Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BO0132

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-10-2010
Datum publicatie
12-10-2010
Zaaknummer
18/670128-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3496, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2740, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord; eergerelateerd geweld, 18 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670128-10 (promis)

datum uitspraak: 11 oktober 2010

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. L.S. Wachters

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte], alias [tweede naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans preventief gedetineerd in [verblijfplaats verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

1 juli 2010 en 27 september 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (wiens werkelijke naam is [tweede naam verdachte], geboren op [tweede geboortedatum verdachte] te [tweede geboorteplaats/-land])

op of omstreeks 21 maart 2010 te Groningen, opzettelijk en met voorbedachten

rade, [slachtoffer], zich noemende [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen genoemde [slachtoffer], met een mes in haar gezicht, hoofd, borst en rug en/of elders in het lichaam gestoken en/of gesneden, althans getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

Hij baseert zijn standpunt op het rapport betreffende pathologie onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen NFI), de verklaringen van getuigen [getuige 8],

[getuige 9], [getuige 10], [getuige 11], [getuige 12] en [getuige 13], het NFI rapport omtrent het DNA profiel op het mes en de verklaringen van verdachte.

De officier van justitie baseert de voorbedachte raad onder meer op de verklaringen van de getuigen [getuige 7], [getuige 6], [getuige 14], [getuige 5], [zoon verdachte], [getuige 3], [getuige 15], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 16] en het rapport van het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld alle in onderlinge samenhang bezien.

Standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van moord nu geen sprake is geweest van een vooropgezet plan of een moment van kalm beraad.

Hierbij voert zij aan dat het mes niet afkomstig is uit de woning van verdachte, dat tijdens het steken geen moment van beraad is geweest, dat aannemelijk kan worden gemaakt dat verdachte heeft gesproken met zijn vrouw, dat het wel of niet sluiten van de balkondeur onduidelijk blijft, dat verdachte met meer mensen over zijn relatieproblematiek heeft gesproken, dat enkel [getuige 1] belastend verklaart met betrekking tot moord en dat de woorden uit het woordenboek Almanhal bij nadere bestudering van de pagina’s niet verdacht zijn.

De raadsvrouw acht doodslag bewezen. Zij voert hierbij aan dat verdachte de intentie had om met het slachtoffer te gaan praten, waarbij aannemelijk is (gezien de voorgeschiedenis en het kort daarvoor gevoerde gesprek tussen [getuige 4] en het slachtoffer) dat de definitieve breuk in dat gesprek is aangekondigd. Verder wijzen de snijwonden die op de handen van verdachte zijn aangetroffen, de korte tijdspanne waarin alles is geschied (alles bij elkaar nog geen 13 minuten), het feit dat er bemiddelingspogingen zijn ondernomen en dat verdachte achteraf een rouwproces ondergaat, alsmede de conclusies uit het rapport van het Pieter Baan Centrum (verder te noemen PBC) en het feit dat verdachte zijn gedrag niet kan verklaren en er sprake is van eergerelateerd geweld, op impulsief optreden.

Naar de mening van de raadsvrouw kan uit het bovengenoemde worden afgeleid dat verdachte heeft gehandeld vanuit een impuls en dus niet vanuit een situatie die als doordachtzaam kan worden bestempeld.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Met betrekking tot de tenlastegelegde identiteit van verdachte:

A)

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 september 2010, zakelijk weergegeven:

[zoon verdachte] is mijn zoon (opmerking rechtbank: voor de volledige naam van [zoon verdachte] verwijst de rechtbank naar pagina 1399 van het strafdossier).

B)

Een schriftelijk bescheid, te weten een fax van de [land] ambassade d.d. 26 maart 2010, opgenomen op pagina 131 van het dossier nummer 2010026148 d.d. 26 augustus 2010 (verder te noemen het dossier) inhoudende opgevraagde persoonsgegevens:

Naam: [verdachte]

Nationaliteit: [nationaliteit verdachte]

Geboortedatum/-plaats: [geboortedatum + geboorteplaats verdachte]

Vrouw: [slachtoffer]

C)

Een proces-verbaal van bevindingen (met vertaling), nummer 2010026148 d.d. 25 maart 2010, opgenomen op pagina 207 en 208 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

[verdachte] geeft toestemming voor zijn zoon [naam zoon verdachte] te reizen met zijn moeder [slachtoffer].

