Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2011:BP0827

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
119742 / FA RK 10-1728
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De man heeft de rechtbank verzocht om vervangende toestemming voor de erkenning van twee minderjarige kinderen. In het onderhavige geval heeft de man de Cubaanse nationaliteit, zodat gelet op artikel 4 Wet conflictenrecht afstamming (WCA) wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning het Cubaanse recht van toepassing is. Voor zover al erkenning naar Cubaans recht mogelijk is, is de rechtbank niet gebleken van voorwaarden voor erkenning. Gelet op het belang van de kinderen dat vast komt te staan van wie zij afstammen, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen, zijnde het recht van de gewone verblijfplaats van de kinderen.

Op de toestemming van de moeder tot de erkenning is toepasselijk het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. Nu de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit is zowel op de toestemming van de moeder tot de erkenning, als op de vraag of bij gebreke van toestemming van de moeder deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing het Nederlandse recht van toepassing.

De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de man om de kinderen van partijen te erkennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Meervoudige kamer

zaaknr.: 119742 / FA RK 10-1728

beschikking d.d. 4 januari 2011

in de zaak van:

[de man],

wonende te [adres],

verzoeker,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R.M.A. Arnoldus,

en

[de vrouw],

wonende te [adres],

verweerster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J. Doornbos.

PROCESVERLOOP

De man heeft op 12 juli 2010 een verzoekschrift ingediend, waarin hij de rechtbank heeft verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de toestemming van de vrouw door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] als zijn kinderen.

Bij beschikking van 3 augustus 2010 heeft de rechtbank mr. H.J.M. Janssen benoemd tot bijzondere curator over voornoemde minderjarige kinderen.

Bij faxbericht van 7 september 2010 heeft mr. Janssen de rechtbank verzocht zijn kantoorgenoot mr. A.M. Crouwel te benoemen als bijzondere curator. De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan de last tot toevoeging gewijzigd.

De vrouw heeft op 28 oktober 2010 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 2 november 2010 de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- partijen, bijgestaan door hun advocaten;

- mr. Crouwel, bijzondere curator over de minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2];

- de heer R.C.M. Wouters, namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (de Raad).

Ter zitting heeft de advocaat van de man een pleitnota overgelegd en deze voorgedragen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

- De man heeft de Cubaanse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse.

- De man was tot februari 2010 gehuwd met een andere vrouw.

- Uit de inmiddels verbroken relatie tussen partijen zijn geboren de minderjarigen:

* [kind 1], geboren [in 2006] in de gemeente [***], en

* [kind 2], geboren [in 2009] in de gemeente [***].

- De man is de biologische vader van deze kinderen.

Standpunt van de man

De man heeft gesteld dat hij er belang bij heeft dat een familierechtelijke betrekking tussen hem en de minderjarige kinderen van partijen tot stand komt. De erkenning zal de belangen van de kinderen of de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de kinderen niet schaden. De vrouw weigert toestemming voor de erkenning. De man verzoekt de rechtbank daarom om vervangende toestemming voor de erkenning te verlenen.

De man heeft gesteld dat partijen een omgangsregeling zijn overeengekomen, waarbij de man wekelijks gedurende een zaterdag of zondag omgang met [kind 1] heeft.

Standpunt van de vrouw

De vrouw heeft gesteld dat tussen de man en de kinderen nimmer sprake is geweest van gezinsleven (family life). De man was tot februari 2010 gehuwd met een ander. Gelet op het bepaalde in artikel 4 van de Wet conflictenrecht afstamming (WCA) dienen de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning te worden bepaald aan de hand van het Cubaanse recht. Het verzoek dient om deze reden te worden afgewezen.

Voorts stelt de vrouw dat zij de uitvoering van de omgangsregeling tussen de man en de kinderen heeft gestaakt, omdat de man zich niet houdt aan gemaakte afspraken. Zijn thuissituatie is niet veilig voor de kinderen. Hij rookt cannabis en gebruikt veel alcohol, waarna hij gaat autorijden. Gelet op de wijze waarop de man invulling geeft aan zijn vaderschap en de daarbij behorende verantwoordelijkheden stelt de vrouw dat erkenning niet in het belang van de kinderen is.

