Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP1890

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
117147 / FA RK 10-692
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na indiening van het verzoekschrift tot vervangende toestemming tot erkenning van het minderjarige kind van partijen heeft de vrouw haar huidige partner toestemming verleend om het kind te erkennen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 31 mei 2002 (LJN AE0745) en van 9 april 2004 (LJN AO1337) van de Hoge Raad stelt de rechtbank vast dat vanaf het moment van indiening van het verzoek van de man tot daarop definitief is beslist, de vrouw slechts voorwaardelijke toestemming tot erkenning kon verlenen aan haar partner. Die toestemming heeft alleen gevolg indien de rechtbank het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning zal afwijzen.

De belangen van de man en het minderjarige kind bij erkenning wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de belangen van de vrouw bij afwijzing van het verzoek van de man. De man wordt vervangende toestemming tot erkenning verleend, zodat de toestemming van de vrouw tot erkenning van het kind door haar partner geen gevolg zal hebben en op grond van artikel 1:204, eerste lid, onder c, BW nietig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 117147 / FA RK 10-692

beschikking d.d. 4 januari 2011

in de zaak van:

[de man],

wonende te [adres],

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. I. Lfil,

en

[de vrouw],

wonende te [adres],

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

en

[belanghebbende],

wonende te [adres],

belanghebbende,

hierna te noemen [belanghebbende],

advocaat mr E. Henkelman.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 23 maart 2010 een verzoekschrift ingediend, waarin hij de rechtbank heeft verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de toestemming van de vrouw door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van [naam minderjarige];

b. te bepalen dat partijen, zodra de man [naam minderjarige] erkend zal hebben, bekleed zullen zijn met het gezamenlijk gezag over haar;

c. een omgangsregeling vast te leggen, waarbij [naam minderjarige] eens per zes weken drie dagen bij de man zal verblijven, welke omgangsregeling in onderling overleg tussen partijen opgebouwd zal worden;

d. kosten rechtens.

Bij beschikking van 6 mei 2010 heeft deze rechtbank mr. J. Bolt benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 2009].

Bij brief binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 17 juni 2010 heeft de man zijn verzoek ingetrokken.

Op 28 juni 2010 is ter griffie van de rechtbank een brief van de bijzondere curator binnengekomen, waarin de bijzondere curator heeft verzocht om in het belang van de minderjarige over te gaan tot behandeling van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.

Op 28 september 2010 heeft de man een akte tot vermeerdering en wijziging van zijn eerder ingediende en later ingetrokken verzoek genomen, waarin de man de rechtbank heeft verzocht om bij beschikking, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de toestemming van de vrouw door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van [naam minderjarige];

b. een omgangsregeling vast te leggen, waarbij [naam minderjarige] eens per zes weken drie dagen bij de man zal verblijven, welke omgangsregeling in onderling overleg tussen partijen opgebouwd zal worden;

c. te bepalen dat de vrouw de man, telkens als daartoe aanleiding is, per email dient te informeren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [naam minderjarige] en hem dient te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen en dat zij hem tussen de bezoeken door eens per zes weken, eveneens per email, een recente foto van [naam minderjarige] dient te sturen.

Op 5 oktober 2010 heeft de man opnieuw een akte tot vermeerdering van verzoek genomen en heeft hij de rechtbank naast het eerder verzochte gevraagd om voor de periodes waarin de man langere tijd thuis is een omgangsregeling vast te stellen, waarbij [naam minderjarige] eens per veertien dagen een weekend bij de man zal verblijven.

De rechtbank heeft op 2 november 2010 de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- partijen, bijgestaan door hun advocaten;

- [belanghebbende];

- mr. J. Bolt, bijzondere curator over de minderjarige [naam minderjarige];

- de heer R.C.M. Wouters, namens de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (de Raad).

Ter zitting heeft de man een aanvullend verzoek gedaan en heeft hij verzocht om de erkenning van [naam minderjarige] door [belanghebbende] door te halen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

- Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen partijen is geboren de minderjarige:

* [naam minderjarige], geboren [in 2009] in de gemeente [geboorteplaats].

- De man is de biologische vader van de minderjarige [naam minderjarige].

- [naam minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.

- Op 6 oktober 2010 heeft [belanghebbende] [naam minderjarige] erkend.

Standpunt van de man

De man is de verwekker van [naam minderjarige]. Hij wenst [naam minderjarige] te erkennen, maar de vrouw weigert haar medewerking. Erkenning van [naam minderjarige] door de man zou op geen enkele manier een ongestoorde verhouding tussen de vrouw en de minderjarige schaden.

De vrouw staat voorts geen contact toe tussen [naam minderjarige] en de man. Omdat de man telkens zes weken achtereen van huis is, verzoekt de man om voor die periodes een omgangsregeling vast te stellen waarbij [naam minderjarige] drie dagen bij hem verblijft. Voor de periodes waarin de man langere tijd thuis is verzoekt de man een omgangsregeling waarbij [naam minderjarige] eens per veertien dagen een weekend bij hem verblijft. De omgangsregeling dient te worden opgebouwd. Daarnaast wenst de man door de vrouw te worden geïnformeerd en geconsulteerd over gewichtige aangelegenheden betreffende [naam minderjarige]. De man betwist het door de vrouw gestelde alcohol- en (soft)drugsgebruik.