Met betrekking tot het overige tenlastegelegde:

D)

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 september 2010, zakelijk weergegeven:

Op 21 maart 2010 ben ik naar de woning van [slachtoffer] aan de [woonadres slachtoffer] gegaan. Voordat ik daar heen ging had ik van mijn zoon [naam zoon verdachte] gehoord dat [slachtoffer] niet met mij wilde praten. Ik heb op de deur geklopt. [slachtoffer] vroeg: “wat wil je, ik heb 5 minuten”. Ze schreeuwde en zei: “houd van jezelf, ik heb een andere man”. Zij pakte een mes uit de keuken en bedreigde mij, hierop ging ik weg.

Zij deed de deur dicht en ging door met schreeuwen. Ik heb op de deur geklopt, het glas kapot geslagen en heb de deur geopend. Ik ben naar binnen gegaan. Zij stond op het balkon. Ze zei: “ik houd niet van jou, ik houd van een ander”. Ik heb het mes gepakt en begon te steken.

Daarna ben ik weggerend en heb het geld en de bankpassen gepakt. Die heb ik vervolgens bij [getuige 7] gebracht.

E)

Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI rapport d.d. 20 september 2010, inhoudende Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, inhoudende:

In totaal 25 scherprandige huidperforaties aan het hoofd, borst, rug, hals en armen. Bij sectie werden letsels welke bij leven waren ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld gezien. De letsels gingen gepaard met onder andere samengevallen longen en algeheel bloedverlies. Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door de hierdoor opgetreden weefselschade door bloedverlies en functieverlies van de longen.

F)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 1], nummer 2010026148-47 d.d. 24 maart 2010, opgenomen op pagina 822 tot en met 829 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Ik ben voorzitter van de moskee [adres te Groningen]. Ik heb de afgelopen week gesprekken gevoerd met een man die ik ken als [verdachte]. De afgelopen twee maanden heeft [verdachte] aangegeven dat hij het moeilijk had met zijn vrouw. [verdachte] vertelde mij dat hij gek was geworden en dat zijn vrouw en kinderen niet naar hem luisterden.

[verdachte] vertelde dat hij zijn vrouw en kinderen wel had geslagen en uitgescholden. Ook vernederde hij zijn vrouw en kinderen. [verdachte] vertelde dat hij dit verkeerd deed en daarbij gedachten kreeg.

De laatste weken werden de gesprekken steeds heftiger. Ik sprak [verdachte] vrijdag een week voor de moord, hij huilde. [verdachte] vertelde over verschillende moorden die vaders hadden gepleegd in de afgelopen weken. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei dat hij zijn vrouw ging vermoorden.

G)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 2] (imam van een moskee te Groningen), nummer 2010026148-53 d.d. 24 maart 2010, opgenomen op pagina 830 tot en met 835 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

De zaterdag een dag voor de misdaad kwam hij naar de moskee. De man zei tegen mij dat ik moest luisteren en zei: “ik zal nooit van haar scheiden zelfs als de hemel op aarde ligt”. Ik heb gezegd dat hij haar moest behandelen met respect en eer. Ik zei vervolgens dat als hij tegen een gesloten deur komt en hij niet verder dat scheiden wijsheid is. Maar wat hij mij afgelopen zaterdag heeft verteld. “Van haar ga ik nimmer nooit scheiden”.

H)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 3], nummer 2010026148-50 d.d. 24 maart 2010, opgenomen op pagina 849 tot en met 855 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Vanaf 26 december 2009 woon ik aan de [woonadres getuige 3]. U vraagt mij waar [verdachte] vandaan komt. Hij zei dat hij uit [land] kwam. Hij wilde de laatste tijd teruggaan en sprak steeds weer over [land].

Hij vertelde voortdurend dat zijn vrouw hem niet wilde.

