Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN6296

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
119442/FT RK 10.540 en 119446/FT RK 10.542
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekers hebben eerder een moratorium gehad voor de duur van zes maanden om ontruiming te voorkomen. Na afloop van het moratorium is het bijbehorende wsnp verzoek niet ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van aanvullende stukken. Verzoekers zijn vervolgens verhuisd en de huidige woningstichting heeft hen eveneens de ontruiming aangezegd. Verzoekers vragen opnieuw een moratorium. De rechtbank wijs het verzoek af omdat verzoekers sinds het vorige moratorium geen aantoonbare inspanningen hebben verricht om tot een vergelijk met hun schuldeisers te komen en evenmin is gebleken dat verzoekers andere stappen hebben ondernomen om hun schuldenproblematiek op te lossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknummers: 119442/FT-RK 10.540 en 119446/FT-RK 10.542

vonnis d.d. 6 juli 2010

in de zaak van:

[verzoekster], geboren op [geboortedatum] (hierna: verzoekster) en [verzoeker], geboren op [geboortedatum] (hierna: verzoeker), beide wonende [adres], [woonplaats], hierna samen te noemen verzoekers.

PROCESGANG

Op 29 juni 2010 is door verzoekers tegelijk met het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 6 juli 2010. Verzoekster is ter zitting verschenen, tezamen met haar gemachtigde mr. G.B. de Jong. Voorts is verschenen de heer

H.J. de Jonge, namens AGC Gerechtsdeurwaarders.

RECHTSOVERWEGINGEN

Verzoekers huren een woning van de stichting Stichting Lefier (hierna: Lefier). Zij hebben een achterstand in de betaling van de huurpenningen laten ontstaan, op grond waarvan de kantonrechter bij vonnis van 17 juni 2010 de huurovereenkomst heeft ontbonden, de ontruiming van de door verzoekers gehuurde woning heeft gelast en verzoekers heeft veroordeeld in betaling van de huurschuld, vermeerderd met de wettelijke rente en betaling van de kosten van de procedure.

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw.

Verzoekers hebben aan de verzoeken ten grondslag gelegd dat zij pogen een minnelijke schuldregeling met hun schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zullen verzoeken.

Door en namens verzoekers is - samengevat - het volgende aangevoerd. De huurachterstand in de vorige woning is ontstaan door het zoekraken van de huursubsidie. Daarvoor is vervolgens een regeling getroffen en verzoekers hebben er verder niets meer van gehoord. Verzoekster vermoedt dat de achterstand met alsnog ontvangen belastinggeld inmiddels is opgelost, maar weet kan niet met zekerheid zeggen dat er geen achterstand meer is. Verzoekers zijn vervolgens verhuisd en sindsdien hebben zij een hoop problemen gekregen. Toen verzoeker in februari 2010 is gaan werken is de huidige huurachterstand begonnen. Hierdoor is de uitkering van verzoekster stopgezet en moest zij diverse toeslagen aanvragen, hetgeen zij kortgeleden heeft gedaan. Het inkomen van verzoekers is drastisch gedaald. Daarnaast is er een groot aantal loonbeslagen gelegd, waardoor verzoekers moeten rondkomen van € 400 tot € 600,- per maand en hun vaste lasten niet langer kunnen betalen. Verzoekster heeft vorige week contact gezocht met de GKB om budgetbeheer aan te vragen. Ze is nog bezig om de problemen met de uitkering van de Sociale Dienst op te lossen. Zodra zij beschikt over haar uitkering en vakantiegeld kan ze de huurtermijnen gaan betalen.

Lefier heeft zich, mede bij monde van de De Jonge, tegen het verzoek verzet en daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd. Het verzoek is volgens Lefier al niet toewijsbaar aangezien de kantonrechter bij vonnis van 17 juni 2010 de huurovereenkomst heeft ontbonden, waardoor er geen rechtsverhouding meer resteert op grond waarvan de lopende huurpenningen moeten worden voldaan. Daarnaast is volgens Lefier tijdige betaling van de lopende huurtermijnen niet gewaarborgd. Daartoe wordt verwezen naar een overzicht waaruit blijkt dat verzoekers al sinds maart 2009 zeer onregelmatig en vaak helemaal niet betalen. Zo is er in 2010 slechts eenmaal een huurbetaling verricht. Tenslotte heeft Lefier gesteld dat zij als sociale woningbouwstichting ook de belangen dient te behartigen van de gezinnen die op de lange wachtlijst staan voor een sociale huurwoning in Hoogezand.