Ten aanzien van de erkenning van [naam minderjarige] door [belanghebbende] stelt de man dat de vrouw hiermee bewust de onderhavige procedure heeft doorkruist en het de man onmogelijk wil maken [naam minderjarige] te erkennen. Vanaf de geboorte heeft de vrouw geprobeerd om de man uit het leven van [naam minderjarige] weg te houden.

Standpunt van de vrouw

De vader heeft tijdens de zwangerschap van de vrouw hun relatie verbroken. Hij heeft geen belangstelling gehad voor [naam minderjarige]. Kort na de geboorte van [naam minderjarige] is de vrouw een relatie met [belanghebbende] aangegaan, welke de vrouw als een bestendige relatie beschouwt. [naam minderjarige] ziet [belanghebbende] als haar vader. Zij vormen met elkaar een gezin. Om die reden heeft [belanghebbende] [naam minderjarige] erkend.

Er hebben contacten tussen [naam minderjarige] en de man plaatsgevonden. De vrouw heeft moeite met verdere contacten vanwege het alcohol- en (soft)drugsgebruik door de man. De vrouw acht het nu niet in het belang van [naam minderjarige] om een band op te bouwen met haar biologische vader. Als [naam minderjarige] ouder is en zij zelf contact met de man wil hebben, zal de vrouw dat niet tegenhouden.

Standpunt bijzondere curator

[naam minderjarige] heeft het recht om haar biologische vader te leren kennen en te weten dat hij haar biologische vader is.

Op 26 juni 2010 heeft de rechtbank een zitting bepaald op 2 november 2010. De man heeft begin oktober 2010 nog een aanvullend verzoek gedaan. De vrouw heeft op 6 oktober 2010 [belanghebbende] toestemming gegeven om [naam minderjarige] te erkennen. Zij heeft daarmee niet in het belang van [naam minderjarige] gehandeld. De bijzondere curator stelt dat in het belang van [naam minderjarige] de man, na doorhaling van de erkenning door [belanghebbende], [naam minderjarige] dient te erkennen, waarna zo spoedig mogelijk contact tussen hem en [naam minderjarige] dient te worden opgestart, zo nodig onder begeleiding.

Beoordeling

Vervangende toestemming voor erkenning

Ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming van de rechtbank voor erkenning van de minderjarige [naam minderjarige] door de man overweegt de rechtbank het volgende. In beginsel kan de man niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder over gaan tot erkenning. Ingevolge artikel 1:204, derde lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan echter de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind. Volgens vaste rechtspraak dient de rechtbank bij de belangenafweging in dit kader als uitgangspunt te nemen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak er op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De wetgever heeft daarbij zoveel mogelijk willen aansluiten bij de biologische werkelijkheid. Het belang van de erkenner bij totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen. Volgens vaste rechtspraak is van schade aan de belangen van het kind echter slechts sprake, indien ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico's aanwezig zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.

In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ten aanzien van haar relatie met [belanghebbende], het feit dat [belanghebbende] vanaf de geboorte van [naam minderjarige] als een vader voor haar is en de bezwaren van de vrouw tegen de man ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat erkenning niet in het belang van de minderjarige [naam minderjarige] zou zijn. Voor het overige heeft de vrouw onvoldoende gesteld dat erkenning door de man haar relatie met [naam minderjarige] zal verstoren en/of welke schadelijke gevolgen erkenning voor [naam minderjarige] zal hebben, terwijl ook niet is gebleken dat de belangen van de vrouw of [naam minderjarige] zullen worden verstoord door erkenning door de man.

Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin familie- en gezinsleven wordt beschermd, dan ook niet aan verlening van vervangende toestemming voor erkenning in de weg.

Alle belangen afwegend is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de man en [naam minderjarige] bij erkenning zwaarder dienen te wegen dan de bezwaren van de vrouw tegen erkenning door de man.

Met toestemming van de vrouw heeft [belanghebbende] op 6 oktober 2010, derhalve na indiening van het verzoekschrift door de man, [naam minderjarige] erkend. Bij uitspraak van 31 mei 2002 heeft de Hoge Raad (LJN AE0745) in rechtsoverweging 3.5 het volgende overwogen:

"Bij het ontbreken van de daartoe noodzakelijke, voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder van een kind is de erkenning van dat kind op grond van het bepaalde in het eerste lid van art. 1:204 BW nietig, doch deze nietigheid wordt ingevolge het derde lid van deze bepaling opgeheven wanneer de rechtbank vervangende toestemming verleent. Deze toestemming kan aan de verwekker worden verleend indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. Met de strekking van deze regeling is onverenigbaar dat in een geval waarin de vraag of de gronden tot weigering van de vervangende toestemming ontbreken aan de rechter is voorgelegd, de moeder de beoordeling daarvan en daarmee de erkenning door de verwekker die reeds om vervangende toestemming heeft gevraagd, zou kunnen blokkeren door aan een ander die het kind wil erkennen, daartoe toestemming te verlenen vóórdat definitief op het desbetreffende verzoek van de verwekker is beslist. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat vanaf het moment waarop een verzoek tot het verlenen van deze vervangende toestemming bij de rechtbank is ingediend en totdat daarop definitief is beslist, de moeder aan een ander slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning kan verlenen. Die toestemming heeft in dat geval alleen gevolg indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd."