I)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 3], nummer 2010026148-51 d.d. 24 maart 2010, opgenomen op pagina 856 tot en met 858 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Hij heeft mij een verhaal verteld over een man, ook uit zijn land. Dat zijn vrouw bij hem was weggegaan. De man heeft de twee kinderen doodgeschoten en ook zichzelf. Die vrouw was weggelopen.

J)

Een proces-verbaal van bevindingen omtrent telefoongegevens, nummer 2010026148 d.d. 31 mei 2010, opgenomen op pagina 562 tot en met 567 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Slachtoffer [naam slachtoffer] (nummer 06-44690146) belt op 21 maart 2010 te 10.17.22 uur met nummer 06-30262889 ([getuige 4]) voor de duur van 2120 seconden (35,43 minuten).

K)

Een proces-verbaal van bevindingen melding meldkamer Regiopolitie Groningen, nummer 2010026148 d.d. 7 april 2010, opgenomen op pagina 274 en 275 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

De eerste melding kwam op 21 maart 2010 om 11.05 uur binnen bij de meldkamer.

L)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 4], nummer 2010026148-41 d.d. 23 maart 2010, opgenomen op pagina 863 tot en met 869 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Ik ben directeur van de [overheidsinstelling]. [slachtoffer] werkt hier sinds de zomer van 2008. Afgelopen zaterdagmiddag 20 maart 2010 had ons bedrijf een open dag. [slachtoffer] was daar toen ook, samen met haar vriendinnen [getuige 7] en [getuige 6]. [getuige 6] is die [nationaliteit] vrouw, die ook in de [woonadres slachtoffer] woont. Zij vertelde, dat haar ex-man, u noemt hem [verdachte], weer veel aan haar deur was geweest. De laatste maanden vertelde [slachtoffer] dat [verdachte] haar soms stond op te wachten, buiten het pand. Ik ben ook, ik denk begin januari 2010, nog met [slachtoffer] op de fiets naar het politiebureau aan de Rademarkt geweest.

M)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 4], nummer 2010026148-95 d.d. 7 mei 2010, opgenomen op pagina 870 tot en met 878 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

In december begon ze te vertellen wat hij allemaal deed. Dat hij haar stalkte, dat hij de kinderen onder druk zette, dat hij weer met een bos bloemen voor de deur stond en zo meer.

N)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 4], nummer 2010026148-108 d.d. 26 mei 2010, opgenomen op pagina 879 tot en met 898 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Aan het einde van het telefoontje, en daar ben ik absoluut zeker van, ik weet ook niet of ik het tegen [betrokkene 1] heb gezegd, maar aan het einde van het telefoontje, toen we tegen elkaar zeiden van tot morgen, toen hoorde ik een knal, ik hoorde iets breken, ik hoorde iets kapot gaan en hoorde haar roepen. Weet ik heel zeker. Toen heb ik nog gevraagd van nou, is alles goed of zo en toen, klik, was die telefoon weg.

Ze heeft van mij een vrolijk telefoontje gehad, er gebeurt iets aan het eind van het telefoontje.

O)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 5], nummer 2010026148-44 d.d. 26 mei 2010, opgenomen op pagina 923 tot en met 931 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Ik ben werkzaam bij de [overheidsinstelling]. In 2008 kwam [slachtoffer] via [uitzendbureau] bij de [overheidsinstelling] werken. Wij werden bijzonder vertrouwelijk met elkaar. Wij hebben elkaar ook veel privézaken verteld.

[slachtoffer] had een probleem en dat was haar ex-man. [slachtoffer] vertelde dat haar ex-man haar continu volgde. Zij was altijd in spanning. [slachtoffer] had geen vrij moment wat dat betrof, dit was eigenlijk normaal. [slachtoffer] vertelde dat haar ex-man had gezegd dat hij geen toekomst in Nederland zag voor de kinderen. Hij wilde met hen naar [land] verhuizen. [slachtoffer] wilde dit niet. Zij wilde hier blijven.

