Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BP9795

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
AWB 09-797 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Conservatorium is geen basisschool in de zin van de Wpo en de Verordening. Gelet daarop bestaat er geen aanleiding om een vervoersvoorziening op grond van de Verordening toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/797 BESLU

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te Sappemeer, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juli 2009. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 16 december 2008, waarbij eisers verzoek om leerlingenvervoer ten behoeve van zijn zoon [betrokkene] naar het Koninklijk Conservatorium te Den Haag is afgewezen, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 8 februari 2010.

Eiser is – na daartoe te zijn opgeroepen – verschenen, bijgestaan door zijn partner,

[de vrouw] Verweerder heeft zich – na daartoe te zijn opgeroepen – doen vertegenwoordigen door J. de Groot en A. Houtman.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. procesverloop

De zoon van eiser, [betrokkene] staat in het cursusjaar 2008-2009 ingeschreven als leerling aan de Groningse Schoolvereniging (hierna: GSV).

Vanaf 1 september 2008 staat [betrokkene] ingeschreven aan de School voor Jong Talent van het

Koninklijk Conservatorium te Den Haag (hierna: het Conservatorium) voor het volgen van muziekgerelateerde lessen.

Bij aanvraagformulier van 15 september 2008 dient eiser bij verweerder het verzoek in om hem een reiskostenvergoeding toe te kennen voor het vervoer van [betrokkene] met de auto naar de GSV en naar het Conservatorium in Den Haag.

Na ontvangst van nadere gegevens van eiser en de GSV heeft verweerder bij besluit van

16 december 2008 besloten om eiser met ingang van 15 september 2008 in aanmerking te brengen voor een volledige reiskostenvergoeding voor eigen vervoer in verband met het schoolbezoek van [betrokkene] aan de GSV. De aanvraag voor een vergoeding van reiskosten van het vervoer van [betrokkene] naar het Conservatorium voor het cursusjaar 2008-2009 is afgewezen.

Tegen voornoemd besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Eiser heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om zijn bezwaarschrift op een hoorzitting van de algemene commissie

voor bezwaar- en beroepschriften toe te lichten. De commissie heeft verweerder op 6 juli 2009 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 16 december 2008 in stand te laten. Daartoe heeft de commissie – samengevat – overwogen dat het Conservatorium geen basisschool is in de zin van de Wet op het primair onderwijs

(hierna: Wpo), waardoor verweerder niet op grond van artikel 2 van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: de Verordening) een vervoersvoorziening aan eiser kan toekennen.

Conform het advies van de commissie heeft verweerder bij besluit van 10 juli 2009 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser kan zich niet met het besluit van verweerder verenigen en heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift aan de rechtbank gezonden.

3.2. Rechtsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaar tegen het primaire besluit – zakelijk en kort weergegeven – heeft gesteld dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen, omdat het Conservatorium in de eerste plaats moet worden aangemerkt als een school als bedoeld in de Wpo en in de tweede plaats omdat deze school als een dislocatie van de GSV moet worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder in het thans bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard op de grond dat het Conservatorium geen school is in

de zin van de Wpo. Uit dit besluit blijkt dat verweerder het advies van de algemene commissie voor bezwaar- en beroepschriften heeft overgenomen. Voor de overwegingen

tot het ongegrond verklaren van het bezwaar van eiser is verwezen naar het advies van deze commissie. In dit advies is slechts ingegaan op het bezwaar van eiser dat het Conservatorium ten onrechte niet is aangemerkt als een school als bedoeld in de Wpo. Daarmee komt verweerder ten onrechte en in strijd met de wet niet tot een volledige heroverweging als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is niet op het bezwaar van eiser ingegaan dat het Conservatorium als dislocatie van de GSV moet worden aangemerkt. Het besluit is daarmee onvoldoende gemotiveerd en dus ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb.

Op grond van het voorgaande is het beroep gegrond en dient het besluit op bezwaar te worden vernietigd. Omdat het beroep gegrond verklaard wordt, is er aanleiding om een proceskostenvergoeding in de vorm van vergoeding van reiskosten van eiser en zijn partner toe te kennen en te bepalen dat het griffierecht wordt vergoed.

De gemeente Hoogezand-Sappemeer zal die kosten moeten betalen.