De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 april 2004 (LJN AO1337) en stelt vast dat uit deze uitspraken van de Hoge Raad volgt dat vanaf het moment van indiening van het verzoek van de man tot daarop definitief is beslist, de vrouw aan een [belanghebbende] slechts voorwaardelijke toestemming tot erkenning kon verlenen. Die toestemming zal alleen gevolg hebben indien de rechtbank het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van [naam minderjarige] zal afwijzen.

Zoals de rechtbank reeds hiervoor heeft overwogen, wegen in de te nemen beslissing tot verlening van vervangende toestemming voor erkenning van [naam minderjarige] door de man de belangen van de man en [naam minderjarige] bij erkenning zwaarder dan de belangen van de vrouw bij afwijzing van het verzoek van de man. Naar het oordeel van de rechtbank dient daarom aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [naam minderjarige] te worden verleend, zodat de toestemming van de vrouw tot erkenning van [naam minderjarige] door [belanghebbende] geen gevolg zal hebben en deze erkenning op grond van artikel 1:204, eerste lid, onder c, BW nietig is.

De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat de de erkenning door [belanghebbende] van de minderjarige [naam minderjarige] als zijn kind nietig is. Aan de man zal toestemming worden verleend om [naam minderjarige] te erkennen.

Omgang en informatie- en consultatieplicht

De man heeft verzocht om een omgangsregeling tussen hem en [naam minderjarige] vast te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [naam minderjarige] en de man in beginsel recht op omgang met elkaar. Gebleken is dat tussen de man en [naam minderjarige] nauwelijks enig contact heeft plaatsgehad. Zoals ter zitting ook door de Raad naar voren is gebracht zal daarom, en voorts mede gelet op de onderlinge verhouding tussen partijen, de omgang voorzichtig opgestart dienen te worden, eventueel onder begeleiding van een derde. De rechtbank acht zich onvoldoende geïnformeerd ten aanzien van de wijze waarop de omgang dient plaats te vinden tussen de man en [naam minderjarige]. De rechtbank zal daarom de Raad verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop omgang dient plaats te vinden en de contacten dienen te worden opgebouwd en de rechtbank dienaangaande van advies te dienen.

De man heeft voorts verzocht de vrouw een informatie- en consultatieplicht over gewichtige aangelegenheden betreffende [naam minderjarige] op te leggen. De rechtbank zal deze beslissing aanhouden en de Raad verzoeken tevens onderzoek te doen naar de wijze waarop de vrouw de man zal informeren en consulteren betreffende [naam minderjarige].

De Raad wordt verzocht om tenminste uiterlijk op de hieronder vermelde roldatum de rapportage aan de rechtbank en de overige belanghebbenden te overleggen.

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen bij akte te reageren op het rapport van de Raad en aan de rechtbank aan te geven of een voortgezette behandeling van de zaak dient plaats te vinden of dat de zaak op basis van de stukken kan worden afgedaan.

BESLISSING

verklaart voor recht dat de erkenning door [belanghebbende] van de minderjarige

* [naam minderjarige], geboren [in 2009] in de gemeente [geboorteplaats],

als zijn kind nietig is;

verleent [de man], geboren [in 1982] in de gemeente [geboorteplaats], toestemming om het minderjarige kind:

* [naam minderjarige], geboren [in 2009] in de gemeente [geboorteplaats],

te erkennen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissingen met betrekking tot omgangsregeling tussen de man en [naam minderjarige] en de informatie- en consultatieplicht aan en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen, onderzoek te verrichten zoals hierboven is omschreven en tenminste uiterlijk op de roldatum van dinsdag 19 april 2011 het rapport dienaangaande aan de rechtbank en de overige belanghebbenden te overleggen; daarbij kan de Raad, in het kader van het onderzoek, een opdracht geven aan een andere instelling dan de Raad;

stelt partijen in de gelegenheid om bij akte ter rolle van dinsdag 10 mei 2011 te reageren op het rapport van de Raad en aan de rechtbank aan te geven of een voortgezette behandeling van de zaak dient plaats te vinden of dat de zaak op basis van de stukken kan worden afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J. Klijn (voorzitter), D.A. Flinterman en J.H.H.M. Dorscheidt en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van 4 januari 2011, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier.

aw

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden, of - voor zover het een beschikking betreft, waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken - op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is betekend en door plaatsing van een uittreksel daarvan in de Staatscourant openlijk bekend is gemaakt.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.