Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BO6176

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
459795 CV EXPL 10-10823
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag procedure. Na het faillissement van het Meavita-concern is op 11 maart 2009 de Stichting Continuering Uitvoering AWBZ en WMO Groningen e.o. in het leven geroepen om de thuiszorgactiviteiten in Groningen en omgeving voort te zetten. De Stichting heeft al het personeel van Meavita (waaronder werkneemster) per die datum overgenomen. De UWV heeft medio 2009 de Stichting toestemming verleend om de arbeidsverhouding op te zeggen met alle medewerkers in de functiegroep waarin werkneemster werkzaam was. De Stichting heeft vervolgens van die toestemming gebruik gemaakt. Met name omdat werkneemster door de bijzondere doorstart in een veel gunstiger positie verkeert dan wanneer zij door het faillissement meteen haar baan zou hebben verloren, volgt de kantonrechter werkneemster niet in haar standpunt dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0953
RI 2011/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 459795 CV EXPL 10-10823

Vonnis d.d. 11 november 2010

inzake

Q.,

wonende te [adres],

eiseres, hierna Q. te noemen,

gemachtigde mr. E.A.C. Sietsma, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, gevestigd te Assen,

tegen

de stichting Stichting Continuering Uitvoering AWBZ en WMO Groningen e.o,

h.o.d.n. Thuiszorg Groningen,

statutair gevestigd in de gemeente 's-Gravenhage, kantoorhoudende te Groningen,

gedaagde, hierna de Stichting te noemen,

gemachtigde mr. A.A.F. Talitsch, advocaat te 's-Gravenhage.

PROCESGANG

De bij vonnis van 5 augustus 2010 gelaste comparitie heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010. Partijen (de Stichting vertegenwoordigd door [naam]) en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten nader uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Zoals ter zitting afgesproken, heeft Q. vervolgens bij akte nog een productie in het geding gebracht.

Het vonnis bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1. Q. is geboren op 17 september 1950. Zij is op 16 oktober 1989 bij één van de rechtsvoorgangers van de Stichting in dienst getreden.

1.2. Op 9 maart 2009 was Q. in dienst van één van de Thuiszorg-stichtingen van het Meavita-concern (hierna: Meavita).

1.3. Meavita is per die datum (9 maart 2009) gefailleerd. Om de continuïteit van de door Meavita verleende thuiszorg te waarborgen is - in overleg met de staatssecretaris VWS, het ministerie VWS, de Nederlandse Zorg Autoriteit, de landsadvocaat en de curatoren - de Stichting opgericht.

1.4. De Stichting heeft met ingang van 11 maart 2009 de zorgactiviteiten in Groningen en omgeving voortgezet en al het personeel van Meavita per die datum in dienst genomen.

1.5. Bij brief van 11 maart 2009 heeft de Stichting aan Q. de gang van zaken uiteengezet. Daarbij is haar onder meer bevestigd dat er een nieuwe arbeidsovereenkomst met de Stichting tot stand is gekomen en dat de Stichting alle rechten van Q. zal respecteren.

1.6. Omdat een reorganisatie nodig bleek, is in overleg met de vakbonden een Sociaal Plan tot stand gekomen.

1.7. Q. was laatstelijk werkzaam in de functie van Verzorgende B. De Stichting heeft in het kader van de reorganisatie besloten om deze functie te laten vervallen. Medio 2009 heeft de Stichting de UWV verzocht om toestemming voor het opzeggen van de arbeidsverhouding met de medewerkers die deze functie op dat moment uitoefenden, waaronder Q. Q. heeft in die procedure verweer gevoerd.

1.8. De UWV heeft de gevraagde toestemming bij beslissing van 26 augustus 2009 verleend, welke beslissing zij op 23 september 2009 heeft gemotiveerd. Voor zover van belang heeft de UWV daarbij het volgende overwogen:

(...)

Mij is aannemelijk geworden, dat werkgever een verliesgevend bedrijf voert. Het kostentotaal ligt boven het totaal aan inkomsten, zodat ook het bedrijfsresultaat negatief is.

Mij is aannemelijk geworden, dat werkgever op zijn kosten dient te bezuinigen. De wijze waarop werkgever dit gestalte geeft dient tot zijn beleidsvrijheid gerekend te worden, die ik enkel marginaal kan toetsen. De beslissing van werkgever zijn organisatie minder bureaucratisch te maken en de zorg eenvoudiger, platter en zelfsturend te organiseren acht ik niet onredelijk. Het gevolg daarvan is dat (...) minder verzorgenden ingezet zullen worden.

(...)

