Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BO2533

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-06-2010
Datum publicatie
01-11-2010
Zaaknummer
423073 / 09-14954
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Small claim procedure: grensoverschrijdende vordering van minder dan € 2.000,00.

Sprake van overeenkomst op afstand; plicht om aan de wederpartij op duidelijke en begrijpelijke wijze gegevens te verstrekken waaruit de identiteit en het adres van de verkoper blijkt. Eindbeschikking, voor tussenbeschikking zie LJN BO2532.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaaknummer: 423073/09-14954

25 juni 2010

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 in de zaak van:

Q.,

wonende te [adres],

eisende partij, hierna te noemen Q.,

in persoon procederende,

tegen

Deutsche Bahn AG,

gevestigd te Berlin 10785, Lennéstraat 5, Duitsland,

verwerende partij, hierna te noemen Deutsche Bahn AG,

gemachtigde mr. R. de Haan, advocaat te Rotterdam.

1. Procedure

1.1 Bij tussenbeschikking van 8 maart 2010, waarvan de inhoud als hier overgenomen en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de kantonrechter Deutsche Bahn AG in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten. Bij akte van 3 mei 2010 heeft Deutsche Bahn AG van die gelegenheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft Q. hier op 28 mei 2010 op gereageerd. Hierna is de beschikking bepaald op heden.

2. Beoordeling

2.1 De vraag in deze zaak is of Deutsche Bahn AG als contractpartij van Q. kan worden aangemerkt bij de bestelling van een BahnCard 50 via het internet. Deutsche Bahn AG is bij tussenbeschikking van 8 maart 2010 in de gelegenheid gesteld om de kantonrechter te informeren over de wijze van het contracteren via het internet en de kenbaarheid bij de consument wie de contractspartij is.

2.2 De kantonrechter stelt ten eerste vast dat op deze casus de bepalingen van koop op afstand als bedoeld in artikel 7:46a BW van toepassing zijn. De kantonrechter overweegt hierbij dat onderhavige overeenkomst niet onder de uitsluiting van artikel 7:46i lid 3 BW valt. Dit artikel bepaalt dat de artikelen 7:46c-46e en 46 f lid 1 BW niet van toepassing zijn op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten die logies, vervoer, het restaurantbedrijf of vrijetijdsbesteding betreft, indien de dienstverlener zich er bij het sluiten van de overeenkomst toe verplicht, deze diensten te verrichten op een bepaalde datum of tijdens een bepaalde periode.

2.3 De wetgever heeft met deze bepaling tot doel gehad om de belangen van de leveranciers van diensten in bepaalde activiteitensectoren te beschermen zodat deze geen onevenredige nadelen ondervinden in verband met de kosteloze annulering of de annulering zonder opgaaf van redenen van gereserveerde diensten. Deze bedrijven moeten namelijk maatregelen treffen om op de bij de reservering vastgestelde datum de overeengekomen prestatie te leveren en ondervinden om deze reden in geval van annulering nadelen, met name wanneer een reeds gereserveerde dienst wordt geannuleerd korte tijd voor de overeengekomen uitvoeringsdatum.

2.4 De leverancier van de BahnCard 50 is naar het oordeel van de kantonrechter geen leverancier die de wetgever door middel van deze bepaling tegen dergelijke nadelen heeft willen beschermen. Deze leverancier reserveert zijn diensten immers niet voor een bepaalde datum en heeft geen maatregelen getroffen om op een bepaalde datum de overeengekomen prestatie te leveren. De BahnCard geeft namelijk een jaar lang korting op de aanschafprijs van vervoersbewijzen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat onderhavige overeenkomst geen overeenkomst is die onder de uitsluiting van artikel 7:46i lid 3 BW valt.

2.5 In artikel 7:46c BW wordt verwoord aan welke informatieverplichtingen een contractspartij voorafgaand aan de totstandkoming van een koopovereenkomst op afstand dient te voldoen. Onder a is onder meer bepaald dat aan de wederpartij op duidelijke en begrijpelijke wijze gegevens moeten worden verstrekt waaruit de identiteit en het adres van de verkoper blijkt.

2.6 Q. heeft de BahnCard besteld via de website www.bahn.de. Deutsche Bahn AG heeft aangevoerd dat via enkele handelingen op deze site men op de bestelpagina komt waar een BahnCard kan worden besteld. De kantonrechter stelt vast dat onder aan de hoofdpagina, de bestelpagina en de pagina waar de persoonlijke gegevens moeten worden ingevuld "(c) 2010 Deutsche Bahn AG" staat. Dit geeft er naar het oordeel van de kantonrechter blijk van dat de pagina toebehoort aan Deutsche Bahn AG. Onder de gegeven omstandigheden mocht Q. er in beginsel van uitgaan dat hij met Deutsche Bahn AG contracteerde, hij heeft immers een product besteld op een site van Deutsche Bahn AG.

