Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN5843

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
110790 / FA RK 09-1410
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek eenhoofdig gezag toegewezen. De rechtbank is, anders dan de Raad, van oordeel dat de wens van vader om het gezamenlijk gezag te handhaven minder zwaar weegt dan het belang van de minderjarige bij een stabiele opvoedingssituatie. Dat de man het hoofdverblijf van de minderjarige niet ter discussie stelt en het pedagogisch gezag van de vrouw niet ondermijnt, zoals de Raad in het rapport opmerkt, maakt het oordeel niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

Zaaknr: 110790 / FA RK 09-1410

beschikking d.d. 20 juli 2010

in de zaken van:

[de vrouw],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Wierts,

en

[de man],

wonende te [adres],

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.J. de Boer.

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 25 augustus 2009 een tussenbeschikking gegeven.

Ter griffie is op 12 april 2010 een brief ontvangen van de Raad voor de Kinderbescherming, met als bijlage het rapport van de Raad d.d. 8 april 2010.

Ter griffie is op 14 mei 2010 een faxbericht ontvangen van mr. M. Wierts met als bijlage het eindrapport van Elker d.d. 12 mei 2010 .

De rechtbank heeft de zaak verder behandeld ter zitting met gesloten deuren van 27 mei 2010. Daarbij zijn partijen gehoord, bijgestaan door hun raadslieden. Tevens is verschenen mevrouw I. van Dijk namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (de Raad).

Mr. Wierts heeft op deze zitting een pleitnota overgelegd.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt hier over hetgeen werd overwogen en beslist in haar beschikking van

25 augustus 2009. Hierbij is de beslissing met betrekking tot de beslissing omtrent het gezag over het minderjarige kind van partijen

[minderjarige], geboren [in 1999] in de

gemeente [***];

en de omgangsregeling tussen de man en deze minderjarige aangehouden in afwachting van het rapport van de Raad.

Advies van de Raad

De Raad adviseert om het verzoek van moeder, om haar alleen met het gezag te belasten, af te wijzen en het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand te laten.

De Raad is voorts van mening dat het definitief stopzetten van de omgang tussen [minderjarige] en haar vader, niet in haar belang is. [minderjarige] heeft altijd omgang met haar vader gehad en heeft een band met hem. Omdat [minderjarige] veel heeft meegemaakt en vooruitgang boekt mede door de rust vanwege het niet hebben van omgang en hulpverlening is de Raad voorts van mening dat zij niet gebaat is bij een intensieve omgangsregeling en aan het weer plaatsvinden van contact tussen [minderjarige] en haar vader voorwaarden dienen te worden verbonden. Om die reden adviseert de Raad, nu vader niet heeft meegewerkt aan de BOR regeling, een voorlopige door Humanitas begeleide omgangsregeling vast te stellen met als voorwaarde dat ouders zich laten verwijzen naar de GGZ om zich te laten begeleiden teneinde de onderlinge relatie en communicatie vorm te geven ten behoeve van een zelfstandige omgangsregeling tussen [minderjarige] en vader.

Beoordeling

Gezag

Ingevolge artikel 253n, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan het gezamenlijk gezag beëindigd worden indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De vrouw heeft gesteld dat sedert de echtscheidingsbeschikking sprake is van een wijziging van omstandigheden. Zij heeft naar voren gebracht dat ook uit het raadsrapport blijkt dat sprake is van dusdanige ernstige communicatieproblemen dat [minderjarige] ernstige problemen is gaan ontwikkelen. Elk overleg heeft in het verleden tot ruzies en bedreigingen geleid, ook in het bijzijn van [minderjarige]. De vrouw heeft voorts naar voren gebracht dat zij vanwege (doods)bedreigingen bang is voor de man. De vrouw heeft ten slotte geen enkel vertrouwen in de man omdat hij liegt en er allerlei problemen bij hem lijken te spelen waar geen enkel zicht op bestaat.

De man heeft naar voren gebracht dat de vrouw hem niet toelaat in het gezag en hij de vrouw niet belemmert in de uitoefening daarvan. De man heeft voorts de beschuldigingen die door de vrouw zijn geuit weersproken.

In het tweede lid van artikel 253n BW is het eerste lid van artikel 251a van overeenkomstige toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 251a, eerste lid BW, kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat partijen niet in staat zijn gebleken op een positieve wijze invulling te geven aan de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. Niet valt te verwachten dat hier binnen afzienbare termijn een verandering in zal komen. De slechte verstandhouding bestaat reeds jaren en is op geen enkele wijze genormaliseerd. Mediation en BOR zijn daartoe vergeefs ingezet, waarbij de BOR niet tot stand is gekomen omdat de man zijn medewerking heeft geweigerd.

Nu er kennelijk geen constructief overleg tussen de ouders mogelijk is, de ouders als gevolg daarvan niet in staat zijn invulling te geven aan het gezamenlijk gezag en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in zal komen, acht de rechtbank, anders dan de Raad, een voortzetting van het gezamenlijk gezag niet verantwoord.

Bij de vrouw ontbreekt elk vertrouwen in de man wegens (doods)bedreigingen en agressie. De man ontkent dat daar sprake van is maar de rechtbank kan en wil er niet aan voorbij gaan dat de man in 2008 is veroordeeld voor verdenking van mishandeling en huiselijk geweld en voorts uit het raadsonderzoek is gebleken dat de man meermalen in de systemen van de regiopolitie voorkomt wegens bedreigingen in de richting van ex-partners en overkomt als agressief en met weinig respect voor regels. Voorts valt op dat volgens de informatie van de school [minderjarige], sedert het stopzetten van de omgang met de man, geen verschrikkelijke verhalen meer vertelt en zij enorm in positieve zin is veranderd.