P)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 6], nummer 2010026148-25 d.d. 22 maart 2010, opgenomen op pagina 696 tot en met 703 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Op een gegeven moment, dit is misschien drie of vier jaar geleden, vertelde [slachtoffer] ineens, dat zij wilde scheiden van [verdachte]. Uiteindelijk zijn [slachtoffer] en [verdachte] gescheiden. [verdachte] wilde niet scheiden, maar [slachtoffer] heeft doorgezet. Eigenlijk veranderde [slachtoffer]. Zij werd meer open, werd vrolijker, wilde iedereen blij maken. Zij ging zich beter kleden, gebruikte meer make-up en werd een echte vrouw.

Zij is twee keer bij de politie geweest. Zij is een keer alleen geweest en een keer met mij. Dat was ’s avonds, na haar werk.

Zij durfde niet meer verder te gaan, dit was ongeveer in februari. Op 15 of 16 februari weet ik nog dat [slachtoffer] mij belde. Zij was bang, omdat [verdachte] ineens voor de deur stond.

Uiteindelijk heb ik [slachtoffer] gezocht. Ik vond haar bij de brug op de [straatnaam]. Wij hebben ons toen gemeld bij de politie aan de Rademarkt. De politie is meegegaan en heeft er voor gezorgd dat hij wegbleef. [verdachte] was nog bij ons, ik heb hem gebeld en gezegd dat ik [slachtoffer] had gevonden. [verdachte] is toen naar de woning van [slachtoffer] gelopen en zag politie staan. De politieagenten hebben hem toen weggestuurd.

Zij heeft nog contact gehad met een advocaat [naam advocaat] (opmerking rechtbank: uit pagina 357 blijkt dat slachtoffer inderdaad op 2 maart 2010 bij een advocaat is geweest). [slachtoffer] wilde de namen van de kinderen veranderen, zodat [verdachte] de kinderen niet kon meenemen naar Egypte. De advocaat wilde, omdat [slachtoffer] vertelde dat hij haar lastig viel, een straatverbod laten opleggen.

Q)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 6], nummer 2010026148-79 d.d. 8 april 2010, opgenomen op pagina 704 tot en met 709 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Nadat de politie [verdachte] uit de woning van [slachtoffer] had weggehaald is er gesproken over een verzoeningspoging waar ik bij ben geweest. [verdachte] is op 12 januari uit het huis van [slachtoffer] gehaald.

Wij hebben in de woning een gesprek gehad. [verdachte] zei dat hij [slachtoffer] niet wilde laten gaan. [verdachte] zei dat hij kapot was. Als je gaat scheiden ben je geen man meer.

R)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 7], nummer 2010026148-13 d.d. 21 maart 2010, opgenomen op pagina 715 tot en met 717 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Plotseling hoorde ik hele harde schreeuwen van buiten komen. Ik keek naar rechts en zag dat mijn vriendin [slachtoffer] die een portiek verderop woont ruzie aan het maken was met haar ex-man. Ze stonden samen op het balkon.

S)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 7], nummer 2010026148-30 d.d. 22 maart 2010, opgenomen op pagina 718 tot en met 727 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

[verdachte] wilde dat ik bemiddelde tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Hij zag het feit dat de politie was gebeld als een afgang. [slachtoffer] gaf aan [verdachte] aan dat zij de politie als haar familie zag. Zij zei, dat ieder ander nog een broer, zus of andere familie in Nederland had, maar zij niet. Dus gaf zij aan [verdachte] aan dat de politie haar familie was. Daar was hij heel boos over. Zij heeft zijn eer aangetast. Hij vond het oneervol gedrag van haar. Dit was een aanslag op zijn trots. [verdachte] wilde mij in vertrouwen nemen. Het was een eerkwestie. Hij wilde ook weten wat de verhouding tussen [slachtoffer] en haar collega’s was. Hij was argwanend of zij de problemen thuis op haar werk zou bespreken met collega’s.

[verdachte] wilde dat [slachtoffer] met de kinderen naar [land] zou gaan, samen met [verdachte] om daar te gaan wonen.

T)

Een proces-verbaal verklaring van [getuige 7], nummer 2010026148-80 d.d. 8 april 2010, opgenomen op pagina 728 tot en met 741 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Op zondag 21 maart 2010 rond 11.15 uur kwam [verdachte] ineens bij mij in de woning.

