Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN5015

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
18/630152-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De man die door het openbaar ministerie is beschuldigd van het exporteren van 468 kg softdrugs naar Engeland is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Het openbaar ministerie had een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk gevorderd. De rechtbank legt een aanzienlijk lagere straf op omdat niet bewezen kan worden dat de man de tenlastegelegde hoeveelheid softdrugs heeft geëxporteerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan wèl worden bewezen dat de man verantwoordelijk is voor de uitvoer naar Engeland van soft drugs, maar de hoeveelheid is aanzienlijk lager.

Het voordeel dat de man heeft gehad van dit misdrijf en dat door het openbaar ministerie is gesteld op € 7.253,= wordt door de rechtbank bepaald op € 440,=.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630152-10 & 18/653057-07 (tul) promis

datum uitspraak: 16 augustus 2010

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. G.W. van der Zee

V O N N I S

van de rechtbank [plaats], meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [plaats],

thans preventief gedetineerd in [naam P.I.]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

2 augustus 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 7 juli 2008 tot en met 23 september 2009

te Drachten, gemeente Smallingerland, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, telkens

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, te weten naar Engeland,

althans Groot-Brittannië, heeft gebracht, totaal 468 kilo, althans grote

hoeveelheden of een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks 7 juli 2008 tot en met 14 september 2009 te Drachten,

gemeente Smallingerland, althans in Nederland, meermalen, tezamen en in

vereniging, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, althans aanwezig gehad, in totaal 468 kilo, althans een grote

hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Bewijsvraag

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert een veroordeling voor het primair tenlastegelegde.

Zij baseert dit op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], de schriftelijke bescheiden, afkomstig van [vervoersbedrijf], de verklaring van de [getuige 3], het proces-verbaal van onderzoek, alsmede de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte telkens de dozen voor verzending heeft aangeboden. Zij acht de uitvoer van 468 kilo hennep naar Engeland wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw voert aan dat alleen ten aanzien van de laatste drie, op 23 september 2009 door verdachte voor vervoer aangeboden, dozen wettig kan worden bewezen dat deze daadwerkelijk hennep bevatten. Ten aanzien van de overige zendingen ontbreekt daarvoor direct bewijs terwijl er verder ook onvoldoende feiten en omstandigheden in het dossier zijn te vinden om met behulp van zogenaamd schakelbewijs tot een bewezenverklaring van de aanwezigheid van hennep in de dozen te kunnen komen. De conclusie moet dan ook zijn dat slechts ten aanzien van de in de drie dozen op 23 september 2009 aangetroffen hoeveelheid van 21 kilo hennep, een op de uitvoer daarvan naar Engeland gericht voorwaardelijk opzet van verdachte wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

A)

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 augustus 2010, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik in de periode van 7 juli 2008 tot en met 23 september 2009 in Drachten een aantal keren dozen met inhoud voor verzending heb aangeboden aan [vervoersbedrijf]. De dozen kreeg ik in gesloten staat telkens op diverse plekken in Groningen overhandigd door een persoon wiens naam ik niet wil noemen. Ik was door iemand benaderd die mij vroeg of ik niet iemand kende die pakketjes wilde verzenden tegen betaling van €250,--. Van die persoon had ik een GSM gekregen en een paar keer een nieuw simkaartje voor die telefoon. Ik kreeg dan telefonisch instructies van die persoon wanneer er weer dozen waren die ik per auto naar [vervoersbedrijf] in Drachten moest brengen. Ik schat dat de dozen zo`n 5 à 6 kilo per stuk wogen. Het waren altijd dezelfde dozen, op dezelfde manier verpakt. Ik leverde ze af, gaf altijd mijn eigen adres te Groningen, op en betaalde voor het vervoer naar Engeland. Per keer dat ik dozen afleverde kreeg ik daarvoor € 250,-- betaald. Daarvan moest ik wel de vervoerskosten voor de dozen, zo`n €50,-- per doos, betalen en de benzinekosten die ik maakte. Het klopt dat mijn broer [naam] een paar keer met mij mee naar Drachten is gereden.

B)

Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van [getuige 1] nummer 2009100376-4 d.d. 23 september 2009, opgenomen op pagina 33 en 34 van het dossier nummer 2010002497 d.d. 21 juni 2010, verder te noemen “het dossier”, zakelijk weergegeven:

Vandaag 23 september 2009 kwam er een man met drie dozen die verzonden moesten worden naar twee adressen in Engeland. Deze man komt hier vanaf begin 2008. Hij komt hier gemiddeld 2 keer per week. Hij komt altijd samen met nog een manspersoon die in de auto blijft zitten. Vanuit de computer kon ik terug vinden dat dit gaat om: [verdachte], [adres] te Groningen. Het is voor ons opvallend dat hij dezelfde dozen verstuurt. Ik bedoel hiermee dat het altijd om dezelfde maten gaat met altijd exact dezelfde blauwe bandjes. [verdachte] schrijft standaard op de vrachtbrief dat het per pakket 5 kilogram is.

