Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BO0421

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
18/670201-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omdat het slachtoffer toestemming heeft gegeven het door hem gedragen Sinterklaaspak in brand te steken acht de rechtbank de ten laste gelegde brandstichting niet strafbaar en ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Er volgt wel een veroordeling ter zake van een poging tot zware mishandeling, omdat verdachte, buiten weten van het slachtoffer om en bijgevolg zonder diens toestemming, een flinke hoeveelheid lampenolie over het Sinterklaaspak heeft gegoten alvorens het in brand te steken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670201-10 (promis)

datum uitspraak: 14 oktober 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. J. Boksem

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [woonplaats] [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

30 september 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 april 2010, althans in de maand april 2010, te

Giethoorn, in elk geval in de gemeente Steenwijkerland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

brand heeft gesticht, door daar toen opzettelijk een brandbare of

brandversnellende vloeistof uit te gieten of te sprenkelen over een persoon,

genaamd [slachtoffer], en/of over door die [slachtoffer] gedragen kleding,

en/of vervolgens met een aansteker die vloeistof en/of die kleding aan te

steken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die

kleding en/of die vloeistof, althans met (die) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die kleding en/of die [slachtoffer] geheel of gedeelte-

lijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer]

te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 april 2010, althans in de maand april 2010, te

Giethoorn, in elk geval in de gemeente Steenwijkerland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een

persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (namelijk 2e graads brandwonden),

heeft toegebracht, door daar toen opzettelijk tezamen en in vereniging met

verdachtes mededader(s), althans alleen, en al dan niet na kalm beraad en

rustig overleg, een brandbare en/of brandversnellende vloeistof uit te gieten

of te sprenkelen over die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer]

gedragen kleding, en/of vervolgens met een aansteker die vloeistof en/of die

kleding aan te steken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met die kleding en/of die vloeistof, althans met (die) brandbare

stof(fen),

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] gedeeltelijk is verbrand, althans

(ernstige) brandwonden heeft opgelopen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 april 2010, althans in de maand april 2010, te

Giethoorn, in elk geval in de gemeente Steenwijkerland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade,

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm

beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met verdachtes

mededader(s), althans alleen, een brandbare en/of brandversnellende vloeistof

over die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] gedragen kleding heeft

uitgegoten en/of gesprenkeld, en/of vervolgens met een aansteker die vloeistof

en/of die kleding aan heeft gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking heeft gebracht met die kleding en/of die vloeistof, althans met

(die) brandbare stof(fen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

? Het primair tenlastegelegde

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, waarbij niet kan worden bewezen dat verdachte het feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde - samengevat - aangevoerd dat, nu het bestanddeel ‘opzet’ in de delictsomschrijving voor het bestanddeel ‘brandstichten’ is geplaatst en in het bestanddeel ‘brandstichten’ de wederrechtelijkheid ligt besloten, het opzet deze impliciete wederrechtelijkheid bestrijkt. Omdat verdachte echter niet willens en wetens, heimelijk, zonder toestemming of met een verkeerde bedoeling het Sinterklaaspak in brand heeft gestoken, kan naar de mening van raadsman de impliciete wederrechtelijkheid (en daarmee het bestanddeel ‘brandstichten) noch het opzet daarop, worden bewezen en moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het primair tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

De verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende, zakelijk weergegeven,

Ik heb ongeveer een kwart liter lampenolie over het pak gegoten en het pak aangestoken. We hadden het plan om het pak aan te steken boven al bedacht.

Ik heb de lampenolie uit een kast gepakt. Die bevond zich in het halletje waar we toen stonden. Er stonden meerdere bussen, vanwege de fakkels die we eerder gemaakt hadden.

Een proces-verbaal d.d. 19 april 2010, opgenomen op de pagina’s 71 tot en met 74 van dossiernummer PL01KC 2010035709-1, d.d. 26 mei 2010, van Regiopolitie Groningen, inhoudende de verklaring van [slachtoffer],

Deze zondag was de 11e april. We zaten in een groot huis nabij Giethoorn. We waren met vier kandidaat-leden: ikzelf, [betrokkene 1], [verdachte] en [(voornaam) betrokkene 2] de rechtbank verstaat: [betrokkene 2]. We wilden met z’n vieren een stunt uithalen voor het dispuut. Ik had dus een Sinterklaaspak aan en ik zei toen iets van: “Steek het Sinterklaaspak maar aan en dan ren ik schreeuwend door de kamer heen en dan spring ik in het water”. Dit is gebeurd op zondagmorgen rond 5.00 uur. De anderen vonden het wel cool, of in ieder geval [betrokkene 2] vond het wel lachen. Hij heeft ook de weg vrijgemaakt. [verdachte] heeft mij uiteindelijk in de brand gestoken. Ik zag naderhand in de spiegel dat het flink rood was en dat er blaren op mijn rug zaten.

