Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN8154

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
120254/JE RK 10-655
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing ondertoezichtstelling en intrekking machtiging uithuisplaatsing, omdat er voldoende waarborgen zijn dat de hulpverlening in het vrijwillig kader kans van slagen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 120254 / JE RK 10-655

(verzoek opheffen ondertoezichtstelling, intrekken machtiging uithuisplaatsing, wijziging

gezinsvoogdijinstelling)

beschikking kinderrechter d.d. 30 augustus 2010

inzake het kind A. van de ouders B. en C.

De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

PROCESGANG

Op 3 augustus 2010 heeft de heer D. namens de ouders een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, gedateerd 30 augustus 2010, daartoe strekkende dat de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige wordt opgeheven en de machtiging tot uithuisplaatsing wordt ingetrokken. Voorts is een verzoek gedaan tot wijziging van de gezinsvoogdijinstelling.

Op 13 augustus 2010 heeft het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (LJ&R), namens het bureau jeugdzorg, een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waarin wordt verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen in een voorziening voor pleegzorg, voor de duur van de ondertoezichtstelling, gedateerd 12 augustus 2010 (zaaknummer 120456 / JE RK 10-679).

Op 23 augustus 2010 is ter griffie een indicatiebesluit betreffende [A.] door het LJ&R overgelegd.

Op 30 augustus 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: B., bijgestaan door D., de gemachtigde van de ouders, de heer K. van den Berg, namens het LJ&R, en mevrouw A.M. Crouwel, de bijzondere curator van [A.].

OVERWEGINGEN

Bij beschikking van 28 oktober 2009 is de ondertoezichtstelling van [A.] voor de duur van één jaar uitgesproken en bij beschikking van 13 juli 2010 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 15 september 2010. Laatstgenoemde beschikking is gewijzigd bij beschikking van de kinderrechter eveneens gedateerd op 30 augustus 2010 (in de zaken met nummers 119182 / JE RK 10-496, 119267 / JE RK 10-507 en 120456 / JE RK 10-679) in die zin dat de machtiging is verlengd tot de datum van de zitting van 30 augustus 2010 en derhalve voor de resterende duur is ingetrokken.

Standpunt (namens) ouders

De ouders hebben verzocht om opheffing van de ondertoezichtstelling, intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing, alsmede wijziging van de gezinsvoogdijinstelling. Als voornaamste reden hebben zij daartoe gesteld dat de artikelen 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit Wjz bepalen dat indien er, zoals bij [A.] het geval is, een psychische stoornis is vastgesteld de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing alsdan achterwege dienen te blijven. Deze maatregelen zijn in dat geval niet langer passend, omdat de problematiek die voortvloeit uit en samenhangt met de psychische stoornis in het kader van de AWBZ opgelost dient te worden. [A.] is vrijwillig opgenomen in “de Ruyterstee” te Smilde, een psychiatrisch ziekenhuis. De ouders hebben na overleg met de kinder- en jeugdpsychiater aldaar, ermee ingestemd dat [A.] voor een beperkte duur werd opgenomen en na de opname weer teruggaat naar het pleeggezin. Vanuit het pleeggezin zal [A.] ambulant behandeld worden waarbij het einddoel - indien [A.] dit aangeeft - contactherstel is met de ouders en een terugplaatsing bij hen waarbij tevens de ambulante begeleiding wordt gecontinueerd. De ouders zullen in het kader van de AWBZ bjz verzoeken een casemanager aan te stellen om de hulpverlening te coördineren.

Voorts hebben de ouders aangevoerd dat door de aanstelling van mr. A.M. Crouwel als bijzondere curator van [A.] zijn belangen voldoende worden behartigd en gewaarborgd.

Op grond van het voorgaande zijn zij dan ook van mening dat niet langer wordt voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling en dat de hulpverlening in het vrijwillig kader kan en moet plaatsvinden.

Standpunt LJ&R

Het LJ&R acht een continuering van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing evenwel noodzakelijk voor de verdere behandeling van [A.] en handhaaft om die reden zijn verzoek.

Standpunt bijzondere curator

De bijzondere curator mr. A.M. Crouwel heeft de kinderrechter desgevraagd verklaard dat een verlenging van de ondertoezichtstelling in haar ogen geen positieve bijdrage zal leveren aan de huidige situatie en het ingeslagen traject zoals dat door de kinder- en jeugdpsychiater is geadviseerd, omdat de communicatie tussen de ouders en het LJ&R ernstig verstoord is en er nauwelijks nog met elkaar wordt gesproken. [A.] heeft daarnaast aangegeven geen contact te hebben met de gezinsvoogd. Mr. Crouwel heeft daarom aangeraden om de ondertoezichtstelling niet te continueren. Het opheffen van de maatregel zal de druk van de ketel halen en voor rust zorgen.