Vandaag was collega [getuige 2] aanwezig en heb ik mijn visie op deze klant gegeven. [getuige 2] heeft besloten om de pakketten te openen. We zagen dat er hennep in de dozen zat.

C)

Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van de [getuige 2] nummer 20091000376-2 d.d. 23 september 2009 opgenomen op pagina 37 en 38 van het onder B genoemde dossier, zakelijk weergegeven:

Ik was vandaag met collega [getuige 1] bij [vervoersbedrijf] in Drachten toen een man daar 3 dozen afleverde.

Ik ben bevoegd deze dozen te openen. Toen ik een doos opende zag ik dat hierin drie dozen zaten. Ik heb één van deze drie dozen opengemaakt en zag dat er een plastic zak in zat met een hoeveelheid wiet. Hierna heb ik de politie gebeld.

D)

Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van [getuige 3] nummer 2010002497-13 d.d. 22 april 2010 opgenomen op pagina 122 tot en met 129 van het onder B genoemde dossier, zakelijk weergegeven:

Ik ben een paar keer met mijn broer [naam] (lees: verdachte; toevoeging door de rechtbank) naar Drachten geweest waar mijn broer bij [vervoersbedrijf] dozen afleverde. Misschien ben ik vier of vijf keer meegeweest. Ik wist toen dat er wiet in die dozen zat. Dat heeft mijn broer mij verteld.

E)

Een proces-verbaal inhoudende kennisgeving van inbeslagneming nummer 2009100376-3 d.d. 23 september 2009 opgenomen op pagina 29 van het onder B genoemde dossier, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Op 22 september 2009 heb ik verbalisant in Drachten 3 dozen inbeslaggenomen. Een van de dozen was door een medewerker van [vervoersbedrijf] geopend. In deze geopende doos zat wiet, waarop alle drie dozen van dezelfde opdrachtgever in beslag zijn genomen.

F)

Een proces-verbaal van onderzoek nummer 2009100376-6 d.d. 1 februari 2010 opgenomen op pagina 18 tot en met 28 van het onder B genoemde dossier, zakelijk weergegeven:

Op 23 september 2009 was ik bij [vervoersbedrijf] in Drachten. Ter plaatse trof ik een drietal dozen waarvan er één geopend was en waarin transparant plastic zakken zaken met als inhoud plantaardig materiaal met de uiterlijke verschijningsvorm van gedroogde henneptoppen.

Doos 1, waarin zes foliepakken, bevatte in totaal 7,04 kg plantaardig materiaal.

De dozen 2 en 3 bleken respectievelijk 7,1 kg en 7,12 kg van het plantaardig materiaal te bevatten.

In totaal bevatten de dozen 21,26 kg inclusief de folie. Het geschatte gewicht exclusief de folie zal ongeveer 21 kg zijn geweest.

Vervolgens heb ik per omdoos een aantal monsters genomen en getest middels de narcotest. Bij het openen van de foliepakken zag en rook ik dat de plantaardige resten de kenmerken van hennep hadden. Bij het testen zag ik dat alle monsters positief reageerden op de aanwezigheid van THC, de werkzame stof van hennep.

G)

Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht van [vervoersbedrijf] met betrekking tot door verdachte afgeleverde postpakketten, ingevoegd als bijlage onder pagina 59 van het onder B genoemde dossier, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Tussen 7 juli 2008 en 23 september 2009 zijn in totaal 90 postpakketten met een opgegeven totaalgewicht van 468 kilo verzonden, dan wel ter verzending aangeboden.

Ten aanzien van de hiervoor met betrekking tot de bewijsvraag weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Bewijsmotivering

