Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN6025

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
117642/JE RK 10-305
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verzoeken tot het opheffen van de ots en tot overdracht van de ots aan een andere gvi worden afgewezen.

LJ&R heeft onvoldoende invulling gegeven aan de OTS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 117642 / JE RK 10-305

beschikking kinderrechter d.d. 28 april 2010

inzake

de minderjarige A.,

kind van:

B. en C.

De ouders zijn belast met het gezag over A.

PROCESGANG

Op 13 april 2010 heeft het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering te Groningen (hierna: LJ&R) een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, gedateerd 9 april 2010, daartoe strekkende dat de ondertoezichtstelling van de minderjarige A. wordt opgeheven.

Op 28 april 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn daarbij: moeder, de heer J. Scholte Aalbes, namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), en mevrouw M. Keus, namens het LJ&R.

Vader heeft ter griffie van de rechtbank telefonisch laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen en het eens te zijn met het verzoek.

De kinderrechter heeft de minderjarige afzonderlijk gehoord.

OVERWEGINGEN

Standpunt van het LJ&R

De afgelopen jaren is de samenwerking met de ouders moeilijk verlopen. Ouders zijn vanaf de start bijzonder star in hun opvattingen over de oorzaak van hun problemen. Het is de gezinsvoogd lange tijd niet gelukt hier verandering in te brengen. De samenwerking is eveneens bemoeilijkt doordat de ouders door ziekte en vervanging te maken hebben gekregen met vijf verschillende gezinsvoogden. Eén wisseling was op verzoek van moeder.

Van de vier doelen die zijn gesteld zijn er drie behaald te weten:

- [A.] heeft geen last meer van het loyaliteitsconflict;

- [A.] ondervindt geen last door de strijd in verband met de scheiding tussen vader en moeder;

- [A.] beseft dat hij bij zijn moeder blijft wonen.

Het doel waarbij [A.] weet of hij een weekend meer naar vader gaat is niet behaald. [A.] heeft er zelf voor gekozen om op dit moment geen contact met vader te hebben. Zijn zus en broer bezoeken beide ouders wel. Vader accepteert de situatie, maar vindt wel dat moeder [A.] meer zou moeten stimuleren. Zowel op school als thuis gaat het goed met [A.]. De huidige situatie waarin [A.] geen contact heeft met vader, doet hem goed. Wanneer er zich problemen voordoen is moeder in staat om deze zelf te bespreken. Het LJ&R constateert dat er geen gronden meer zijn voor een ondertoezichtstelling. Indien de rechtbank dit verzoek afwijst, verzoekt het LJ&R de zaak te laten uitvoeren door bjz Groningen.

Ter zitting is naar voren gebracht dat de communicatie tussen de ouders nooit goed is verlopen. Ondanks deze communicatieproblemen gaat het broertje van [A.], dat overigens niet onder toezicht staat, wel naar vader. Naar mening van het LJ&R is er geen reden meer voor een ondertoezichtstelling. Het feit dat [A.] niet naar vader wil, komt niet bij moeder vandaan. Hij kan namelijk ook heel kritisch zijn richting moeder. In 2008 heeft er een onderzoek plaatsgevonden en hieruit is naar voren gekomen dat [A.] sociaal inadequaat gedrag vertoont; hij houdt contact af. De orthopedagoog heeft destijds voorgesteld om gesprekken met ouders te voeren. Hiermee hebben de ouders ingestemd. Er is geen andere hulpverlening ingezet, omdat er geen sprake was van forse problemen. Er is ingezet op het doen verminderen van de spanningen tussen de ouders. Tot slot wordt naar voren gebracht dat de gezinsvoogd en de school de zorgen zoals moeder deze beschrijft niet zien.

Standpunt van moeder

Enerzijds is moeder het eens met de beëindiging van de ondertoezichtstelling, omdat zij het bezwaarlijk vindt om met een zesde gezinsvoogd opnieuw te beginnen. Vooral voor [A.] was het erg vervelend dat er steeds een nieuwe gezinsvoogd werd aangesteld. Moeder wil graag dat [A.] contact heeft met vader, omdat hij een vaderfiguur nodig heeft. [A.] wil echter geen contact, ook niet voor een aantal uren. Hij wil niet naar vader, omdat hij zich afgewezen voelt. De andere kinderen kunnen hiermee omgaan, maar [A.] niet.

