Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN8151

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
119865/JE RK 10-585
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 119865 / JE RK 10-585

beschikking kinderrechter d.d. 27 augustus 2010

inzake A., B. en C.,

kinderen van de ouders D. en E.

De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarigen.

PROCESGANG

Op 16 juli 2010 heeft de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSG), namens het bureau jeugdzorg, verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend, gedateerd 15 juli 2010. Daarbij zijn overgelegd hulpverleningsplannen en verslagen van het verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Op 25 augustus 2010 zijn ter griffie stukken van mr. M. Wierts ontvangen.

Op 27 augustus 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: de ouders, bijgestaan door mr. M. Wierts en mevrouw J.C. Grüneklee, werkzaam bij de NOVO, de vader, de grootvader van de minderjarigen, de pleegouders van A. en C., de pleegouders van B. en mevrouw S. ten Brink, namens de WSG.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking d.d. 4 september 2009 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de tijd van

1 jaar, ingaande 14 september 2009.

Voorts is bij voormelde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De WSG heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen voor de duur van één jaar te verlengen. Zij hebben daartoe gesteld dat de ouders, ondanks intensieve hulp, vanwege hun beperkingen op cognitief gebied niet in staat zijn om de kinderen op een verantwoorde wijze te verzorgen en op te voeden. Omdat de ouders zelf de opvoeding ter hand willen nemen en derhalve niet achter de pleeggezinplaatsing van de kinderen staan, is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om het verblijf van de kinderen in de pleeggezinnen te waarborgen. De WSG heeft ter zitting aangegeven de Raad voor de Kinderbescherming spoedig te verzoeken onderzoek te doen naar een verderstrekkende maatregel ten aanzien van de ouders.

De ouders hebben ter zitting verklaard achter de verlenging van de ondertoezichtstelling te staan en de hulp en begeleiding die deze maatregel met zich brengt, te zullen aanvaarden. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing hebben zij zich op het standpunt gesteld dat deze voor een half jaar, in plaats van de verzochte duur van één jaar, verlengd dient te worden waarbij gewerkt dient te worden aan een intensivering van de omgangsregeling met als einddoel - indien mogelijk - terugplaatsing van de kinderen bij hen. Als voornaamste reden hiervoor hebben zij aangevoerd dat de situatie zoals die zich voordeed ten tijde van het uitspreken van de ondertoezichtstelling in positieve zin is gewijzigd, waardoor de noodzaak voor een uithuisplaatsing van de kinderen niet langer aanwezig is.

De ouders ontvangen hulp bij hun financiën, beschikken over een eigen woning en krijgen hulp van de NOVO. Daarnaast doen zij erg hun best en zijn zij, in tegenstelling tot wat het LJ&R hieromtrent beweert, leerbaar gebleken. Er is dan ook duidelijk een stijgende lijn waar te nemen, hetgeen door de NOVO wordt onderschreven. De ouders zijn bereid (intensieve) hulp te accepteren bij de verzorging en opvoeding van de kinderen.

De problemen die [A.] heeft, en waar het pleeggezin begeleiding bij nodig heeft, zijn niet het gevolg van de door de ouders gegeven opvoeding, maar hebben te maken met kindfactoren, waaronder zijn hechtingsproblemen. De grootvader begrijpt niet waarom de pleegouders wel intensieve hulp krijgen bij de opvoeding van de kinderen, maar de ouders die mogelijkheid niet wordt geboden.

Gebleken is dat de kinderen naar een zorgboerderij gaan. De ouders hebben aangegeven, dat zij liever zien dat de kinderen, in plaats van hier naar toe te gaan, bij hen op bezoek komen. De WSG heeft aangevoerd dat het verblijf van de kinderen op de zorgboerderij ter stimulering van hun sociaal-emotionele ontwikkeling is en om die reden gecontinueerd moet worden.

De pleegouders van [A.] en [C.] hebben ter zitting naar voren gebracht dat [A.] veel problemen heeft en ver achterloopt in zijn ontwikkeling. Zij krijgen begeleiding vanuit Accare gericht op het leren omgaan met zijn problemen. Met [C.] ervaren zij in de dagelijkse verzorging en opvoeding geen problemen.

De pleegouders van [B.] hebben verklaard dat hij zich goed ontwikkelt en naar de basisschool zal gaan.

Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de WSG te kennen gegeven de huidige regeling te handhaven, met dien verstande dat er een aanpassing van de omgang met [B.] komt ingegeven door de omstandigheid dat hij naar de basisschool zal gaan. Voorts heeft de WSG verklaard dat de ouders tijdens de omgang soms over grenzen heen gaan door tegen de kinderen te zeggen dat zij hen thuis willen hebben, of dat de kinderen bij hen kunnen komen logeren.

De ouders hebben onder verwijzing van een hieromtrent afgelegde verklaring van mevrouw Veenstra, werkzaam bij de NOVO en begeleidster van de ouders, aangegeven, dat de omgang goed verloopt en er geen redenen zijn om de omgang niet uit te breiden. Zij vinden het zeer vervelend dat, nu dat wel van hen wordt verwacht, de WSG en de pleegouders zich niet altijd houden aan de afspraken. De ouders hebben voorts aangegeven graag op andere manieren betrokken te willen worden bij de kinderen, bijvoorbeeld door middel van foto’s en mailcontact.

Volgens de pleegouders van [A.] en [C.] zorgt de omgang voor de nodige onrust bij de kinderen. [B.] is volgens zijn pleegouders uit zijn ritme na de omgang.

Op grond van de verkregen informatie, zoals in opgemeld verzoek aangegeven en ter terechtzitting aangevuld, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarigen de termijn van de ondertoezichtstelling met een jaar dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.

Voor alle drie de kinderen die een moeilijke start hebben gehad in hun leven en (nog steeds) met de gevolgen hiervan kampen, is het van groot belang dat hun opvoeding en verzorging in een veilig en betrouwbaar opvoedingsklimaat plaatsvindt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de kinderen sinds jaren in pleeggezinnen verblijven, waar zij zich naar vermogen en met de nodige ondersteuning positief ontwikkelen. Voorts blijkt dat de ouders verstandelijk beperkt zijn waardoor zij de (veranderende) behoeften van de kinderen onvoldoende onderkennen en daarop onvoldoende adequaat kunnen reageren. Aan de stelling van de ouders dat zij wel leerbaar zijn, gaat de kinderrechter voorbij, nu door de ouders onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit dit zou blijken. Op basis van het door hen gestelde aangaande de omgangsregeling kan geen zorgvuldige inschatting worden gemaakt van hun eventuele leerbaarheid, niet alleen omdat ter zitting is gebleken dat over het verloop van de omgang en de wijze waarop de ouders zich tegenover de kinderen opstellen de meningen verschillen, maar ook omdat de aard en het karakter van de omgang anders is dan die van de opvoedingssituatie waarin duurzaam tegemoet moet worden gekomen aan de behoeften van de kinderen.

Hetgeen de ouders verder hebben aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel. Ook met zeer intensieve hulp is het de vraag of de ouders de kinderen een enigszins acceptabel opvoedingsklimaat zouden kunnen bieden. Gelet op de leeftijd van de kinderen, hun problematiek en de lange tijd die zij reeds uit huis zijn geplaatst, kan een eventuele door de ouders gewenste terugplaatsing slechts overwogen worden als zonder twijfel / met aan zekerheid grenzende zekerheid aangenomen kan worden dat de ouders met intensieve hulp in staat zijn de kinderen een opvoedingsklimaat te bieden dat aansluit bij hun behoeften. Het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit dit zou blijken is niet door de ouders aangetoond noch gebleken.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter derhalve van oordeel dat de belangen van de kinderen gediend zij bij een continuering van de uithuisplaatsing, nu de gronden daarvoor nog aanwezig zijn. De ouders zullen hoe moeilijk dat ook is, rekening moeten houden met het feit dat zij ouders op afstand zullen zijn in het leven hun kinderen en, hiervan uitgaande, hun aandacht moeten richten op het zo goed mogelijk laten verlopen van de omgang met de kinderen. Op het moment dat er bij de kinderen, de ouders en de overige betrokkenen duidelijkheid is over het perspectief van de kinderen, namelijk het opgroeien in een pleeggezin, biedt dit naar het oordeel van de kinderrechter mogelijkheden tot uitbreiding en intensivering van de omgang. De (concrete) invulling van de omgang is evenwel ter beoordeling van de gezinsvoogd.

BESLISSING

verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarigen

[A.] [B.] en [C.] met een jaar, ingaande 14 september 2010, met behoud van de opdracht van de ondertoezichtstelling aan de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSG), te Amsterdam, p/a Postbus 12865, namens het bureau jeugdzorg;

verlengt voorts de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 14 september 2010 voor de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. K.R. Bosker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2010.