Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN5853

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
119501 / JE RK 10-535
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling van 4 kinderen in een Islamitisch gezin, waarbij voor het oudste meisje, dat binnenkort meerderjarig wordt, tot aan die datum tevens een machtiging uithuisplaatsing wordt afgegeven.

De bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen is vooral gelegen in het feit dat zij opgroeien zowel binnen de Marokkaanse als de Nederlandse cultuur en de wijze waarop daarmee pedagogisch wordt omgegaan. Gebleken is dat het gaat om een gesloten, hecht, maar ook warm, gezin. Vader wordt gekarakteriseerd als een dominante man, die vanuit de Islamitische religie en Marokkaanse cultuur opvoedt. Er is weinig ruimte voor een eigen identiteitsvorming van de kinderen.

Het oudste meisje heeft het afgelopen jaar voor langere tijd bij een tante in Frankrijk gewoond, deels zonder andere gezinsleden en was tijdens de aan deze beslissing voorafgaande spoeduithuisplaatsing op bezoek bij het gezin in Nederland. Niettegenstaande de stelling van de raadsvrouw dat zij daardoor woonplaats in Frankrijk had acht de rechtbank zich bevoegd ook ten aanzien van haar de onderhavige beslissingen te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknrs.: 119501 / JE RK 10-535

beschikking kinderrechter d.d. 12 augustus 2010

inzake

* [minderjarige 1], geboren in de gemeente [***] [in 1993],

* [minderjarige 2], geboren in de gemeente [***] [in 1995],

* [minderjarige 3], geboren in de gemeente [***] [in 1997],

* [minderjarige 4], geboren in de gemeente [***] [in 2002],

kinderen van:

[vader],

en

[moeder],

beiden wonende te [adres].

De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarigen (verder te noemen [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4]).

PROCESGANG

De kinderrechter heeft op 24 juni 2010 en 12 juli 2010 een beschikking gegeven.

Naar aanleiding van laatstgenoemde beschikking heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (de Raad), op 4 augustus 2010 rapport en advies uitgebracht.

Op 11 augustus 2010 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren voortgezet. Gehoord zijn daarbij: de ouders, bijgestaan door hun raadsvrouw mr. S.S. Ilahi, de heer J. Scholte Aalbes, namens de Raad voor de Kinderbescherming te Groningen, mevrouw A. Ritsema, namens bureau jeugdzorg (bjz) Groningen en mevrouw Dekker, werkzaam bij de GGD als coördinator zorg en jeugd.

Tevens was aanwezig mevrouw M.M. Schedler, tolk Franse taal.

De minderjarige [minderjarige 1] is op 12 augustus 2010 door de kinderrechter gehoord.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking d.d. 24 juni 2010 zijn de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld van bjz, met ingang van 24 juni 2010 voor de duur van drie maanden. Tevens is bij deze beschikking een (spoed) machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor crisisopvang dan wel pleegzorg afgegeven voor de duur van vier weken.

Bij beschikking d.d. 12 juli 2010 is de beschikking van 24 juni 2010 bekrachtigd, met dien verstande dat een machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen in een voorziening voor crisisopvang is verleend tot 18 augustus 2010 en voor het overige is aangehouden.

De Raad is verzocht om op korte termijn rapport en advies uit te brengen ter zake de definitieve ondertoezichtstelling.

Standpunt van de Raad

De Raad heeft verzocht de minderjarige kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Tevens is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de minderjarige [minderjarige 1].

Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de Raad aangevoerd dat het een meisje betreft dat erg in de knel zit. Enerzijds is zij zeer loyaal aan haar ouders, doch anderzijds voelt ze de drang tot een eigen zelfstandige ontwikkeling. Het kiezen voor zichzelf staat voor [minderjarige 1] echter lijnrecht tegenover het kiezen voor haar familie. De band tussen [minderjarige 1] en haar ouders zal ernstig verslechteren, omdat zij zich verraden zullen voelen door hun dochter, die het "familiebelang" in hun ogen ondergeschikt maakt aan haar eigen belang.

Ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de Raad gesteld dat sprake is van een gesloten meisje. Er is moeilijk contact met haar te krijgen. Ze weet niet precies wat ze wel en niet kan c.q. mag vertellen. Zij heeft een grote loyaliteit richting haar ouders.

Op school heeft zij het naar haar zin.

[minderjarige 3], het jongste meisje van het gezin, zit op de basisschool. [minderjarige 3] heeft een achterstand op taalgebied. Zij legt gemakkelijk contact met andere kinderen en heeft contact met twee meisjes uit de buurt. Op de crisisgroep kwam [minderjarige 3] verlegen binnen, maar ze heeft nu steeds vaker een weerwoord. Zij blijft beleefd, maar zegt wel wat ze vindt en wil. [minderjarige 3] maakt een stiekeme indruk.