[verdachte] heeft mij een envelop en twee bankpasjes gegeven. Hij heeft tegen mij gezegd: “bel de politie, ik heb haar vermoord”. Ik kreeg toen de envelop met twee pasjes. En later gaf hij mij mondeling twee pincodes van de bankpasjes.

U)

Een proces-verbaal van relaas, nummer 2010003682-3 d.d. 6 april 2010, opgenomen op pagina 347 tot en met 351 van het onder B genoemde dossier, inhoudende:

Op 12 januari 2010 kregen wij een melding van de centralist van de meldkamer Groningen. Betrokkene [slachtoffer] verklaarde 11 januari 2010 van haar werk thuis te zijn gekomen en dat [verdachte] in haar woning was zonder toestemming.

[slachtoffer] verklaarde dat zij bang was voor [verdachte] en dat hij haar vaak over straat volgt. Echter heeft [verdachte] [slachtoffer] eenmaal geslagen. Nu is het echter dat [verdachte] mondeling agressief is.

Wij verbalisanten, hadden het idee dat [slachtoffer] ten einde raad was en niet wist om te gaan met de situatie.

Op 12 januari 2010 kwamen wij op de [woonadres slachtoffer] te Groningen. Hierop zijn wij, verbalisanten, met betrokkene [slachtoffer] de portiek binnengelopen. [slachtoffer] heeft hierop de voordeur van haar woning geopend en [verdachte] bij zich geroepen. Hierop zagen wij [verdachte] op blote voeten naar de voordeur kwam. Wij zagen op dat moment drie kinderen bij de voordeur. Betrokkene [slachtoffer] heeft hierop mondeling te kennen gegeven dat hij haar woning moest verlaten. Hierop zagen en hoorden wij, verbalisanten, dat [verdachte] het hier niet mee eens was. Wij verbalisanten, hoorden dat [verdachte] mondeling tegenstribbelde.

Wij, verbalisanten, hoorden dat [verdachte] iets in het Arabisch tegen [slachtoffer] sprak. Wij, verbalisanten, hoorden dat [slachtoffer] hierop zei: “kijk nu bedreigt hij mij weer”.

Wij, verbalisanten, hebben tegen [verdachte] gezegd dat hij niet meer in de woning van betrokkene [slachtoffer] mag komen, mits hij toestemming van betrokkene [slachtoffer] heeft.

[slachtoffer] verklaarde dat zij bang was dat [verdachte] de paspoorten van de kinderen had meegenomen.

Bewijsmotivering

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen overweegt de rechtbank ten aanzien van het tenlastegelegde het navolgende.

Uit de getuigenverklaringen van onder meer [getuige 6] en [getuige 5] blijkt dat het slachtoffer zich sinds een aantal jaren maatschappelijk had ontwikkeld en dat zij zich steeds meer los wilde maken van de positie waarin zij zich voorheen binnen de relatie met verdachte bevond.

Voorts blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de diverse getuigenverklaringen dat verdachte al langere tijd rondliep met kwade gedachten over zijn (ex-)partner [slachtoffer] (verder te noemen het slachtoffer). Verdachte toonde hierin gaandeweg steeds obsessiever gedrag en drong zich herhaaldelijk op in het privéleven en de nabije omgeving van het slachtoffer.

Verdachte kon het klaarblijkelijk niet verkroppen dat zijn vrouw bij hem weg wilde gaan. Deze preoccupatie werd steeds extremer en hield verdachte in zijn greep. Verdachte heeft hierbij naar anderen toe in onomwonden termen zijn gedachten, over het slachtoffer en haar voorgenomen besluit om bij hem weg te gaan, geuit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte kunnen noch willen berusten in de relatiebreuk en voelde hij zich in toenemende mate in zijn eer gekrenkt.

Uit de verschillende getuigenverklaringen (van collega’s en vriendinnen van het slachtoffer) komt ook het beeld naar voren dat het slachtoffer in toenemende mate angst had met betrekking tot haar kinderen en dat zij zich geen raad wist met het gedrag van haar ex-partner, waarbij zelfs een bemiddelingspoging heeft plaatsgevonden.