De rechtbank oordeelt als volgt. Ten aanzien van het verweer van Lefier dat het verzoek reeds niet toewijsbaar is aangezien de kantonrechter de huurovereenkomst heeft ontbonden, overweegt de rechtbank dat dit verweer geen hout snijdt. Reeds in eerdere rechtspraak is al beslist dat ontbinding van de huurovereenkomst de toewijzing van het onderhavig verzoek niet in de weg staat, nu de ontruiming van de woning in het overgrote deel van de gevallen voorafgegaan wordt door een ontbinding van de huurovereenkomst door de kantonrechter en het duidelijk de bedoeling van de wetgever is geweest om de executie van een dergelijk ontruimingsvonnis middels artikel 287b Fw te kunnen opschorten.

De rechtbank merkt voorts op dat de toewijzing van een verzoek tot het instellen van een moratorium afhankelijk is van de afweging van de wederzijdse belangen. Het belang van verzoekers bestaat eruit dat zij in hun huurwoning kunnen blijven wonen en vanuit die situatie een aanvang kan worden genomen met het (verder) in gang zetten van een schuldhulpverleningstraject.

Het belang van Lefier bestaat eruit dat de huurwoning van verzoekers wordt ontruimd zodat zij de woning aan een nieuwe huurder kan verhuren en voldoening van de huurpenningen beter zou zijn gewaarborgd.

Op 31 oktober 2008 hebben verzoekers eveneens tezamen met een verzoek om toepassing tot de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium. Dit verzoek is toegewezen voor de duur van zes maanden eindigend op 11 mei 2009. De betreffende kredietbank heeft in mei 2009 de rechtbank bericht geen contact meer te hebben met verzoekers omdat zij niet meer op het bekende adres bereikbaar waren. De door de rechtbank naar verzoekers verzonden correspondentie op het laatst bekende GBA-adres werd ongeopend retour ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens het ingediende verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers zijn op 1 april 2009 verhuisd naar de huidige woning. Verzoekster heeft aangegeven sinds twee weken contact te hebben gezocht met mr. De Jong en zich sinds vorige week te hebben gemeld bij de GKB om hulp te zoeken voor hun problematische schuldenlast. Eerdere contacten met de VKB zijn door verzoekers beëindigd vanwege hun verhuizing, zonder dat dit tot een oplossing voor de problematiek heeft geleid. Verzoekers hebben zich evenmin direct na de verhuizing gemeld bij de kredietbank in hun huidige woonplaats. Naar het oordeel van de rechtbank hadden verzoekers zich, mede gelet op de ten tijde van het vorige moratorium reeds bestaande problematiek, moeten beseffen dat zij een oplossing moesten zoeken voor hun problematische schuldenpositie. Temeer nu is gebleken dat de schulden sindsdien nog veel verder opgelopen zijn. Daarnaast is betaling van de lopende huurtermijnen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewaarborgd. Uit het overzicht van Lefier blijkt dat verzoekers al vanaf april 2009 wanbetalers zijn en dat er in 2010 slechts eenmaal huurbetaling heeft plaatsgevonden. Ter zitting hebben verzoekers evenmin aannemelijk gemaakt dat zij in staat zijn om vanaf heden hun lopende verplichtingen te voldoen. Verzoekster stelt weliswaar dat zij nog geld zou moeten krijgen van de Sociale dienst, maar hoeveel en wanneer zal worden uitbetaald wist ze niet.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval de belangen van verhuurder zwaarder wegen dan de belangen van verzoekers. De rechtbank laat hierbij zwaar wegen dat

verzoekers reeds eerder een moratorium hebben gehad voor de duur van zes maanden, maar gedurende deze tijd geen aantoonbare inspanningen hebben verricht om tot een vergelijk met hun schuldeisers te komen. Evenmin is gebleken dat de schuldenaren andere stappen hebben ondernomen om hun schuldenproblematiek op te lossen. De rechtbank is van oordeel dat het uitspreken van een moratorium gelet op vorenstaande niet is gerechtvaardigd en wijst het verzoek als bedoeld in artikel 287b Fw dan ook af.

Nu verzoekster ter zitting heeft aangegeven hun verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven, zal de rechtbank hierop bij afzonderlijk vonnis beslissen.

BESLISSING

De rechtbank

wijst de verzoeken tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Fw af.

Gewezen door mr. A.L. Goederee, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

6 juli 2010 in tegenwoordigheid van mr. F.J. Renzenbrink-Tinga als griffier.