Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BO4435

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
374438 CV EXPL 08-11206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op het tussenvonnis van 21 januari 2010 (LJN BL0294).

Verrekenen vordering met de eindafrekening. Goed werkgeverschap. Art. 7:611 BW. Privégebruik bestelauto van werkgever.

De hoogte van de eventuele bijtelling was voor de werknemer niet duidelijk zodat hij de gevolgen van het privégebruik niet heeft kunnen overzien. Toen de werkgever bovendien merkte dat de werknemer de kilometerregistratie niet bijhield, had de werkgever hetzij de bestelauto moeten terug nemen, hetzij aan de boekhouder door moeten geven dat een bijtelling diende plaats te vinden. Het onder deze omstandigheden laten oplopen van de vordering op de werknemer en aan het einde van het dienstverband met terugwerkende kracht verrekenen acht de kantonrechter in strijd met goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0918
RAR 2011/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 374438 \ CV EXPL 08-11206

Vonnis d.d. 11 november 2010

inzake

G.,

wonende te [adres],

eiser, hierna G. te noemen,

gemachtigde J.H. Nijp, werkzaam bij 1*2*3* incasso;

tegen

de besloten vennootschap Party- en Recreatiecentrum Strandheem B.V.,

gevestigd te 9865 VN Opende, Parkweg 5,

gedaagde, hierna Strandheem te noemen,

gemachtigde mr. A.C. Rietveld, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

PROCESGANG

In deze zaak is een tussenvonnis gewezen dat op 21 januari 2010 in het openbaar is uitgesproken.

Ter uitvoering van dit tussenvonnis zijn op 18 maart 2010 twee getuigen van de zijde van Strandheem gehoord.

Vervolgens is de procedure geschorst geweest naar aanleiding van een wrakingsverzoek van 10 mei 2010 van de zijde van G. Per 11 juni 2010 is de procedure voortgezet in de stand waarin deze bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

G. heeft afgezien van het horen van getuigen aan zijn zijde. Ter rolle van 15 juli 2010 heeft G. een aanvullende conclusie ingediend. Strandheem heeft daarop, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.

Ten slotte is de datum voor het vonnis (nader) bepaald op vandaag.

OVERWEGINGEN

1. De kantonrechter handhaaft al hetgeen hij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 21 januari 2010.

2.1 In voornoemd tussenvonnis heeft de kantonrechter Strandheem toegelaten tot het bewijs dat zij direct bij het ter beschikking stellen van de bestelauto G. er op heeft gewezen dat hij deze auto kon gebruiken mits hij een kilometeradministratie zou bijhouden, en dat indien G. dit niet zou doen er een bijtelling zou moeten worden gedaan.

2.2 Getuige A. heeft - voor zover hier van belang- het volgende verklaard.

"Ik heb toen tegen G. gezegd dat ik dat met de boekhouder moest overleggen en hem erbij verteld dat hij of een bijtelling zou krijgen of een kilometerregistratie zou moeten bij houden. Op uw vraag hierover antwoord ik dat ik zeker weet dat ik dat er bij heb gezegd. Daar kan ik aan toe voegen dat G. ook begreep wat ik zei, want hij was duidelijk dat hij opmerkte dat hij in ieder geval geen bijtelling wilde omdat hij financieel krap zat. Ik heb de boekhouder gebeld en die heeft een mapje met papieren voor die kilometerregistratie toegestuurd. Telefonisch had de boekhouder mij al verteld dat G. de kilometers goed moest bij houden, ook de privé kilometers. Mijn broer heeft later dat boekje aan G. gegeven. Daar ben ik niet bij geweest dus daarover kan ik niets verklaren.

Enige tijd later, in mijn herinnering een paar weken, zag ik dat boekje in de Caddy liggen, duidelijk niet ingevuld. Ik heb toen tegen G. gezegd dat hij dat boekje moest bij houden omdat hij anders een bijtelling zou krijgen. Ik zie het nog zo voor me, het was op het erf van het bedrijf. G. antwoordde met "dat komt later wel". Ik heb toen gezegd "doe het dan in ieder geval vanaf vandaag".

Weer later sprak ik G. nog een keer en toen had hij een heel verhaal over dat hij weinig geld had en dat hij de auto ook privé gebruikte. Hij gaf les in de avonduren en moest daarvoor sportspullen vervoeren. Ook kreeg hij zelf les en daarvoor moest hij naar Almere of Lelystad en ook daarvoor gebruikte hij de Caddy. Toen heb ik nogmaals gezegd dat als hij de auto ook privé gebruikte of 's avonds, dat hij ook die kilometers moest bijhouden. Hoe hij daar op reageerde weet ik niet meer.

Er is geen maandelijkse bijtelling gedaan omdat de boekhouder er van uit ging dat G. de kilometers bij hield. Dat had ik ook zo aan de boekhouder doorgegeven. Op uw vraag hierover kan ik antwoorden dat ik in het tweede bedoelde gesprek met G. het boekje niet heb gezien en er van uit ben gegaan dat hij het boekje inderdaad bij hield.

Ik weet niet zeker meer of ik iets gezegd heb over de hoogte van de bijtelling. Ik gebruik zelf als vuistregel 10% van de nieuwwaarde, in dit geval zo'n € 1200,00, en ik kan me eigenlijk niet goed voorstellen dat ik het niet heb gezegd tegen G."