Zij moet, net als haar beide zussen, haar weg vinden tussen twee culturen (de culturele achtergrond van haar ouders en de cultuur waarmee zij buitenshuis dagelijks geconfronteerd wordt).

[minderjarige 4] is het jongste kind in het gezin. Hij maakt een opgewekte en leeftijdsadequate indruk. Hij heeft het naar de zin op de basisschool. Hij legt gemakkelijk contact met andere kinderen. Er spelen geen gedragsproblemen bij [minderjarige 4] en hij komt overwegend zorgeloos over. Dit komt door zijn nog jonge leeftijd. [minderjarige 4] krijgt weinig mee van de gezinsproblemen. Hij zal, omdat hij een jongetje is, in de toekomst met andersoortige problemen kampen dan zijn oudere zussen. Maar ook hij zal zijn weg moeten vinden tussen twee culturen.

De Raad is van mening dat het komende jaar gewerkt dient te worden aan de volgende doelen:

- de ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] moet worden gevolgd en zonodig worden bijgestuurd;

- [minderjarige 1] wordt geplaatst op een groep, waar zij veilig kan opgroeien en wordt begeleid in haar weg richting zelfstandigheid;

- binnen het kader van de ondertoezichtstelling wordt voor [minderjarige 1] een perspectief gecreëerd en begeleiding opgestart die ook na haar 18e zal doorgaan;

- [minderjarige 1] kan op een voor haar wenselijke en veilige manier contact met haar ouders en haar broers en zussen onderhouden;

- voor [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt een veilige thuissituatie gecreëerd, waarin zij passende vrijheden en regels ontvangen;

- voordat [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] naar huis zullen gaan, is er een veiligheidsplan opgesteld;

- [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] worden voorbereid op hun terugkeer naar hun thuissituatie en worden begeleid bij de overgang;

- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden voldoende ondersteund en begeleid in het culturele aspect; voor [minderjarige 4] geldt op latere leeftijd hetzelfde;

- [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] krijgen voldoende ruimte geboden om toe te komen aan bij hun leeftijd passende ontwikkelingstaken;

- de veiligheid van de kinderen is in de thuissituatie gewaarborgd en zonodig gecontroleerd;

- ouders bieden zicht op hun ouderlijk handelen;

- ouders ontvangen passende opvoedingsondersteuning, gericht op het vergroten van hun probleemstelling, alsmede daaruit voorvloeiende benodigde pedagogische vaardigheden..

De machtiging uithuisplaatsing van de 3 jongste kinderen loopt op korte termijn af. De overgang naar de thuissituatie dient goed te worden begeleid en zou niet al te abrupt moeten zijn.

Er is geen sprake van een vooroordeel ten aanzien van de Marokkaanse- dan wel de Islamitische cultuur, zoals door de advocaat van de ouders is aangevoerd. De Raad accepteert de religie, c.q. de overtuigingen van ouders. De Raad onderzoekt of er sprake is van een dreiging in de ontwikkeling van kinderen. In het onderhavige geval is sprake van ernstige zorgen om de kinderen met een Islamitische achtergrond die opgroeien binnen een Westerse cultuur. Dit is zeer verwarrend voor kinderen. Dit komt duidelijk naar voren bij [minderjarige 1], maar ook bij [minderjarige 2].

Standpunt van bjz

Er zal op zeer korte termijn overleg met ouders plaatsvinden omtrent de terugplaatsing van de kinderen [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4]. Op 18 augustus 2010 is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing verstreken. De tijd tot aan 18 augustus zal bjz nodig hebben om met de ouders te overleggen, een veiligheidsplan op te stellen en de kinderen afscheid te laten nemen van de mensen waar zij nu verblijven. De tijdelijke gezinsvoogd is met vakantie, maar haar taak wordt waargenomen door andere gezinsvoogden. [minderjarige 1] is wisselend in haar beslissing omtrent het naar huis gaan. Dit komt naar de mening van bjz voort uit een gevoel van loyaliteit aan haar ouders. Bjz acht daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk.

Standpunt van ouders

De raadsvrouw handhaaft haar standpunt dat de rechtbank met betrekking tot [minderjarige 1] onbevoegd is nu zij ten tijde van de verzoeken in ieder geval nog in Frankrijk woonde.

Het raadsrapport is voor een deel gebaseerd op vooroordelen met betrekking tot de Marokkaanse cultuur. Vader wordt daarin bestempeld als dominant en er zou sprake zijn van eer-gerelateerd handelen door opsluiting van de kinderen. In september 2009 zou vader met het gezin gevlucht zijn naar Frankrijk. Dat is allemaal onjuist.