Nu verweerder in het verweerschrift en ter zitting wel is ingegaan op de beide hiervoor genoemde bezwaren van eiser en partijen te kennen hebben gegeven dat zij van de rechtbank ook op beide punten duidelijkheid willen hebben, zal de rechtbank voorts beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Primair stelt verweerder dat het Conservatorium geen basisschool is in de zin van de Wpo en daardoor ook niet in de zin van de Verordening.

Ingevolge artikel 1 van de Wpo – voor zover van belang in dit geding – wordt onder school verstaan: een basisschool, tenzij het tegendeel blijkt.

Onder basisschool wordt verstaan: een school waar basisonderwijs wordt gegeven, niet zijnde een speciale school voor basisonderwijs.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wpo verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten.

De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast.

De gemeente Hoogezand-Sappemeer heeft deze nadere regeling vastgelegd in de Verordening. Daarin wordt – voor zover in dit geding van belang – in artikel 1 onder

school verstaan: een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in

de Wet op het primair onderwijs.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening kent het college aan de ouders van in

de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in de verordening.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en hetgeen is besproken ter zitting vast

dat [betrokkene] aan het Conservatorium muziekgerelateerde lessen volgt en daarnaast niet het reguliere lesprogramma van het basisonderwijs. Dit oordeel wordt bevestigd door het

bewijs van inschrijving van 17 oktober 2008 van [betrokkene] als leerling aan de School voor

Jong Talent van het Conservatorium en het telefonische gesprek tussen de secretaris van

de algemene commissie voor bezwaar- en beroepschriften en de directeur van de School

voor Jong Talent van het Conservatorium, waaruit naar voren komt dat [betrokkene] als een externe leerling wordt beschouwd en dat deze school geen zorg draagt voor regulier algemeen vormend onderwijs aan [betrokkene].

De rechtbank stelt voorts op grond van de gedingstukken en hetgeen is besproken ter zitting vast dat [betrokkene] voor het volgen van reguliere basisschoollessen staat ingeschreven bij de GSV.

Met verweerder stelt de rechtbank vast dat [betrokkene] door de bovengenoemde situatie geen school bezoekt in de zin van artikel 1 van de Wpo.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het voorgaande heeft kunnen besluiten om aan eiser geen vervoersvoorziening op grond van artikel 2 van de Verordening toe te kennen.

Secundair is de vraag aan de orde of de aanvraag van eiser kan worden afgewezen op de grond dat het Conservatorium geen dislocatie is van de GSV.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Wpo nemen de leerlingen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat die onderwijsactiviteiten voor de leerlingen onderling kunnen verschillen.

Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag van een school op verzoek van de ouders een leerling, op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden, vrijstellen van het deelnemen aan bepaalde onderwijsactiviteiten. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan vrijstelling is verleend.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken, met name het e-mailbericht van de adjunct-directeur van de GSV van 4 december 2008, en hetgeen is besproken ter zitting vast

dat door de GSV geen vervangend onderwijs aan het Conservatorium voor [betrokkene] is aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat het volgen van lessen aan het Conservatorium niet is aan te merken als schoolbezoek aan de GSV of als een door de GSV uitbesteed gedeelte van onderwijs aan het Conservatorium.

De rechtbank komt met verweerder tot het oordeel dat de GSV geen toestemming in de zin van artikel 41, tweede lid, Wpo heeft gegeven voor het volgen van lessen aan het Conservatorium in de plaats van onderwijsactiviteiten waarvan door de GSV vrijstelling is verleend. Dat eiser vindt dat de GSV dit wel had moeten doen op grond van de wettelijke regeling en dat de GSV hierin tekort is geschoten, betreft een andere discussie die niet in het kader van de aanvraag om de vervoersvoorziening beoordeeld kan worden.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft gesteld dat niet door toepassing van artikel 41, tweede lid, Wpo, het bezoek van [betrokkene] aan het Conservatorium is aan te merken als schoolbezoek in de zin van artikel 2 van de Verordening.

Nu vast is komen te staan dat er geen sprake is van situatie waarop de Verordening ziet,

is door verweerder terecht gesteld dat niet wordt toegekomen aan een beoordeling of de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 26 en 27 van de Verordening op de situatie van eiser van toepassing is.

Beslist moet worden als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 juli 2009;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer het betaalde griffierecht van

€ 150,00 aan eiser dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser en zijn partner, welke kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn vastgesteld op € 10,20 en bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. D.M. Schuiling en in het openbaar door haar uitgesproken op

4 maart 2010 in tegenwoordigheid van M. Lammerts-Rannenburg als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op:

Typ: ML