Een proces-verbaal d.d. 21 april 2010, opgenomen op de pagina’s 49 tot en met 53 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 1]

[slachtoffer] of [verdachte] kwam met het idee om het Sinterklaaspak aan te trekken en de mantel in brand te steken en dan door de woonkamer naar buiten te rennen en vervolgens het water in te springen. Omdat [betrokkene 2] constant in slaap viel moest hij in de woonkamer verschillende klusjes doen. Wij zijn toen met ons drieën naar de keuken gegaan. Wat ik me kan herinneren is dat [slachtoffer] het Sinterklaaspak aantrok. Ik zag dat [verdachte] een fles lampenolie in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] de mantel met een aansteker in brand stak.

Een proces-verbaal d.d. 21 april 2010, opgenomen op de pagina’s 49 tot en met 53 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [betrokkene 2]

Ik heb vervolgens de weg vrij gemaakt, glas op de grond opgeveegd en heb de deur opengezet.

De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen af dat verdachte samen met [slachtoffer], [betrokkene 2] en [betrokkene 1] het plan heeft opgevat om het Sinterklaaspak dat door [slachtoffer] werd gedragen in brand te steken. Vervolgens hebben genoemden het plan samen uitgevoerd. De rechtbank is dan ook, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat er sprake is geweest van medeplegen.

De raadsman heeft betoogd dat er in de term brandstichten, als gebruikt in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, impliciet wederrechtelijkheid ligt besloten (zogenoemde ingeblikte wederrechtelijkheid). De rechtbank onderschrijft deze stelling niet.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 april 2010 te Giethoorn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht, door daar toen opzettelijk een brandbare of brandversnellende vloeistof uit te gieten over [slachtoffer] gedragen kleding en vervolgens met een aansteker die vloeistof en/of die kleding aan te steken, ten gevolge waarvan die kleding en die [slachtoffer] gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] te duchten was.

De rechtbank acht hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

De rechtbank overweegt dat op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] toestemming heeft verleend aan verdachte en diens medeplegers om het Sinterklaaspak waarin hij gekleed was in brand te steken. Voorts is daardoor, zoals ten laste gelegd, voor die [slachtoffer] levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte en zijn medeplegers [slachtoffer] met diens voorafgaande toestemming in brand hebben gestoken, de bewezenverklaarde brandstichting niet strafbaar is (strafuitsluitingsgrond) en verdachte mitsdien met betrekking tot het hierboven bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

? Het subsidiair tenlastegelegde

Vrijspraak

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er bij [slachtoffer] sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

? Het meer subsidiair tenlastegelegde

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de ten laste gelegde vormen van mishandeling kan niet worden bewezen dat verdachte de intentie heeft gehad om [slachtoffer] iets aan te doen. Van het handelen met voorbedachte raad dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het meer subsidiair tenlastegelegde acht geslagen op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. De rechtbank acht op grond hiervan niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen wel af dat verdachte door lampenolie uit een kast te pakken en over de kleding van [slachtoffer] te gieten en dit aan te steken bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] tengevolge van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft daardoor voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en de rechtbank komt daarmee tot bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 april 2010 te Giethoorn, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, tezamen en in vereniging met verdachtes mededaders, een brandbare of brandversnellende vloeistof heeft uitgegoten over [slachtoffer] gedragen kleding en vervolgens met een aansteker die vloeistof en/of die kleding heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht hetgeen meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

De rechtbank overweegt dat in het geval van mishandeling van uitsluiting van strafbaarheid van het feit sprake kan zijn, indien de persoon die de mishandeling ondergaat voor de handelingen (en de mogelijke) gevolgen daarvan toestemming heeft gegeven. Het bestaan van deze toestemming mag echter, anders dan bij brandstichting, pas worden aangenomen als vaststaat dat betrokkene goed is geïnformeerd over de aard en ingrijpendheid van de handelingen en de gevolgen daarvan.

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft aangegeven, heeft [slachtoffer] toestemming aan verdachte en diens medeplegers gegeven om het Sinterklaaspak in brand te steken. [slachtoffer] heeft daarbij echter niet geweten, zo neemt de rechtbank aan op basis van de verklaring die [slachtoffer] op 29 september 2010 tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd, dat daarbij gebruik zou worden gemaakt van een behoorlijke hoeveelheid zeer brandbare lampenolie. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden gezegd dat [slachtoffer] goed was geïnformeerd over de aard, ingrijpendheid en gevolgen van deze handeling, zodat bijgevolg van het geven van toestemming voor de uitvoering van díe handeling geen sprake is geweest.

Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten, levert hetgeen meer subsidiair bewezen is verklaard, het volgende strafbare feit op:

- Poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot:

- een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - gelet op zijn standpunt ten aanzien van de bewijsvraag - gepleit voor algehele vrijspraak van het tenlastegelegde.

Voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de volgende verzachtende omstandigheden.

Er is geen sprake van een klassiek misdrijf in de zin van een ander iets aan willen doen. Er is eerder sprake van culpoos handelen dan van doleus handelen. De betrokken kandidaat-leden waren oververmoeid. Ze hadden nauwelijks slaap gehad en konden nauwelijks meer nadenken. Het overzien van de consequenties van hun handelen was teveel gevraagd. In die toestand bedachten ze een stunt om iedereen versteld te doen staan, teneinde snel als lid van het dispuut te worden geïnaugureerd. De verantwoordelijkheid voor de toestand waarin de vier verkeerden lag óók bij het dispuut. Dat had de jongens moeten beschermen. Verdachte is niet als enige verantwoordelijk voor wat er mis ging, maar hij wordt nu wel als enige vervolgd.

De raadsman pleit dan ook primair voor afdoening van de zaak zonder oplegging van een straf of maatregel. Subsidiair verzoekt de raadsman om oplegging van een geheel voorwaardelijke straf en meer subsidiair voor de oplegging van een geldboete, zodat iedereen binnen het dispuut die zich verantwoordelijk voelt voor het gebeuren daaraan een bijdrage kan leveren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages en het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede met de vordering van de officier van justitie.

Taakstraf

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft samen met anderen, onder wie het slachtoffer, in het kader van een ontgroeningsstunt het plan opgevat om de kleding van het slachtoffer (een Sinterklaaspak) in brand te steken. Verdachte heeft alvorens daartoe over te gaan het pak met lampenolie overgoten. Het slachtoffer heeft als gevolg daarvan ernstige brandwonden op zijn rug opgelopen, ter behandeling waarvan hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen en daar zo’n anderhalve week heeft moeten verblijven.

De rechtbank kan zich vinden in de door de raadsman geschetste situatie waarin zich een en ander heeft afgespeeld. Het is inderdaad wrang voor verdachte dat hij als enige terecht moet staan voor hetgeen zich in groepsverband heeft afgespeeld, terwijl betrokkenen door de ontgroeningsperiode die aan het bewuste weekend was voorafgegaan, zeer vermoeid en uitgeput waren en de leden van het dispuut de druk op betrokkenen - naar het oordeel van de rechtbank - hoog hadden opgevoerd.

De rechtbank is echter - anders dan de raadsman - van oordeel dat de rol die verdachte heeft gespeeld afwijkt van die van de overige kandidaat-leden, in die zin, dat verdachte ervoor heeft gekozen om [slachtoffer] eerst met lampenolie te overgieten alvorens hem in brand te steken. Er is daardoor een gevaarlijke situatie ontstaan, die met veel ernstiger gevolgen had kunnen aflopen dan nu het geval is geweest. Het gebruik van de lampenolie komt daarbij geheel voor rekening van de verdachte.

Een (straf)afdoening zoals door de raadsman is bepleit acht de rechtbank onverenigbaar met de ernst van het bewezenverklaarde feit.

Naast de verzachtende omstandigheden zoals die ook door de raadsman zijn aangevoerd, houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met zijn jonge leeftijd en met de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 26 mei 2010 niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld. Daarnaast heeft verdachte oprecht spijt betuigd en gaat de rechtbank er vanuit dat de strafoplegging in dit geval niet nodig is ter voorkoming van recidive.

De rechtbank is gelet hierop, alsmede op de omstandigheid dat de rechtbank verdachte zal veroordelen voor een minder zwaar feit dan waar de eis van de officier van justitie op is gebaseerd, van oordeel dat een lagere straf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven.

- Verklaart het primair bewezen verklaarde niet te kwalificeren en ontslaat verdachte terzake van alle rechtsvervolging.

- verklaart het subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer subsidiair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 50 (vijftig) uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht. De rechtbank waardeert de dagen die veroordeelde in verzekering heeft doorgebracht op twee uren werkstraf per dag.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. M.J.B. Holsink, voorzitter, H.J Bastin en S. Tempel, in tegenwoordigheid van W. Brandsma als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2010.