Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BQ2271

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
462624 \ CV EXPL 10-12054
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Getuigenbewijs; patstelling; (geen) partijgetuigen (het eindvonnis is gepubliceerd onder LJN: BQ2273)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 462624 \ CV EXPL 10-12054

Vonnis d.d. 28 oktober 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autoservice [naam] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,

eiseres, hierna A te noemen,

gemachtigde LAVG gerechtsdeurwaarders te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tandartspraktijk [naam] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [adres],

gedaagde, hierna B te noemen,

procederend in de persoon van [directeur], hierna [directeur] te noemen.

PROCESGANG

A heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd B te veroordelen tot betaling van € 1.099,19 (waarvan € 53,59 aan handelsrente en € 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten) vermeerderd met rente en kosten.

B heeft de vordering bestreden.

Bij tussenvonnis van 8 juli 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is een comparitie van partijen gelast.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 30 september 2010, in aanwezigheid van partijen (A vertegenwoordigd door [naam], directeur) en de gemachtigde van A. Van hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Nadat partijen er niet in waren geslaagd een minnelijke schikking te bereiken is de behandeling gesloten en uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De feiten

Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat vast:

* dat A op 28 juli 2009 een storing heeft verholpen aan een personenauto van het merk Audi, type A6 Avant Quattro TDI met kenteken XF-SH-53;

* dat deze auto op naam staat van B;

* dat B de voor deze reparatie bij haar in rekening gebrachte kosten van € 835,37 niet aan A heeft betaald;

* dat B een bedrag van € 60,23 aan huur van een Volkswagen Polo evenmin aan A heeft betaald.

2. Standpunten van partijen

2.1 A heeft zich in de dagvaarding primair op het standpunt gesteld dat [directeur van B] de opdracht heeft gegeven tot reparatie van de auto. Subsidiair was het volgens A niet [directeur van B], maar ene C die dit namens B heeft gedaan. Hoe dan ook, B dient de rekening van € 895,60 aan A te betalen, aldus A. Daarnaast is B vervangend vervoer aangeboden in de vorm van een Volkswagen Polo, waarvoor een bedrag van € 60,23 aan huur verschuldigd is. Ook dit bedrag dient B aan A te betalen, evenals de gevorderde rente en de buitengerechtelijke incassokosten.

2.2 [directeur van B] betwist dat hij de opdracht tot reparatie van de auto heeft gegeven en dat hij om vervangend vervoer heeft verzocht. Volgens hem heeft C dat zonder toestemming van [directeur van B] gedaan. Hij weigert daarom de vordering te voldoen.

3. De beoordeling

3.1 Ter zitting heeft A verklaard dat het niet [directeur van B], maar C is geweest die de opdracht tot reparatie van de auto aan A heeft gegeven. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een wijziging van eis. Omdat feitelijk het primaire standpunt wordt verlaten en alleen het subsidiaire standpunt wordt gehandhaafd, staat de kantonrechter deze wijziging van eis toe.

3.2 De stellingen van A komen er op neer dat zij zich beroept op de schijn dat C vertegenwoordigingsbevoegd was om namens B opdracht te geven tot reparatie van de auto. Deze schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid moet zijn gewekt door [directeur van B]. A beroept zich op de volgende handelingen van [directeur van B]: hij heeft C zijn originele rijbewijs ter beschikking gesteld en hij heeft telefonisch de opdracht gegeven tot het uitvoeren van de reparatie. [directeur van B] betwist gemotiveerd dat hij deze handelingen heeft verricht.

3.3 Wil A zich met succes beroepen op de hiervoor genoemde schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, dan dient A te bewijzen dat C in het bezit was van het originele rijbewijs van [directeur van B] toen hij de auto ter reparatie aanbood en dat [directeur van B] telefonisch de opdracht heeft gegeven tot reparatie van de auto.

3.4 Omdat A nadrukkelijk bewijs heeft aangeboden zal de kantonrechter A tot bewijs toelaten als in het dictum van dit vonnis omschreven. De zaak zal worden verwezen naar de zitting van 25 november 2010. Op deze zitting kan A zich uitlaten omtrent de wijze waarop zij het aan haar opgedragen bewijs wenst te leveren. Uiteraard kan deze uitlating schriftelijk worden gedaan. Voor het geval A getuigen wenst te laten horen, dient zij alsdan de namen van de te horen getuigen op te geven alsmede de verhinderdata in de periode van twee maanden volgende op die rolzitting. Omdat A stelt dat de bij haar werkzame D het aangeboden bewijs kan leveren, is de kantonrechter van oordeel dat indien A getuigen wenst te laten horen, in elk geval D als getuige dient te worden gehoord.

3.5 Voorts zal A in de gelegenheid worden gesteld een afschrift in het geding te brengen van het huurcontract waaruit blijkt dat zij een Volkswagen Polo aan B heeft verhuurd. Vooruitlopend op een getuigenverhoor wil de kantonrechter verder van beide partijen een overzicht van de gebruikte telefoonnummers met data en tijdstippen. De zaak zal ook hiervoor worden verwezen naar de zitting van 25 november 2010.

3.6 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

BESLISSING

De kantonrechter:

laat A toe tot het bewijs:

1. dat C het originele rijbewijs van [directeur van B] heeft getoond toen C de Audi A6 Avant Quattro TDI met kenteken XF-SH-53 ter reparatie bij A aanbood;

2. dat [directeur van B] telefonisch de opdracht heeft verstrekt tot reparatie van de onder 1 genoemde Audi;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 25 november 2010 voor uitlating door partijen als bedoeld in overweging 3.4 en 3.5;

bepaalt dat voor de uitlating door partijen en het mogelijk te houden getuigenverhoor in beginsel geen uitstel zal worden verleend;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 28 oktober 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: wj