Mij is aannemelijk geworden, dat in het bedrijf van werkgever, om tot een kostendekkende exploitatie te kunnen komen, nu andere bezuinigingsmaatregelen onvoldoende zijn gebleken, op bedrijfseconomische overwegingen arbeidsplaatsen moeten komen te vervallen.

Ik acht de ontslagvoordracht qua omvang niet onevenredig.

(...)

Bij de beantwoording van de vraag welke werknemer voor ontslag in aanmerking moet worden gebracht dient het afspiegelingsbeginsel gehanteerd te worden. Het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast per categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging op basis van de leeftijdsopbouw binnen de betreffende categorie uitwisselbare functies.

Mij is aannemelijk geworden dat werkgever de functiecategorie verzorgingshulp B Zorg Thuis terecht aanmerkt als een uitwisselbare functiecategorie.

Mij is aannemelijk geworden dat werknemer de functie verzorgingshulp B Zorg Thuis bekleedt en door werkgever is ingedeeld in de juiste uitwisselbare functiecategorie.

Mij is aannemelijk geworden dat de functie van verzorgingshulp B Zorg Thuis in zijn geheel komt te vervallen.

Mij is niet gebleken dat er herplaatsingsmogelijkheden aanwezig zijn.

Onder deze omstandigheden wordt de aanvraag van werkgever tot het mogen opzeggen van de arbeidsverhouding met werknemer toegestaan.

1.9. De Stichting heeft bij brief van 31 augustus 2010 aan Q. bericht dat zij gebruik maakt van de ontslagvergunning. De Stichting heeft de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn opgezegd per 8 december 2009. De Stichting heeft Q. er in die brief op gewezen dat zij, conform het met de vakbonden overeengekomen akkoord, recht heeft op de wachtgeldregeling van de CAO-VVT.

Het standpunt van partijen

2. Q. heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat het gegeven ontslag als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Primair wil zij herstel van de arbeidsverhouding. Subsidiair meent zij met een beroep op het gevolgencriterium aanspraak te kunnen maken op een schadevergoeding groot € 14.918,14 bruto.

3. De Stichting heeft, kort gezegd, gesteld dat van kennelijk onredelijk ontslag geen sprake is. Zij is van mening dat op haar niet de plicht rust om Q. weer in dienst te nemen. Ook ziet zij geen reden om Q. een vergoeding toe te kennen bovenop de wachtgeldregeling.

De beoordeling

4. De kantonrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de noodzaak van de in het geding zijnde reorganisatie en de daaruit voortvloeiende arbeidsrechtelijke consequenties voor een deel van de medewerkers, waaronder Q., alsmede van de wijze waarop de selectie van de werknemers die moeten afvloeien tot stand is gekomen, aan de beslissing van de CWI, bij uitstek de deskundige organisatie in dezen, in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt.

5. Voormeld beginsel kan uitzondering lijden indien de beslissing tot toestemming van de CWI tot beëindiging van de dienstbetrekking in strijd moet worden geacht met een of meer fundamentele beginselen van een goede procesorde - bijvoorbeeld schending van het beginsel van hoor en wederhoor - of wanneer deze evident onjuist is, dan wel als na die beslissing nieuwe, voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden bekend zijn geworden.

6. Voor zover Q. met haar stelling dat de Stichting haar in aanmerking had moeten laten komen voor de functie van Verzorgende D in het geweer komt tegen de beslissing van de CWI over de uitwisselbare functiecategorie, overweegt de kantonrechter - onder verwijzing naar het voorgaande - dat die stelling haar niet kan baten. Daarbij is van belang dat, zo is ter zitting genoegzaam gebleken, een opleiding voor de duur van twee jaar (voor sommigen met een bepaald opstapniveau één jaar) nodig is om zich de benodigde kennis en vaardigheden behorende bij de functie van Verzorgende D eigen te maken. Dat is veel langer dan de termijn die door de CWI wordt gehanteerd. Dat Q. de werkzaamheden behorende bij de functie Verzorgende D in het verleden met enige regelmaat heeft verricht, maakt niet dat het oordeel van de CWI over de uitwisselbare functiecategorie niet juist is. Het gaat namelijk om uitwisselbaarheid van functies, niet van personen. De persoonlijke vaardigheden van een bepaalde medewerker zijn dan ook niet van belang voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van uitwisselbare functies. Ook voor het overige heeft Q. onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat in deze zaak van bedoelde uitzondering sprake is. Naar het oordeel van de kantonrechter moet het er daarom voor worden gehouden dat de hiervoor bedoelde uitzondering zich in deze zaak niet voordoet.