Anderzijds is moeder voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. Moeder zou namelijk graag zien dat [A.] ondersteuning van een deskundige krijgt en wordt getest, omdat zij denkt dat er bij hem sprake is van PDD-Nos. De gezinsvoogden hebben haar hierin niet serieus genomen. [A.] ontwikkelt zich qua zelfstandigheid niet en kan de wereld niet overzien. Hij is anders dan de andere kinderen en krijgt niet de hulp die hij nodig heeft. Hoe ouder [A.] wordt hoe moeilijker het voor hem is om zelfstandig te functioneren. Hij heeft geen grip op zijn leven en wordt aldus ongelukkig. [A.] moet begeleid worden; moeder redt het niet alleen. In 2008 is [A.] weliswaar onderzocht, maar hierin zijn de sociale aspecten niet betrokken en is er niet gekeken naar het autistisch spectrum. De school ziet aangeleerd gedrag bij [A.]. Naar de buitenwereld toe is het een keurige jongen, maar met hem samenleven is iets anders aldus moeder.

Standpunt van de Raad

Er is sprake van een groot verschil tussen de visie van moeder en de omgeving. De Raad heeft de indruk dat [A.] de problemen vermijdt. De school vond een sociale vaardigheidstraining noodzakelijk, maar hier is niets mee gebeurd. Er is een probleem ontstaan tussen de opvatting van moeder en het LJ&R. Naar mening van de Raad dient een andere gezinsvoogd opnieuw te beginnen waarbij het verschil van inzicht wordt uitgesproken. Daarnaast dient bij school nagevraagd te worden hoe zij [A.] zien. De Raad is dan ook van mening dat de ondertoezichtstelling dient te worden voortgezet.

Standpunt van de minderjarige [A.]

[A.] is van mening dat hij niets aan de gezinsvoogden heeft gehad. Hij zit nu goed in zijn vel en heeft geen hulp nodig. [A.] wil geen contact met vader, omdat vader niet laat blijken iets om hem te geven. In het begin vond [A.] het raar dat vader geen aandacht aan hem besteedde; inmiddels niet meer. [A.] heeft slechte cijfers met als gevolg dat hij volgend jaar de kaderberoepsgerichte leerweg gaat volgen in plaats van theoretische leerweg. Dit komt omdat hij zich niet goed heeft ingezet.

Beoordeling

Hoewel het LJ&R stelt dat drie doelen zijn behaald, is de kinderrechter van oordeel dat er nog veel zorg bestaat ten aanzien van de opvoedingssituatie van [A.]. De huidige situatie waarin de relatie tussen ouders onderling en tussen [A.] en vader is verstoord, is vrijwel gelijk aan de situatie ten tijde van de start van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter acht het zorgelijk dat [A.] afstroomt naar een lager schoolniveau en dat hij geen contact wil hebben met vader. Dit maakt, anders dan het LJ&R betoogt, dat de zorgen eerder zijn toegenomen dan afgenomen. Het feit dat in de afgelopen twee jaar vijf verschillende gezinsvoogden in het gezin zijn geweest, is allesbehalve bevorderlijk geweest voor het opbouwen van een vertrouwensrelatie welke nodig is voor het doen slagen van hulpverlening. Daarnaast was de hulpverlening met name gericht op de onderlinge communicatie tussen de ouders, welke helaas niet is verbeterd, en niet op wat [A.] nodig heeft. Mogelijk is de ontwikkeling van [A.] gestagneerd door een slechte communicatie en de slechte verhouding tussen de ouders, maar het kan ook het gevolg zijn van factoren die in de persoon van [A.] liggen. De kinderrechter concludeert dat hier in de afgelopen twee jaar geen of weinig aandacht voor is geweest.

Daar komt bij dat er problemen zijn ontstaat tussen moeder en het LJ&R wat terug is te voeren op een verschil in visie. Gezien het aantal gezinsvoogden dat in het gezin aanwezig is geweest is dit niet verwonderlijk. De kinderrechter is van oordeel dat het op de weg van het LJ&R ligt om de problemen uit te spreken en zonodig op te lossen. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek tot het opheffen van de ondertoezichtstelling afgewezen te worden. Het verzoek tot de overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan een andere gezinsvoogdijinstelling zal de kinderrechter eveneens afwijzen. Duidelijk is dat het LJ&R tot op heden onvoldoende invulling heeft gegeven aan de ondertoezichtstelling en de reactie hierop moet niet worden gezocht in beëindiging van de ondertoezichtstelling dan wel overdracht aan een andere gezinsvoogdijinstelling, hetgeen tijdverlies betekent, maar in aanstelling van een gezinsvoogd die naar het zich laat aanzien voor langere duur aan het gezin kan worden verbonden. Een volgende wisseling van gezinsvoogd is in deze situatie onacceptabel. Het eerste doel waaraan gewerkt dient te worden is het beoordelen welke hulpverlening [A.] nodig heeft, waarbij het LJ&R hierin ook de mening van school en de huisarts dient te betrekken. Bij een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling dient gemeld te worden waaraan de afgelopen periode is gewerkt.

BESLISSING

wijst het verzoek tot het opheffen van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige A., mede het verzoek tot de overdracht van de ondertoezichtstelling aan een andere gezinsvoogdijinstelling af.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.J. Oostveen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.J. van der Heide, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2010.