Op 21 maart 2010 heeft verdachte zich wederom naar de woning van het slachtoffer begeven, naar eigen zeggen om te praten. Dit terwijl hij kort daarvoor van zijn zoon had gehoord dat het slachtoffer dat niet wilde. Volgens verdachte bestond de reactie van het slachtoffer uit schreeuwen. Naar het oordeel van de rechtbank was het slachtoffer, gelet op de verklaring van [getuige 4], in ieder geval nog kort voor deze confrontatie rustig. Zij had immers tot het moment dat verdachte aan de deur kwam nog ruim een half uur met deze collega een ‘normaal’ telefoongesprek gevoerd.

Volgens verdachte kreeg hij een aantal minuten spreektijd van het slachtoffer, waarbij gedurende de conversatie het slachtoffer bleef schreeuwen en uiteindelijk een mes ter hand heeft genomen. Hierop heeft verdachte de woning verlaten en is de voordeur gesloten. Vanwege het aanhoudend schreeuwen van het slachtoffer heeft verdachte naar eigen zeggen het glas van de voordeur gebroken en de voordeur geopend en heeft hij de woning weer betreden, waarna hij op het slachtoffer is afgestapt dat zich op dat moment op het balkon bevond. Bij deze confrontatie heeft hij het mes van het slachtoffer afgenomen en haar vervolgens (volgens het NFI-rapport) 25 keer met het mes gestoken aan welke steekverwondingen het slachtoffer korte tijd later is overleden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte heeft gehandeld als gevolg van een tevoren door hem genomen besluit en dat hij tussen dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken. Verdachte liep immers al geruime tijd met kwade gedachten rond, hij wist dat het slachtoffer geen contact met hem wilde en hij ging toch de confrontatie met haar aan. Verder heeft hij, nadat de eerste confrontatie naar zijn eigen zeggen was beëindigd en hij de woning van het slachtoffer had verlaten, die woning opnieuw betreden. Hij heeft daarbij de deur geforceerd en is een tweede confrontatie aangegaan terwijl hij zelf stelt dat het slachtoffer een mes in haar handen had. Bovendien had het slachtoffer hem bij de eerste confrontatie nogmaals onomwonden duidelijk gemaakt dat de relatie voorbij was. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte dit niet kon en wilde accepteren en dat dit juist de bron van zijn kwade gedachten was. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer om het leven gebracht door haar zeer vaak te steken. De manier waarop verdachte te werk is gegaan heeft onvermijdelijk de nodige tijd gekost en ook gedurende het steken heeft verdachte tijd gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen na te denken.

De rechtbank wordt in haar oordeel nog gesterkt doordat verdachte ook nadat hij het slachtoffer veel messteken had toegebracht kennelijk goed beredeneerd is gaan handelen door geld en bankpassen op te zoeken en deze ten behoeve van zijn kinderen aan een vriendin van het slachtoffer te geven.

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat moord bewezen is.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij (wiens werkelijke naam is [tweede naam verdachte], geboren op [tweede geboortedatum verdachte] te [tweede geboorteplaats/-land])

op 21 maart 2010 te Groningen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer], zich noemende [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen genoemde [slachtoffer], met een mes in haar

gezicht, hoofd, borst en rug en elders in het lichaam gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de onderzoeksrapportage d.d. 9 september 2010, opgemaakt door J.H. Renesse, psychiater en A.T. Spangenberg, klinisch psycholoog beiden verbonden aan het PBC.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat door verdachtes weigering om informatie over zijn voorgeschiedenis te verschaffen het milieuonderzoek zeer beperkt is gebleven.

Op basis van de beschikbare informatie kunnen geen narcistische, antisociale of afhankelijke persoonlijkheidskenmerken bij verdachte worden vastgesteld. Er kan derhalve op basis van de huidige onderzoeksbevindingen niet gesteld worden dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, evenmin van een depressie in engere zin en evenmin zijn er aanwijzingen voor een gestoorde agressieregulatie of voor een impulscontrolestoornis.