Getuige B. heeft - voor zover hier van belang- het volgende verklaard.

"Over de verdere afspraken over de Caddy kan ik zeggen dat mijn broer dat allemaal heeft geregeld met G. Omdat ik de post doe in het bedrijf, kreeg ik het mapje dat de boekhouder toestuurde in handen. Ik heb dat mapje aan G. overhandigd en ik heb er bij gezegd dat hij dat moest gebruiken voor de kilometerregistratie. Ik heb het verder niet over bijtelling gehad. G. heeft het boekje in zijn auto gelegd en uit de manier waarop hij dat deed maakte ik op dat hij het allemaal prima vond.

Ik heb niet gecontroleerd of G. daadwerkelijk de kilometers registreerde. Ik verkeerde in de veronderstelling dat hij het netjes bij hield."

2.3 Uit de in punt 2.2 aangehaalde verklaringen blijkt dat Strandheem G. heeft gewezen op de feit dat het niet bijhouden van een kilometeradministratie tot een bijtelling zou leiden en dat G. de bestelauto van Strandheem ook voor privédoeleinden gebruikte. In die zin is Strandheem in het bewijs geslaagd. Niet blijkt evenwel dat met G. over de hoogte van de bijtelling is gesproken. Strandheem kan daarover niet met zekerheid verklaren. Voorts blijkt dat Strandheem ervan op de hoogte was dat G. de kilometeradministratie niet bijhield. Niettemin is de boekhouder niet ingelicht dat een bijtelling diende plaats te vinden.

2.4 De kantonrechter verwijst naar hetgeen hij heeft overwogen in punt 4.6 van het tussenvonnis van 21 januari 2010. Bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, leiden tot de conclusie dat, waar de hoogte van de eventuele bijtelling voor G. onduidelijk was, G. onvoldoende de gevolgen van een en ander heeft kunnen overzien. Toen Strandheem bovendien merkte dat G. de kilometerregistratie niet bijhield, had Strandheem hetzij de bestelauto moeten terug nemen, hetzij aan de boekhouder door moeten geven dat een bijtelling diende plaats te vinden. Het onder deze omstandigheden laten oplopen van de vordering op G. en aan het einde van het dienstverband met terugwerkende kracht verrekenen acht de kantonrechter in strijd met goed werkgeverschap. Dat G. wellicht een belastingaanslag riskeert, doet hieraan niet af. Dat betekent dat de kantonrechter de loonvordering zal toewijzen.

2.5 Uitgaande van het overzicht van Strandheem, overgelegd als productie 1 bij conclusie van antwoord, heeft Strandheem € 819,66 netto te weinig aan salaris uitbetaald aan G. Dit bedrag zal de kantonrechter toewijzen, alsmede de wettelijke verhoging over dit bedrag nu de te late betaling aan Strandheem toegerekend kan worden. De kantonrechter ziet geen aanleiding deze wettelijke verhoging te matigen. Uit de eindafrekening blijkt dat het vakantiegeld daarin is meegenomen.

2.6 G. heeft zich, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer uitgelaten over de stelling van Strandheem dat hij nog zeven vakantiedagen tegoed heeft. Voor zover G. zich op het standpunt stelt dat hij nog 210 uur tegoed heeft, overweegt de kantonrechter dat G. deze stelling, gelet op het gemotiveerde verweer van Strandheem, onvoldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter zal dus van de juistheid van het standpunt van Strandheem uitgaan en het loon over zeven vakantiedagen toewijzen, alsmede de wettelijke verhoging, nu ook hier geldt dat de te late betaling aan Strandheem kan worden toegerekend. De kantonrechter ziet geen aanleiding deze wettelijke verhoging te matigen.

2.7 Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt de kantonrechter het volgende. Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke werkzaamheden meer moeten omvatten dan een enkele, eventueel herhaalde aanmaning. Daarvan is niet gebleken; bij dagvaarding zijn slechts drie standaard incassobrieven overgelegd. De door Strandheem bij conclusie van antwoord overgelegde faxbrief van de gemachtigde van G. van 19 maart 2008 maakt dit niet anders. Aldus dienen deze werkzaamheden te worden aangemerkt als zijnde ter voorbereiding van de processtukken en instructie van de zaak waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering zal de kantonrechter dan ook afwijzen.

2.8 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Strandheem worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Gelet op de toegewezen vordering stelt de kantonrechter het griffierecht op € 153,00, het salaris op € 150,00 per punt en de kantonrechter kent toe 31/2 punten.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Strandheem om aan G. te betalen tegen bewijs van kwijting:

- € 819,66 wegens nettoloon onder inhouding van de bruto wettelijk verplichte inhoudingen, alsmede de wettelijke verhoging over dit bedrag op de voet van artikel 7:625 BW, te vermeerderen de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de opeisbaarheid tot aan de dag van de algehele voldoening;

- de netto equivalent van het brutoloon over zeven niet uitbetaalde vakantiedagen, alsmede de wettelijke verhoging over dit bedrag op de voet van artikel 7:625 BW, te vermeerderen de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de opeisbaarheid tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Strandheem in de kosten van deze procedure die aan de zijde van G. tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 84,55 wegens kosten van de dagvaarding, € 153,00 wegens griffierecht, alsmede € 525,00 wegens het salaris van de gemachtigde van G.;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.J. Smits, kantonrechter, en op 11 november 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: G.J.J.