Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN4893

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
16-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
18650268-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tegen de man die een poging tot zware mishandeling heeft gepleegd heeft het openbaar ministerie 5 maanden gevangenisstraf geëist. De rechtbank matigt deze eis: de rechtbank veroordeelt hem tot een werkstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen omdat het aandeel van de man in de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanzienlijk geringer was dan dat van zijn mededader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/650268-10 (promis)

datum uitspraak: 16 augustus 2010

op tegenspraak

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [plaats, [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 augustus 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

hij op of omstreeks 11 september 2009 te Hoogezand, gemeente

Hoogezand-Sappemeer, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans

alleen, aan een persoon te weten [aangever], opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten

een gebroken neus, een breuk aan de onderrand van de oogkas, een breuk van de

voorwand van de neusbijholte links, een (zware) hersenschudding/-kneuzing, het

verlies van de voortand linksboven), heeft toegebracht, door deze opzettelijk,

na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk

- een of meerdere kopstoten te geven

- een of meerdere malen met gebalde vuist te slaan tegen het gezicht en/of het

hoofd

- een of meerdere malen te slaan tegen het hoofd, althans het lichaam;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 september 2009 te Hoogezand, gemeente

Hoogezand-Sappemeer, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans

alleen, aan een persoon te weten [aangever], opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten

een gebroken neus, een breuk aan de onderrand van de oogkas, een breuk van de

voorwand van de neusbijholte links, een (zware) hersenschudding/-kneuzing, het

verlies van de voortand linksboven), heeft toegebracht, door deze opzettelijk,

na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk

- een of meerdere kopstoten te geven

- een of meerdere malen met gebalde vuist te slaan tegen het gezicht en/of het

hoofd

- een of meerdere malen te slaan tegen het hoofd, althans het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 september 2009 te Hoogezand, gemeente

Hoogezand-Sappemeer, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans

alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk

mishandelend, een persoon, [aangever], opzettelijk, na kalm beraad en

rustig overleg, althans opzettelijk

- een of meerdere kopstoten heeft gegeven

- een of meerdere malen met gebalde vuist heeft geslagen tegen het gezicht

en/of het hoofd

- een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen,

tengevolge waarvan die [aangever] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;

art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 301 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting het feit erkend.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting, zakelijk weergegeven:

Op 11 september 2009 heb ik [aangever] geslagen en een kopstoot gegeven. Ik heb gezegd dat ik hem zou pakken omdat ik hem nu in Hoogezand trof, anders zou hij mij in Groningen te grazen nemen.

een proces-verbaal, d.d. 17 september 2009, opgenomen als blz. 31 e.v. in het dossier met nummer 2009090938 (hierna aangeduid als politiedossier), inhoudende een verklaring van [aangever], zakelijk weergegeven:

Op 11 september 2009 ben ik met mijn nichtje [betrokkene 1] en haar vriendin [getuige] naar het winkelcentrum in Hoogezand gegaan, naar [winkel].

Omstreeks 20.30 uur kwam het ex-vriendje van [betrokkene 1], [verdachte] er aan. Hij was met [medeverdachte]. Met [verdachte] heb ik eerder een confrontatie gehad.

[verdachte] zei ‘hoi’ tegen mij en tegelijk haalde hij naar mij uit. Ik werd niet geraakt en ik pakte hem vast, zodat hij mij niet weer kon slaan. Terwijl ik hem vast had gaf hij mij een kopstoot. Ik heb daarna [verdachte] een kopstoot gegeven. Op een gegeven drukte ik [verdachte] naar de grond en was ik bezig een wurggreep aan te leggen. Toen ik daar mee bezig was voelde ik een harde klap op mijn achterhoofd. Ik werd duizelig en liet [verdachte] los. Ik stond op. Ik wilde me omdraaien, maar kreeg op dat moment nog een klap. Deze klap kreeg ik precies op het moment dat ik mijn hoofd de andere kant op wendde. Ik kreeg de klap recht in mijn gezicht op mijn neus en oogkas. Hierdoor viel ik op de grond en zag ik dat ik bloed spuugde. Door de klap voelde mijn hele gezicht verdoofd aan. Ik heb door de klap ook veel pijn gehad. Ik voelde dat mijn neus na deze klap scheef op mijn gezicht stond. Ik probeerde te gaan zitten, maar dat lukte niet door de klappen die ik gehad had.

Ik ben toen maar op de grond blijven liggen en heb daar gewacht. Ik was toen buiten bewustzijn. Het volgende wat ik mij weer kan herinneren was in het ziekenhuis bij de spoedeisende hulp van het Universitair Medisch Centrum Groningen in Groningen. In het ziekenhuis ben ik op 12 september om 10.00 uur geopereerd aan mijn oogkas, neus en tand. Mijn linker voortand aan de bovenkant hebben ze nog geprobeerd te redden maar dat is niet gelukt. De tand is er nu uit.

een proces-verbaal, d.d. 23 september 2009, opgenomen als blz. 40 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige], zakelijk weergegeven:

[verdachte] en [aangever] begonnen te vechten.

Ik zag vervolgens dat [medeverdachte] naar [aangever] toe rende en hem vervolgens met zijn gebalde vuisten op het achterhoofd sloeg.

Toen ik omkeek zag ik dat [medeverdachte] naast [aangever] stond en ik zag dat [medeverdachte] met zijn rechter vuist een keiharde klap gaf tegen het aangezicht van [aangever]. Als gevolg van die klap viel [aangever] achterover tegen aanwezig rekjes en ik zag bloed uit het gezicht van [aangever] komen.

een proces-verbaal, d.d. 16 november 2009, opgenomen als blz. 51 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [medeverdachte], zakelijk weergegeven:

Ik was op 11 september 2009 samen met een paar vrienden in het winkelcentrum in Hoogezand.