De ouders willen graag dat de kinderen, alle vier, weer zo snel mogelijk thuis komen wonen.

[minderjarige 1] heeft, o.a. aan mevrouw Dekker, te kennen gegeven dat zij weer thuis wil wonen. [minderjarige 1] had een relatie met een oudere man met kinderen. Dat een kind in een dergelijke situatie beschermd wordt door een ouder is normaal.

De ouders verzetten zich niet tegen een ondertoezichtstelling van de vier kinderen. Zij hebben geen bezwaar tegen begeleiding thuis. Vader heeft geen enkel probleem met de benoeming van een gezinsvoogd. Hij is bereid zijn medewerking te verlenen en openheid te geven in de opvoedingssituatie. Hij heeft vertrouwen in de hulpverleenster van de GGD [woonplaats], mevrouw Dekker, met wie het gezin al jaren bekend is.

Vader heeft benadrukt dat het gezin in Nederland, [woonplaats], blijft. Zij gaan niet naar Frankrijk terug; ook [minderjarige 1] niet. De oudste zoon is teruggekomen uit het buitenland en gaat in [woonplaats] wonen, samen met [kind 5]. Daarmee blijft de hele familie bij elkaar in Nederland.

De ouders willen het liefst dat de terugplaatsing van de kinderen nog voor het komend weekend plaatsvindt, maar begrijpen ook dat daarmee enige tijd gemoeid is.

Er is geen onderbouwing voor het opstellen van een veiligheidsplan. Er is nimmer sprake geweest van een onveilige situatie van de kinderen.

Standpunt van mevrouw Dekker

Zij heeft sinds april 2010 bemoeienis met het gezin [achternaam]. De uithuisplaatsing en de wijze waarop heeft veel teweeg gebracht binnen het gezin. [kind 5] is weer thuis, evenals [kind 6]. Het betreft een solide, warm, gezin.Culturele aspecten spelen in de opvoedingssituatie een rol. De twee jongste kinderen ontwikkelen zich goed op school. Zij kan niet inschatten in hoeverre er sprake is van onderdrukking. Zij staat achter een ondertoezichtstelling van de kinderen. Zij is van mening dat, in verband met het starten van het nieuwe schooljaar, de uithuisplaatsing op korte termijn beëindigd dient te worden. Zij hoopt dat er ook rekening gehouden wordt met de pasgeleden begonnen Ramadan.

Beoordeling

Evenals ter zitting van 7 juli 2010 heeft mr. Ilahi zich ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 1] wederom beroepen op de toepasselijkheid van Brussel II bis.

In de beschikking van 12 juli 2010 is het verweer hieromtrent reeds verworpen en voor de kinderrechter is er geen enkele aanleiding thans hierop terug te komen. Bovendien heeft vader ter zitting gesteld dat [minderjarige 1] nu in Nederland verblijft; hij graag zou zien dat zij weer teruggeplaatst wordt bij hen thuis in [woonplaats]. Zij gaat niet terug naar Frankrijk.

Voorts overweegt de kinderrechter met betrekking tot het verzoek de minderjarige kinderen onder toezicht te stellen, het volgende.

Het afgelopen jaar is gekenmerkt door veel onrust binnen het gezin. Deze onrust betrof met name het vrij plotselinge vertrek, in ieder geval voor hulpverlenende instanties, van het gezin naar Frankrijk. Enkele maanden later is het gezin, met uitzondering van [minderjarige 1], teruggekeerd naar Nederland. [minderjarige 1] is, na nog enkele maanden bij een tante verbleven te hebben, halverwege 2010 teruggekeerd naar Nederland. [minderjarige 1] is daar niet naar school geweest.

Nadien is, vanwege uitlatingen van één van de meerderjarige kinderen van de ouders, een melding binnengekomen bij het AMK.

Gebleken is dat het gaat om een gesloten, hecht, maar ook warm, gezin. Vader wordt gekarakteriseerd als een dominante man vanuit de Islamitische religie en Marokkaanse cultuur. Er is weinig ruimte voor de eigen identiteit van de kinderen.

Het afgelopen jaar laat een herhalend patroon zien. Diverse kinderen, zoals [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en later ook [kind 1], hebben zich naar derden toe uitgelaten over de gang van zaken binnen het gezin. Deze uitlatingen werden nadien, hetzij ingetrokken, hetzij in een ander daglicht gesteld, waardoor het voor een hulpverlenende instantie moeilijk was een juist beeld van de gezinssituatie te krijgen.

De ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt gekenmerkt door het opgroeien in twee culturen. Binnen het gezin heersen de normen en waarden van de Islam, maar daarbuiten groeien zij op binnen de westerse cultuur. Dit is voor hen, en met name voor meisjes in de puberteit, heel verwarrend.