Ook bij de man ontbreekt een vertrouwen in de vrouw. De man is van mening dat er sprake is van een lastercampagne en geeft ter zitting aan voornemens te zijn aangifte te doen wegens smaad.

De rechtbank is er voldoende van overtuigd geraakt dat [minderjarige] (mede) ten gevolge van de strijd tussen haar ouders klem of verloren is geraakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dienaangaande dat hulpverlening voor [minderjarige] is gestart omdat sprake lijkt/leek te zijn van parentificatie en zij een oververantwoordelijke rol heeft/had naar haar ouders. [minderjarige] heeft haar behandeling positief afgerond maar het staat vast dat zij kwetsbaar blijft in periodes van stress of bij gebeurtenissen die emotioneel voor haar zijn.

De wens van vader om het gezamenlijk gezag te handhaven, weegt minder zwaar dan het belang van [minderjarige] bij een stabiele opvoedingssituatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Dat de man het hoofdverblijf van [minderjarige] niet ter discussie stelt en het pedagogisch gezag van de vrouw niet ondermijnt, zoals de Raad in het rapport opmerkt, maakt dit oordeel niet anders.

Omgang

Ingevolge artikel 377a, derde lid BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De vrouw heeft gesteld dat de gronden voor ontzegging aanwezig zijn. De vrouw heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] een duidelijke verbetering in haar gedrag, ontwikkeling en prestaties laat zien sinds zij geen omgang meer heeft met de man en hulpverlening is ingezet. De vrouw verwijst dienaangaande naar het eindrapport van Elker. Hervatting van het contact kan leiden tot een terugval. De vrouw heeft daarbij als extra punt van zorg naar voren gebracht dat de man de adviezen van de hulpverlening als onnodig afdoet en daar nimmer aan heeft meegewerkt. Voorts zijn de zorgen over het functioneren en de mogelijkheden van de man als vader ten onrechte niet in het onderzoek van de Raad mee genomen. Zo ontbreekt informatie van de huisarts van vader, informatie van de politie te Assen, VNN, reclassering, en AFPN. Ook is er geen huisbezoek afgelegd.

De man heeft aangegeven dat hij alle medewerking wil verlenen om de omgang weer op gang te brengen. Hij heeft hulp voor zichzelf ingeschakeld en deze kan ook worden ingezet voor het begeleiden van de omgang, mits er een opdracht is van de rechtbank. Hij zal daartoe informatie inwinnen bij de GGz.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige] sedert het uiteengaan van de ouders (nog geen jaar na haar geboorte) tot begin 2008 langere periodes omgang met de man heeft gehad. Behoud van het contact tussen de man en [minderjarige] is om die reden in beginsel dan ook in het belang van [minderjarige].

Echter ook is vast komen te staan dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt en zij, mede door de rust van het niet hebben van omgang met de man, een duidelijke verbetering heeft laten zien in haar gedrag, ontwikkeling en schoolprestaties.

Gelet op haar kwetsbaarheid en gelet op de omstandigheid dat er al enige tijd geen omgang is, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat reeds hierom - en nog los van de zorgen die er al dan niet terecht nog over de mogelijkheden van de man als vader bestaan - dit contact niet te frequent en alleen onder begeleiding kan plaatsvinden. Het is immers in het belang van [minderjarige] dat zij de positief ingezette lijn weet vast te houden.

De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen en een voorlopige omgangsregeling vastleggen, inhoudende dat er begeleid contact kan zijn tussen [minderjarige] en haar vader van één dagdeel van drie uur per twee maanden, mits de ouders zich laten begeleiden om de onderlinge relatie en communicatie vorm te geven ten behoeve van een zelfstandige omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader.

De ouders dienen zich hiertoe te wenden tot bureau jeugdzorg, zodat onderzocht kan worden welke instantie deze begeleiding op zich kan nemen, waarbij in acht genomen moet worden dat Elker heeft geadviseerd hiervoor een professionele kindwerker in te zetten. De ouders dienen zich te realiseren dat de verantwoordelijkheid voor een goed lopende omgangsregeling bij hen ligt. Zij zullen daarom deze begeleiding dienen te accepteren en werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie, opdat zij uiteindelijk zelf afspraken kunnen maken omtrent een omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar vader.

De rechtbank zal de beslissing over de definitieve omgang voor een periode van zes maanden aanhouden en de Raad verzoeken advies te geven over de definitieve omgang, waarbij actuele informatie betrokken dient te worden van bureau jeugdzorg en/of de instantie die de begeleiding van de omgang op zich heeft genomen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol zoals hieronder is vermeld.

BESLISSING

De rechtbank:

beëindigt het gezamenlijk gezag over het minderjarige kind van partijen [minderjarige] met ingang van heden;

bepaalt dat aan de vrouw het gezag over [minderjarige] toekomt;

stelt de volgende voorlopige omgangsregeling vast: gedurende één dagdeel van drie uur per twee maanden is er begeleid contact tussen de man en [minderjarige], mits de man en de vrouw zich laten begeleiden om de onderlinge relatie en communicatie vorm te geven als hiervoor is overwogen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing met betrekking tot de definitieve omgangsregeling aan en verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 januari 2011, met opdracht aan de Raad om de rechtbank en partijen uiterlijk op die roldatum schriftelijk te informeren over het verloop van de voorlopige omgangsregeling; de rechtbank zal de zaak vervolgens afdoen op de schriftelijke bescheiden, tenzij partijen (of één van hen) aangeven dat zij een nadere behandeling ter zitting wensen, in welk geval de griffier een zittingsdatum zal bepalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 20 juli 2010 in tegenwoordigheid van A. den Held als griffier.

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.