Het beperkt verstandelijke vermogen, alsmede de bijzondere culturele achtergrond nopen tot terughoudendheid in het vaststellen van een eventuele persoonlijkheidsstoornis.

Verdachte heeft een uit het land van herkomst meegenomen bezetenheididioom (cultuurgebonden stressidioom) dat een externe attributie biedt als verklaring van voor verdachte verwerpelijk of onverklaarbaar gedrag.

Er is geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens vastgesteld evenmin is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er zijn op basis van de beschikbare collaterale informatie geen duidelijke aanwijzingen die duiden op een duurzaam patroon van disfunctioneren en daarmee op de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis. Bij verdachte zijn in het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat, rekening houdend met zijn culturele achtergrond, er bij hem sprake is van extra gevoeligheid voor krenkingen op grond van narcistische aspecten in zijn persoonlijkheid.

Verdachte is toerekeningsvatbaar voor het tenlastegelegde.

Ter zitting heeft deskundige A.T. Spangenberg in haar toelichting op het PBC-rapport naar voren gebracht dat het onderzoek vrij veel beperkingen heeft gekend vanwege het onduidelijke beeld in de ontwikkelingsgeschiedenis van verdachte. Er heeft geen intelligentie bepaling plaats kunnen vinden, wel hebben de deskundigen de vaardigheden kunnen meten.

Op basis van de (beperkt) beschikbare informatie over verdachte is niet gebleken van een psychiatrische stoornis of een psychose. Er is wel sprake van anti-sociale trekken, alsmede gebreken in de impulscontrole, maar niet in de zin van een stoornis.

De rechtbank kan zich met deze conclusies, alsmede met de ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige verenigen en is van oordeel dat het bewezenverklaarde aan verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest.

Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de grove wijze waarop inbreuk is gemaakt op een fundamenteel recht, het leed aan de nabestaanden en directe omgeving en de volledige toerekenbaarheid.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een veroordeling voor doodslag een gevangenisstraf voor de duur van 8 tot 9 jaren in de rede ligt. Zij heeft hiertoe verwezen naar verschillende vonnissen en arresten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de onderzoeken ter terechtzitting, de onderzoeksrapportage van het PBC, de justitiële documentatie van verdachte, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn (ex-)vrouw. Hij heeft kennelijk niet kunnen verkroppen dat zij bij hem weg wilde gaan en hij heeft haar vervolgens op een gruwelijke en zeer gewelddadige manier van het leven beroofd.

Verdachte heeft het slachtoffer op verschrikkelijke wijze het hoogst denkbare goed, het leven, ontnomen. Verdachte heeft bovendien vier jonge kinderen, ook zijn eigen kinderen, hun moeder ontnomen. Eén van hen heeft de vreselijke moord voor haar ogen zien gebeuren. De kinderen zullen hun leven verder moeten met deze traumatiserende gebeurtenis en dat ook nog in de wetenschap dat hun vader hiervoor verantwoordelijk is.

Van de moord zijn ook verschillende buurtbewoners getuige geweest. Ook zij zijn zeer geschokt en meer in het algemeen overweegt de rechtbank dat een moord als deze een ernstige schok in de samenleving teweeg brengt.

De rechtbank rekent verdachte de moord nog extra zwaar aan, omdat deze heeft plaatsgevonden als reactie op het streven van het slachtoffer naar persoonlijke vrijheid. Uit het strafdossier is de rechtbank gebleken hoe moeilijk het voor het slachtoffer was om gebruik te maken van het voor iedereen geldende grondrecht om in vrijheid de persoonlijke levenssfeer in te richten. Dat het slachtoffer haar streven naar persoonlijke vrijheid met de dood heeft moeten bekopen omdat verdachte zich, mede als gevolg van zijn culturele achtergrond, geen raad wist, is naar het oordeel van de rechtbank volkomen onacceptabel en de rechtbank zal dit gegeven als strafverzwarend meewegen.