De voornoemde kinderen houden van hun ouders en zijn loyaal aan hen. Bij de ontwikkeling van hun identiteit komen zij echter in conflict door het opgroeien in beide culturen. Hierdoor ontstaat een bedreiging in hun ontwikkeling. Gebleken is dat ouders hulp nodig hebben bij het keren van die ontwikkelingsbedreiging van de kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en om een uit elkaar groeien van ouders en kinderen te voorkomen, hetgeen eveneens schadelijk is voor de ontwikkeling van de kinderen.

De door ouders aanvaarde hulpverlening in het vrijwillige kader is te weinig om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen.

Met het inzetten van een gezinsvoogd en met de reeds ingezette hulpverlening dient er gewerkt te worden aan een goede psychisch- emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4], daarbij rekening houdend met de levensovertuiging van de ouders.

De ouders hebben ter zitting ingestemd met een ondertoezichtstelling en hebben te kennen gegeven hun volledige medewerking te verlenen aan de aan te stellen gezinsvoogd.

Voorts heeft vader nadrukkelijk gesteld dat hij met zijn gezin in Nederland blijft wonen en dat de kinderen hier onderwijs kunnen blijven volgen.

Gelet op het voorgaande, de overgelegde bescheiden en gelet op de verklaringen van de gehoorde personen is de kinderrechter van oordeel dat de voorwaarde, in artikel 254, lid 1, Boek 1, Burgerlijk Wetboek, voor ondertoezichtstelling gesteld, is vervuld.

Vast is komen te staan dat andere middelen in vrijwillig kader hebben gefaald om te voorkomen dat de minderjarigen in hun zedelijke en geestelijke belangen worden bedreigd.

De machtiging tot spoeduithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is verleend tot 18 augustus 2010. Met betrekking tot de minderjarige [minderjarige 1] is tevens verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Ter zitting is, eerst nadat de kinderrechter ter sprake heeft gebracht dat niet is verzocht om onmiddellijke opheffing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, door mr. Ilahi een dergelijk verzoek gedaan.

Hieromtrent overweegt de kinderrechter dat het niet in het belang van de kinderen [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is om tot onmiddellijke opheffing van de machtiging over te gaan.

Bjz heeft ter zitting toegezegd dat er op zeer korte termijn een gesprek zal worden bewerkstelligd met de ouders. Het is voorts in het belang van [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] dat zij op goede wijze worden voorbereid op een terugkeer naar huis. Bovendien moeten zij in de gelegenheid worden gesteld om op juiste wijze afscheid te nemen van de mensen die de afgelopen periode voor hen hebben gezorgd.

Ten aanzien van het verzoek om een machtiging te verlenen ten behoeve van [minderjarige 1], in een 24-uurs opvang overweegt de kinderrechter het volgende.

Alle omstandigheden in aanmerking nemende is het in het belang van [minderjarige 1] dat zij de ruimte krijgt om zich op een psychisch/emotioneel gezonde manier te ontplooien richting zelfstandigheid, hetgeen niet plaats zal kunnen vinden vanuit de thuissituatie. De kinderrechter heeft daarbij het een en ander met name bezien in het licht van de gebeurtenissen van het afgelopen jaar, waarbij niet zonder meer sprake is geweest van een vrijwillige keuze van [minderjarige 1] om in Frankrijk te verblijven en het feit dat zij dat jaar niet of nauwelijks onderwijs heeft gevolgd, c.q. heeft kunnen volgen.

[minderjarige 1] dient vanuit de hulpverlening tot in ieder geval haar meerderjarigheid daarbij ondersteund en begeleid te worden.

De kinderrechter zal derhalve de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiële instelling eventueel overgaand in een begeleid kamertrainingstraject verlenen.

BESLISSING

verlengt de machtiging tot crisisplaatsing van de minderjarige [minderjarige 1] ingaande 18 augustus 2010 voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling (reg. nr.: 119345/JE RK 10-514));

stelt de minderjarigen [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4], met ingang van 24 september 2010 (aansluitend op de voorlopige ondertoezichtstelling) onder toezicht voor de duur van een jaar en stelt de minderjarige [minderjarige 1], met ingang van 24 september 2010 onder toezicht tot aan haar meerderjarigheid (6 maart 2011) en draagt de ondertoezichtstelling op aan bureau jeugdzorg Groningen, Waterloolaan 1 (reg.nr.: 119501/JE RK 10-535);

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige [minderjarige 1] met ingang van 24 september 2010 tot aan haar meerderjarigheid in een residentiële voorziening eventueel aansluitend in een begeleid kamertrainingstraject;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.J.B. Holsink, kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2010.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.