2.7 Deutsche Bahn AG heeft echter aangevoerd dat Van der Velden er meerdere keren op gewezen is dat de BahnCard-overeenkomst met DB Fernverkehr AG werd afgesloten. Zo voert zij aan dat op de pagina waar de consument zijn gegevens moet invullen onder aan de pagina, onder "meer services" staat:

Ik ga ermee akkoord dat mijn persoonlijke gegevens door DB Fernverkehr AG door klantenbinding en klantenbegeleiding (...) verwerkt en gebruikt worden. De gegevens worden niet aan derden doorgegeven.

De kantonrechter is van oordeel dat hiermee niet is voldaan aan de verplichting om op duidelijke en begrijpelijke wijze de identiteit van de verkoper kenbaar te maken zoals artikel 7:46c BW voorschrijft. Een consument hoeft niet te verwachten dat onderaan de pagina in kleine lettertjes onder een kopje "meer services" pas de contractpartij wordt genoemd.

2.8 Daarnaast voert Deutsche Bahn AG aan dat op het voorblad van de algemene voorwaarden staat vermeld dat DB Fernverkehr AG uitgever is van de algemene voorwaarden. Voorts verwijst zij naar paragraaf 5.1 van de algemene voorwaarden. Ook hieruit is naar het oordeel van de kantonrechter niet direct af te leiden dat Q. met DB Fernverkehr AG contracteerde.

2.9 Tenslotte wijst Deutsche Bahn AG op de voorlopige BahnCard die de consument per e-mail ontvangt. Daarin staat vermeld dat de creditcard van de consument voor het bedrag van de BahnCard door Fernverkehr AG belast wordt. De kantonrechter acht dit ook te vaag om aan te nemen dat Fernverkehr AG de contractspartij is geworden. Temeer nu in dezelfde zin ook naar DG Regio AG verwezen wordt.

2.10 Overwogen wordt dat Deutsche Bahn AG er voor had kunnen kiezen om bij de bevestiging van de bestelling bij de e-mail van 9 juli 2009 duidelijk aan te geven dat Van der Velden met DB Fernverkehr AG had gecontracteerd. Bij het aangaan van een overeenkomst via internet mag dit ook van haar worden verlangd. Deutsche Bahn heeft daar niet voor gekozen. Onder de bevestigingsmail staat immers bij de afzender "uw team van www.bahn.de."

2.11 Ook tijdens de correspondentie over de annulering van de overeenkomst tussen partijen wordt niet duidelijk dat Van der Velden met DB Fernverkehr AG heeft gecontracteerd. Zoals reeds overwogen in de beschikking van 8 maart 2010 acht de kantonrechter het verwarrend dat de correspondentie afkomstig is van verschillende e-mailadressen en dat er verschillende rechtspersonen worden genoemd zoals DB Vertrieb GmbH en DB Fernverkehr AG.

2.12 Nu Deutsche Bahn AG er zelf voor heeft gekozen om op haar website een BahnCard aan te bieden, zijn onduidelijkheden bij het aangaan van deze overeenkomsten voor haar rekening en risico. Op grond van het voorgaande heeft Q. naar het oordeel van kantonrechter Deutsche Bahn AG dan ook terecht in rechte betrokken.

2.13 De kantonrechter is voorts van oordeel dat Q. op grond van artikel 7:46d BW binnen 7 werkdagen zonder opgave van redenen de op afstand gesloten koopovereenkomst mocht ontbinden. Vast staat dat hij dit per e-mail heeft gedaan. Hij heeft vervolgens op grond van lid 3 van dit artikel recht op kosteloze teruggave van hetgeen hij aan de verkoper heeft betaald. Van der Velden vordert ter zake € 450,00. Nu Deutsche Bahn AG de vordering voor het overige inhoudelijk niet heeft betwist zal de vordering Q. worden toegewezen.

2.14 Als de in het ongelijk gestelde partij zal Deutsche Bahn AG worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.15 Op verzoek van Q. zal de kantonrechter van deze beslissing het door de EG-verordening 861/2007 voorgeschreven bewijs van waarmerking afgeven.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Deutsche Bahn AG om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Q. te betalen een bedrag van € 450,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2009 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Deutsche Bahn AG tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van Q. tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 90,00 aan griffierecht;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. R.Tj. Terpstra en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2010.

TvdB