7. Verder is van belang dat een werkgever, zo heeft ook de CWI terecht geoordeeld, een grote vrijheid heeft om te bepalen op welke wijze hij zijn organisatie wenst in te richten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Q. onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat het besluit van de Stichting om de functie Verzorgende B te laten vervallen de toets der kritiek niet kan doorstaan.

8. In het licht van het voorgaande rustte naar het oordeel van de kantonrechter op de Stichting in beginsel niet de verplichting om Q. in aanmerking te laten komen voor de twee door haar genoemde functies van Verzorgende D. Niettemin kunnen zich omstandigheden voordoen die tot een andere conclusie nopen, bijvoorbeeld op grond van goed werkgeverschap, zoals Q. stelt. Echter, het enkele feit dat het ontslag voor Q. financiële gevolgen heeft, maakt niet dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Ook anderszins is daarvan niet gebleken.

9. Met betrekking tot de vraag of de opzegging kennelijk onredelijk is vanwege het gevolgencriterium (Q. stelt dat het ontslag voor haar grote financiële gevolgen heeft) overweegt de kantonrechter voorts als volgt.

10. In artikel 7:681 lid 2 sub b BW is bepaald dat opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk kan worden geacht, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

11. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Naast het voorgaande, geldt in dit verband in deze zaak het volgende.

12. Van belang is dat Q. op het moment dat het dienstverband werd beëindigd 59 jaar oud was. Hoewel er op grond van artikel 7:666 BW geen sprake is van een overgang van onderneming, moeten naar het oordeel van de kantonrechter de dienstjaren bij de vorige werkgever van Q. (Meavita) worden meegeteld. In de brief van 11 maart 2009 heeft de Stichting namelijk aangegeven dat alle rechten zullen worden gerespecteerd. Naar het oordeel van de kantonrechter moet daaronder worden verstaan de rechten in verband met de dienstjaren bij Meavita. Voor Q. moet daarom worden uitgegaan van een dienstverband van 20 jaren. Omdat het tegendeel niet is gesteld of gebleken moet ervan worden uitgegaan dat Q. steeds prima heeft gefunctioneerd. Voorts volgt uit het feit dat Q., zo heeft zij onweersproken gesteld, sinds de beëindiging van het dienstverband veelvuldig maar vruchteloos heeft gesolliciteerd, dat haar positie op de arbeidsmarkt gezien haar leeftijd verre van rooskleurig is.

13. Verder kan worden vastgesteld dat de reden van de opzegging weliswaar in de risicosfeer van de Stichting ligt, maar dat enkel uit het gegeven dat de Stichting werd geconfronteerd met de erfenis van Meavita volgt dat de slechte bedrijfseconomische situatie niet aan haar te wijten is.

14. Ook de financiële gevolgen van het ontslag en de getroffen voorziening spelen een rol. De Stichting is met de representatieve vakbonden een Sociaal Plan overeengekomen, op grond waarvan Q. recht heeft op financiële compensatie in de vorm van een wachtgeldregeling. Zoals de Hoge Raad in haar arrest van 14 juni 2002 (NJ 2003, 324) heeft overwogen, vormt een dergelijk plan een aanwijzing dat die voorziening toereikend is. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter hier het geval. Wanneer na het faillissement van Meavita in maart 2009 niet tot de onderhavige constructie was gekozen waarbij de Stichting de thuiszorg in Groningen continueerde, had Q. door het faillissement en het als gevolg daarvan gegeven ontslag door de curator namelijk met lege handen gestaan. Door de wijze waarop de "doorstart" nu is vormgegeven, heeft Q. niet alleen driekwart jaar langer loon ontvangen, anders dan in het geval van faillissement komt zij op grond van de afspraken in het Sociaal Plan nu ook in aanmerking voor financiële compensatie in de vorm van een wachtgeldregeling.

15. Ook al zou Q. er door het ontslag qua inkomsten en pensioenbreuk in totaal voor een bedrag van € 14.918,14 bruto op achteruitgaan (de Stichting betwist de hoogte van de door Q. becijferde schade), betekent het enkele feit dat het ontslag voor haar in financieel opzicht nadelig uitpakt naar het oordeel van de kantonrechter in het licht van het voorgaande niet dat de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de Stichting bij de opzegging.

16. Alle genoemde omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking genomen, komt de kantonrechter op grond van het voorgaande tot het oordeel dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is. De vorderingen van Q. zullen daarom worden afgewezen.

17. Q. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Q. in de kosten van het geding, aan de zijde van de Stichting tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 300,00 voor salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op donderdag 11 november 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: MH