Gelet op het voorgaande, en gegeven het feit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht, acht de rechtbank een zeer langdurige gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen het navolgende gevorderd:

- 7 x bankbiljetten van € 500,-- in een enveloppe terug aan verdachte;

- telefoon Samsung terug aan verdachte;

- papier met 06-nummers terug aan verdachte;

- document afspraak [ziekenhuis] [verdachte] terug aan verdachte;

- telefoon Samsung (kleur: zwart) inclusief datalink kabel terug aan rechthebbende;

- [naam bank] bankbescheiden ten name van [slachtoffer] 52.18.49.500 terug aan rechthebbende;

- Visa bankpas ten name van [slachtoffer] terug aan rechthebbende;

- bankpas ten name van [slachtoffer] terug aan rechthebbende;

- identiteitskaart BZ3634369 terug aan rechthebbende;

- Panasonic Dmc-F27 terug aan rechthebbende;

- boek (agenda) terug aan rechthebbende;

- reisdocument travel itierary ten name van mr. [persoon (1)] en mr. [persoon (2)] terug aan rechthebbende;

- reisdocument elektronisch vliegticket 2 juli 2009 terug aan rechthebbende;

- cd-rom tekst Arabisch terug aan rechthebbende;

- pc Packard Bell Imedia 5504 terug aan rechthebbende;

- opgerolde kranten met tape verbeurd verklaren;

- papier met opschrift “ik hou van jou” verbeurd verklaren;

- papier dubbelzijdig beschreven in het Arabisch verbeurd verklaren;

- 5 stuks papier Arabisch met officiële stempel verbeurd verklaren;

- schrift met handgeschreven teksten in Nederlands verbeurd verklaren;

- geschreven papier mogelijk in het Arabisch verbeurd verklaren;

- brief in het Arabisch geschreven verbeurd verklaren;

- ringband met beschreven vellen verbeurd verklaren;

- papier met Arabisch en Nederlands geschrift verbeurd verklaren.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het inbeslaggenomen geld terug dient te worden gegeven aan verdachte. Wat betreft de overige inbeslaggenomen goederen refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de inbeslaggenomen voorwerpen conform de vordering van de officier van justitie worden teruggegeven aan verdachte of de rechthebbende, dan wel verbeurd worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN (18) jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- opgerolde kranten met tape verbeurd verklaren;

- papier met opschrift “ik hou van jou” verbeurd verklaren;

- papier dubbelzijdig beschreven in het Arabisch verbeurd verklaren;

- 5 stuks papier Arabisch met officiële stempel verbeurd verklaren;

- schrift met handgeschreven teksten in Nederlands verbeurd verklaren;

- geschreven papier mogelijk in het Arabisch verbeurd verklaren;

- brief in het Arabisch geschreven verbeurd verklaren;

- ringband met beschreven vellen verbeurd verklaren;

- papier met Arabisch en Nederlands geschrift verbeurd verklaren.

Gelast de teruggave van:

- 7 x bankbiljetten van € 500,-- in een enveloppe aan verdachte;

- telefoon Samsung aan verdachte;

- papier met 06-nummers aan verdachte;

- document afspraak [ziekenhuis] [verdachte] aan verdachte;

- telefoon Samsung (kleur: zwart) inclusief datalink kabel terug aan rechthebbende;

- [naam bank] bankbescheiden ten name van [slachtoffer] 52.18.49.500 terug aan rechthebbende;

- Visa bankpas ten name van [slachtoffer] terug aan rechthebbende;

- bankpas ten name van [slachtoffer] terug aan rechthebbende;

- identiteitskaart BZ3634369 terug aan rechthebbende;

- Panasonic Dmc-F27 terug aan rechthebbende;

- boek (agenda) terug aan rechthebbende;

- reisdocument travel itierary ten name van mr. [persoon (1)] en mr. [persoon (2)] terug aan rechthebbende;

- reisdocument elektronisch vliegticket 2 juli 2009 terug aan rechthebbende;

- cd-rom tekst Arabisch terug aan rechthebbende;

- pc Packard Bell Imedia 5504 terug aan rechthebbende.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, F. Sijens en

L.W. Janssen, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Mulder als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2010.