Voorts heeft mr. Crouwel ter zitting naar voren gebracht dat [A.] op 29 augustus 2010 vanuit “de Ruyterstee” is teruggegaan naar het pleeggezin en dat het pleeggezin goede afspraken heeft gemaakt met de kinder- en jeugdpsychiater die gedurende het gehele traject een actieve rol zal blijven spelen en [A.] persoonlijk zal blijven begeleiden. De pleegouders zullen worden begeleid door pleegzorg. Ouders hebben aangegeven in te stemmen met het door de kinder- en jeugdpsychiater geadviseerde traject en zullen bureau jeugdzorg verzoeken een casemanager in het kader van de AWBZ aan te stellen. Onder deze omstandigheden kan naar de mening van de bijzondere curator de noodzakelijke hulpverlening voor [A.] in het vrijwillig kader verder worden vormgegeven.

Verzoek tot wijziging gezinsvoogdijinstelling

Ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de gezinsvoogdijinstelling verklaren partijen dat er overeenstemming bestaat over een overdracht van het LJ&R naar bureau jeugdzorg ter gelegenheid van een mogelijke verlenging van de door het LJ&R verzochte ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.

Beoordeling

Uit het voorgaande, de overgelegde bescheiden en uit de verklaringen van de gehoorde personen blijkt naar het oordeel van de kinderrechter, dat de voorwaarde voor ondertoezichtstelling, niet langer vervuld wordt. Hoewel de zorgen om [A.] zijn blijven bestaan, is komen vast te staan dat middelen in het vrijwillig kader worden aangewend om de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige te keren. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.

Het door de juridisch adviseur aangevoerde met betrekking tot de artikelen 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit Wjz heeft betrekking op aanspraak op jeugdzorg op grond van de Wjz en de wijze van financiering van die hulp. Voor het toetsingskader met betrekking tot het verzoek opheffing ondertoezichtstelling en intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing door de kinderrechter zijn de aangevoerde wetsartikelen niet relevant en deze zullen dan ook onbesproken blijven. Wel dient getoetst te worden aan artikel 1:254 lid 1 BW en artikel 1:261 lid 1 BW.

Uit de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting blijkt dat de ouders, het LJ&R en de bijzondere curator instemmen met het advies van de kinder- en jeugdpsychiater van “de Ruyterstee” die [A.] heeft onderzocht en heeft geconstateerd dat er bij hem sprake is van PDD-NOS c.q. het Syndroom van Asperger. Uit dit advies blijkt dat voor opname een behandelduur van vier weken is afgesproken met als doel [A.] te leren wonen in een pleeggezin. De behandeling zal na vier weken ambulant worden voortgezet waarbij [A.] tijdens het wonen in een pleeggezin behandeld wordt. De pleegouders zullen begeleiding krijgen van pleegzorg. Het einddoel van de behandeling zal zijn - indien [A.] dit aangeeft - contactherstel met de ouders en vanuit het pleeggezin weer naar huis. De ouders hebben aangegeven, dat bij een eventuele terugplaatsing van [A.] bij hen ambulante begeleiding zal worden voortgezet. Voorts hebben zij ter zitting toegezegd bureau jeugdzorg te verzoeken een casemanager in het kader van de AWBZ aan te stellen die het gezin zal ondersteunen en de hulpverlening zal coördineren. De vader heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard het herstel van het contact met [A.] af te stemmen voormelde kinder- en jeugdpsychiater en dat een eventuele terugplaatsing volledig afhankelijk is van de wil van [A.].

De kinderrechter is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, anders dan het LJ&R, van oordeel, dat een voortzetting van de hulpverlening in het vrijwillig kader kan geschieden. Het door kinder- en jeugdpsychiater professioneel uitgezette traject dat de instemming van de ouders en

mr. Crouwel geniet, gecombineerd met de hierboven omschreven toezeggingen van de ouders, alsmede de steun van de bijzondere curator van [A.] die zijn belangen blijft behartigen, draagt naar het oordeel van de kinderrechter voldoende waarborgen in zich om te concluderen dat een continuering van de hulpverlening in een gedwongen kader niet langer noodzakelijk en passend is en naar alle waarschijnlijkheid, mede gezien de onderlinge sterk vertroebelde verhoudingen tussen de ouders en het LJ&R, contraproductief zal zijn. De kinderrechter zal dan ook het verzoek van de ouders om de ondertoezichtstelling op te heffen toewijzen in die zin dat de ondertoezichtstelling per heden wordt opgeheven.

Met de opheffing van de ondertoezichtstelling vervalt de machtiging tot uithuisplaatsing, zodat het verzoek van de ouders tot intrekking daarvan geen bespreking meer behoeft. Ook het verzoek van de ouders tot wijziging van de gezinsvoogdijinstelling behoeft gezien de opheffing van de ondertoezichtstelling geen bespreking meer.

BESLISSING

wijst het verzoek van de ouders met betrekking tot de ondertoezichtstelling toe en heft per heden de ondertoezichtstelling op;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. K.R. Bosker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2010.