Plotseling zei [verdachte] tegen mij: “Daar staat het nieuwe vriendje van [betrokkene 1].” Hij zei verder: ”Ik pak hem nu want als ik in de stad ben pakte hij mij.” Ik keek en zag een mij onbekende jongen staan in de [winkel]. [verdachte] ging de winkel in ik ging met hem mee. Ik zag dat [betrokkene 2] met ons de winkel in liep. [verdachte] ging onmiddellijk de confrontatie aan met de jongen. Ik zag dat [verdachte] het niet ging redden tegen hem en ik wilde [verdachte] helpen. Ik werd tegengehouden door [betrokkene 1]. Ik riep tegen haar: “Laat me los, ik wil me er mee bemoeien.” Ik rende toen in de richting van [verdachte]. Ik zag dat [betrokkene 2] de jongen met zijn vuist een klap op het achterhoofd gaf. Toen ze met hun drieën bleven vechten vond ik dat ik [verdachte] moest helpen. Ik heb de onbekende jongen vervolgens een harde klap gegeven met mijn rechter vuist tegen de rechterkant van zijn gezicht. Ik wilde hem uitschakelen.

Ik ben een geoefend vechter. Ik heb 2e dan karate. Ik weet dat mijn handen wapens zijn. Als ik iemand een slag geef kan dit dodelijk zijn.

een schriftelijk stuk, te weten een medische verklaring d.d. 6 november opgenomen als blz. 59 e.v. in het politiedossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij onderzoek bleek sprake van een gebroken neus met scheefstand naar rechts en een breuk van de onderrand van de oogkas en de voorwand van de neusbijholte links, voorts een hersenschudding/-kneuzing.

Operatief werd de neus recht gezet en de andere breuken werden gezet en gestabiliseerd. Tijdens deze operatie bleek ook de voortand linksboven verloren te zijn gegaan.

De rechtbank leidt uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende af.

Op 11 september 2009 heeft verdachte in een [winkel] een ex-vriendin van hem zien staan vergezeld van haar nieuwe vriend [aangever]. Verdachte is de winkel binnengestapt, gevolgd door [medeverdachte] en heeft tegen [aangever] gezegd:

“Jij zou mij pakken in Groningen en nu je in Hoogezand bent pak ik jou.” Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer geslagen en een kopstoot gegeven, waarna zij beiden in gevecht raakten en buiten de winkel terechtkwamen. Daar kwam verdachtes mededader zich bij hen voegen om zich ermee te bemoeien. De mededader sloeg het slachtoffer tweemaal tegen het achterhoofd en, toen het slachtoffer zich omdraaide, eenmaal tegen het gezicht.

Als gevolg daarvan liep het slachtoffer een gebroken neus, een gebroken onderrand van de

oogkas en een gebroken voorwand van de neusbijholte links op. Tevens was er sprake van een hersenschudding of hersenkneuzing en werd een voortand los geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit het geval geen sprake is van voorbedachte raad. Weliswaar heeft verdachte mogelijk de gelegenheid gehad om zich te beraden over zijn voornemen om een (verbale) confrontatie met het latere slachtoffer aan te gaan, maar uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de voorbedachte raad gericht is geweest op de zware mishandeling.

Met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen is de rechtbank van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte samen met de medeverdachte het strafbare feit heeft gepleegd. Eveneens blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat er tussen verdachte en de medeverdachte sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de mishandeling van aangever.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 september 2009 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon te weten [aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken neus, een breuk aan de onderrand van de oogkas, een breuk van de voorwand van de neusbijholte links, een (zware) hersenschudding/-kneuzing, het verlies van de voortand linksboven), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- kopstoten te geven

- meerdere malen met gebalde vuist te slaan tegen het gezicht en het hoofd

- meerdere malen te slaan tegen het hoofd;

De rechtbank acht hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen acht levert het volgende strafbare feit op:

Medeplegen van zware mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu geen schulduitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het primair ten laste gelegde feit te veroordelen tot vijf maanden gevangenisstraf. Daarbij heeft zij met name aangevoerd dat sprake is van een ernstig feit, terwijl omtrent verdachte weinig bekend is nu hij niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een reclasseringsrapport.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft gepleit voor een werkstraf omdat een vrijheidsstraf zijn werk in gevaar zou brengen. Ook heeft verdachte zich bereid verklaard elektronisch toezicht te willen ondergaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, alsmede het uittreksel uit de justitiële documentatie.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met zijn mededader aanvallen van het slachtoffer waarbij verdachte in eerste instantie heeft geslagen en een kopstoot heeft gegeven, terwijl de mededader vervolgens het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Een en ander gebeurde op een winkelavond in een winkelcentrum, waarbij publiek aanwezig was. Het is algemeen bekend dat openlijk geweld een schokkend effect heeft op de mensen die daarmee geconfronteerd worden.

Voor een dergelijk strafbaar feit kan in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf worden opgelegd. De rechtbank houdt er echter rekening mee dat het aandeel van verdachte in de mishandeling aanzienlijk geringer is geweest dan dat van zijn medeverdachte. Gelet hierop acht de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, passend en geboden. Hierbij speelt een rol dat verdachte, volgens zijn eigen verklaring, zijn persoonlijke omstandigheden op orde heeft, welke situatie door een gevangenisstraf onevenredig nadelig doorkruist zou worden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd, bestaande uit een werkstraf.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd opdat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 150 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

een gevangenisstraf voor de duur van TWEE MAANDEN.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink , voorzitter, L.H.A.M. Voncken en S. Tempel, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2010.