Beoordeling

Ingevolge artikel 4, eerste lid, WCA wordt de vraag of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit. Indien volgens dat recht erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

In het onderhavige geval heeft de man de Cubaanse nationaliteit, zodat wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor de erkenning het Cubaanse recht van toepassing is. Voor zover al erkenning naar Cubaans recht mogelijk is, is de rechtbank niet gebleken van voorwaarden voor erkenning. Gelet op het belang van de kinderen dat vast komt te staan van wie zij afstammen, zal de rechtbank daarom het Nederlandse recht toepassen, zijnde het recht van de gewone verblijfplaats van de kinderen.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, vierde lid, WCA -voor zover hier van belang- is, ongeacht het ingevolge het eerste lid toepasselijke recht, op de toestemming van de moeder tot de erkenning toepasselijk het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. Nu de vrouw de Nederlandse nationaliteit bezit is zowel op de toestemming van de moeder tot de erkenning, als op de vraag of bij gebreke van toestemming van de moeder deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing het Nederlandse recht van toepassing.

Op grond van artikel 1:204, eerste lid, onder c, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de man niet zonder de toestemming van de vrouw tot erkenning van de kinderen van partijen overgaan. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij de man geen toestemming verleent om tot erkenning van de kinderen over te gaan. De rechtbank kan ingevolge artikel 1:204, derde lid, BW de toestemming van de moeder vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de kinderen of de belangen van de kinderen niet zou schaden, en de man de verwekker is van de kinderen.

Vast staat dat de man de verwekker is van de kinderen.

Vervolgens dient de rechtbank gelet op vaste rechtspraak bij de belangenafweging in dit kader als uitgangspunt te nemen dat zowel de kinderen als de verwekker aanspraak er op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De wetgever heeft daarbij zoveel mogelijk willen aansluiten bij de biologische werkelijkheid. Het belang van de erkenner bij totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de kinderen of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de kinderen geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen. Volgens vaste rechtspraak is van schade aan de belangen van de kinderen echter slechts sprake, indien ten gevolge van de erkenning voor de kinderen reƫle risico's aanwezig zijn dat zij worden belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.

De vrouw heeft aangevoerd dat de man zich niet houdt aan de afspraken over de omgang tussen de man en de kinderen, hetgeen spanningen oplevert bij de vrouw en belastend is voor haar en de kinderen. De man zou softdrugs en alcohol gebruiken en vervolgens deelnemen aan het verkeer. Zij heeft verder gesteld dat, gelet op de invulling van het vaderschap door de man en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, erkenning van de kinderen door de man niet in het belang van de kinderen is. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat erkenning niet in het belang van de minderjarige kinderen zou zijn. Voor het overige heeft de vrouw onvoldoende gesteld dat erkenning door de man haar relatie met de kinderen zal verstoren en/of welke schadelijke gevolgen erkenning voor de kinderen zal hebben, terwijl ook niet is gebleken dat de belangen van de vrouw of de kinderen zullen worden verstoord door erkenning door de man.

De rechtbank ziet in het feit dat de man gehuwd was met een andere vrouw, gecombineerd met het bepaalde in artikel 1:204, eerste lid, onder e, BW, geen aanleiding de vervangende toestemming niet te verlenen nu de erkenning door de man in de toekomst zal gaan plaatsvinden en het betreffende huwelijk blijkbaar reeds in februari 2010 is ontbonden.

De rechtbank zal daarom vervangende toestemming verlenen aan de man om de kinderen van partijen te erkennen.

BESLISSING

verleent [de man], geboren [in 1982] te [geboorteplaats], Cuba, wonende te [adres], toestemming om de minderjarige kinderen:

* [kind 1], geboren [in 2006] in de gemeente [***], en

* [kind 2], geboren [in 2009] in de gemeente [***].

te erkennen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J. Klijn(voorzitter), D.A. Flinterman en J.H.H.M. Dorscheidt en uitgesproken door eerstgenoemde ter openbare terechtzitting van 4 januari 2011, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Wal als griffier.

aw

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.