) of soortgelijke instelling en aldaar voor klinische behandeling zal verblijven zolang de leiding van de instelling dat in samenspraak met de reclassering nodig oordeelt voor de maximale duur van één jaar.

Beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen gelet op het beslagoverzicht inzake verdachte, welk overzicht door de officier van justitie ter terechtzitting aan de rechtbank is overgelegd en aan het dossier is toegevoegd. Een afschrift van dit overzicht is aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten de goederen opgenomen onder nummers

2 tot en met 15 en 21 van het beslagoverzicht, moeten worden verbeurd verklaard.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen goederen, zoals omschreven in het voornoemde beslagoverzicht vermeld onder de nummers 1 en 16 tot en met 20, moeten worden teruggegeven aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 77b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende een proeftijd van twee jaren de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden.

- veroordeelde zal zich ten behoeve van observatie en de daaruit voortvloeiende behandeling van zijn problematiek klinisch laten opnemen in een Forensisch Psychiatrische behandelsetting (FPK) of soortgelijke in samenspraak tussen FPK en reclassering aan te wijzen instelling en aldaar verblijven voor klinische behandeling zolang de leiding van de instelling dat in samenspraak met de reclassering nodig oordeelt voor de maximale duur van één jaar.

Verklaart verbeurd de goederen opgenomen onder de nummers 2 tot en met 15 en 21 van het beslagoverzicht inzake verdachte.

Gelast de teruggave van de goederen onder de nummers 1 en 16 tot en met 20 van het beslagoverzicht inzake verdachte, aan verdachte.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, kinderrechter,

L.M.E. Kiezebrink en M.J. Oostveen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van

mr. E.A.B. de Jong, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

27 januari 2011.