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna is vermeld. Om te beginnen staat vast dat verdachte op 23 september 2009 in Drachten drie pakketten voor verzending naar Engeland aan [vervoersbedrijf] in Drachten heeft aangeboden. Na opening van die pakketten en controle en tests van de inhoud daarvan door de politie is komen vast te staan dat de dozen hennep bevatten, in totaal ongeveer 21 kilogram. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat er hennep in de dozen zat acht de rechtbank ongeloofwaardig. Daarvoor is het volgende van belang. Vast staat dat de door verdachte in de tenlastegelegde periode aan [vervoersbedrijf] aangeboden pakketten qua model, maat en wijze van sluiting (blauwe bandjes) telkens identiek waren en dat elk pakket gemiddeld tenminste 5 kilo woog. Gemiddeld werden per keer 2 pakketten aangeboden. Verdachte kreeg volgens eigen zeggen altijd op dezelfde wijze de beschikking over de pakketten. De broer van verdachte [getuige 3] heeft tegenover de politie verklaard dat hij een aantal keren (4 à 5 keer) mee ging met verdachte wanneer deze die pakketten / dozen via aflevering bij [vervoersbedrijf] in Drachten naar Engeland deed vervoeren. Volgens de broer [getuige 3] had verdachte hem verteld dat er dan “wiet” in de pakketten zat. Op grond hiervan is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte in elk geval op 23 september 2009 en in de periode daarvoor 4 à 5 keer, pakketten voor export naar Engeland heeft aangeboden terwijl hij wist dat daarin wiet / hennep was verpakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode een aantal keren opzettelijk grote hoeveelheden hennep buiten het grondgebied van Nederland, naar Engeland, heeft gebracht. Het moet, gelet op het vorenstaande, ervoor worden gehouden dat het in totaal betreft tussen de 61 en 71 kilo (op 23 september 2009 21 kilo, waarbij opgeteld 4x à 5x gemiddeld 2 pakketten à 5 kilo) hennep.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 7 juli 2008 tot en met 23 september 2009

te Drachten, gemeente Smallingerland, en/of elders in Nederland, meermalen, telkens

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, te weten naar Engeland, heeft gebracht, grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht het onder het primair meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zij vordert tevens de oplegging van de bijzondere maatregel van reclasseringstoezicht onder meer inhoudende een meldingsgebod, een COVA-training, een gedragsbeïnvloedende maatregel, een behandelverplichting en een drugsverbod.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de strafeis van de officier van justitie buitensporig is. De raadsvrouw verwijst hierbij naar verschillende uitspraken, onder meer van deze rechtbank. Hieruit blijkt volgens de raadsvrouw dat in soortgelijke en zelfs zwaardere gevallen, gelet op de rol van verdachte in het onderhavige, aanzienlijk lichtere straffen zijn opgelegd.

Zij pleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en voor een voorwaardelijke gevangenisstraf of werkstraf om hieraan de bijzondere voorwaarden te koppelen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, de justitiële documentatie van verdachte, alsmede de over verdachte opgemaakte rapportage door de Reclassering d.d. 29 juli 2010.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal keren schuldig gemaakt aan de uitvoer uit Nederland van een aanzienlijke hoeveelheid hennep naar Engeland.

Verdachte heeft met zijn handelwijze een aandeel gehad in de handel in softdrugs en daarmee burgers, zowel in binnen- als buitenland, blootgesteld aan de schadelijke uitwerking van verdovende middelen. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke gezondheid. Daarnaast is het algemeen bekend dat drugsgebruik en de handel in softdrugs op deze schaal gepaard gaan met criminaliteit, hetgeen doorgaans overlast geeft en leidt tot grote maatschappelijke onrust.

De rechtbank rekent verdachte het bewezenverklaarde zwaar aan te meer nu dit, gelet op verdachtes justitiële documentatie, niet de eerste keer is dat verdachte veroordeeld is voor Opiumwet gerelateerde feiten. De rechtbank komt echter tot een veel gematigder straf dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank verdachte van een groot deel van de tenlastelegging zal vrijspreken

Naar het oordeel van de rechtbank is een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Het is aan verdachte om te laten zien dat hij afstand heeft genomen van zijn verleden en dat hij voornemens is een andere wending aan zijn leven te geven, zoals door hem ter terechtzitting is verklaard. De rechtbank acht het niet nodig de verdachte een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen naast de hierna bepaalde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

onder parketnummer: 18/653057-07

De officier van justitie heeft op 16 juni 2010 grond van het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 18 april 2008 gevorderd dat de rechtbank een last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven.

Veroordeelde is bij voormeld vonnis veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Blijkens in genoemde vordering vermeld dossier onder parketnummer 18/630152-10 heeft de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, waarvoor nu een veroordeling volgt.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling wordt afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling, gelet op de bovengenoemde standpunten en het bijna verstrijken van de destijds opgelegde proeftijd, thans niet meer opportuun is. Daarom zal de vordering van de officier van justitie worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) MAANDEN.

beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 17 augustus 2010.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in bovengenoemde rechtbank d.d. 18 april 2008 onder parketnummer 18/653057-07.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en

S. Tempel, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Mulder, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2010.