Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN4540

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
16-09-2010
Zaaknummer
18/630014-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrifte

Oplichting

Verdachte heeft formulieren Bericht Tegemoetkoming Ouderbijdrage valselijk opgemaakt dan wel vervalst door op deze formulieren willekeurige namen en geboortedata van al dan niet bestaande personen en door die personen gevolgde opleidingen en studies en bankrekeningnummers waarvan verdachte rekeninghouder was, in te vullen.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting door een formulier Bericht Tegemoetkoming Ouderbijdrage op te maken met daarop vermeld willekeurige namen en geboortedata van al dan niet bestaande personen en door die personen gevolgde opleidingen en studies en bankrekeningnummer waarvan verdachte rekeninghouder was. Aldus werd benadeelde bewogen tot afgifte van een som geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630014-08 (Promis)

datum uitspraak: 12 juli 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. D.C. Keuning

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [plaats],

aan de [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 november 2009, 8 maart 2010 en 28 juni 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 1 december 2007 te Groningen en/of Assen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) formulier(en) Bericht Tegemoetkoming Ouder(bijdrage) – zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op genoemde formulier(en) (telkens) een (willekeurige) na(a)m(en) en/of geboortedatum/data van (een) al dan niet bestaande perso(o)n(en) en/of

door die vermelde perso(o)n(en) gevolgde opleiding(en) en/of studie(s) en/of (een) bankrekeningnummer(s) waarvan hij, verdachte, (mede) rekeninghouder was, ingevuld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 1 december 2007 te Groningen en/of Assen, althans in Nederland,(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de [aangever] heeft bewogen tot de afgifte van een totaalbedrag van 44.954,99 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meermalen, althans eenmaal (een) formulier(en) Bericht Tegemoetkoming Ouder(bijdrage) opgemaakt met daarop vermeld (een) (willekeurige) na(a)m(en) en/of geboortedatum/data van (een) al dan niet bestaande perso(o)n(en) en/of door die vermelde perso(o)n(en) gevolgde opleiding(en) en/of studie(s) en/of (een) bankrekeningnummer waarvan hij, verdachte,(mede) rekeninghouder was, waardoor de [aangever] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 1 december 2007 te Groningen en/of Assen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en), te weten een totaalbedrag van 44.954,99 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) of goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker

op de afdeling integrale klantenafhandeling, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden voor de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 juli 2007. De officier van justitie heeft aangevoerd dat in totaal 18 digitale formulieren zijn aangemaakt. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 januari 1991 (NJ 1991, 668) zijn deze digitale formulieren aan te merken als geschriften in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft steeds opleidingen uitgezocht waarvoor een hoge toelage werd toegekend. Tevens heeft verdachte gebruik gemaakt van de door hem gekende hiaten in de controles. Bovendien heeft hij ervoor gezorgd dat controles niet konden worden uitgevoerd als gevolg van door hem ingevoerde speciale codes. Er is sprake van een meerdaadse samenloop.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat cliënt steeds openheid heeft gegeven met betrekking tot zijn frauduleus handelen. De raadsman wijst op de persoonlijke omstandigheden binnen het gezin van cliënt. Zijn echtgenote was ernstig ziek en het gezinsbudget versmalde. Daarnaast is cliënt onvoldoende oplettend geweest op zijn financiën. Het ging steeds om kleine bedragen. Cliënt is later geschrokken toen hij het totale bedrag zag. Hij probeerde tegemoet te komen aan financiële pijn. Cliënt heeft kranten en folders rondgebracht om geld op tafel te krijgen teneinde de schuld aan de [aangever] terug te betalen. Daarna is hij aan het werk gegaan als chauffeur. Het huis dreigde op een gegeven moment gedwongen te worden geveild in verband met het niet nakomen van de hypothecaire verplichtingen. De [aangever] zou in dat geval nog veel verder van huis zijn geweest, zoals bekend is de hypotheekverstrekker immers preferent. Cliënt had het probleem graag in der minne willen oplossen maar vond geen gehoor bij de [aangever].

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Ik heb gedaan wat de officier van justitie zojuist heeft genoemd. In 2005 is het inderdaad zo gegaan. Het ging gemakkelijk en de situatie waarin ik op dat moment zat zorgde ervoor dat ik ermee door ging. Ik heb ook nog betalingen ontvangen in 2007. Ik heb steeds voor niet geregistreerde opleidingen gekozen. Ik kon niet in mijn eentje de schulden kwijtschelden. Daarvoor was ook een paraaf nodig van mijn meerdere. Er zaten gaten in het systeem, ik heb daarvan gebruik gemaakt.

De plagerijen van [aangever] zijn reeds begonnen tijdens de geboorte van mijn zoon. Daarna kreeg ik per abuis eenmaal een groot bedrag op mijn rekening gestort door de [aangever]. Ik moest het geld terug betalen. Ik ben door de fout van de [aangever] op bijstandsniveau gezet.

Ik moest ook nog een ander bedrag terugbetalen. Ik kwam ik de problemen met mijn vaste lasten en toen zijn de stoppen doorgeslagen. Mijn echtgenote wist er niets van. Ik heb de rekeningafschriften achtergehouden. U vraagt mij wat ik met het geld heb gedaan. Ik heb schulden afgelost en roodstaande rekeningen aangevuld. Er is momenteel loonbeslag gelegd op mijn rekening. Op een gegeven moment word je wakker en zie je wat je hebt aangericht, Niet alleen voor de [aangever], maar ook voor mijn gezin. Ik vind de schadeclaim absurd hoog.

Een proces-verbaal met nummer 08-001651 UFO 155 met daarin op pagina 6 tot en met 41 een beschrijving van een 18-tal zaken waarin door de [aangever] aangifte is gedaan

Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 18 oktober 2007, opgenomen als bijlage 2 van voornoemd proces-verbaal

Verkort weergegeven: Ik doe aangifte van het plegen van handelingen strafbaar gesteld in artikel 225 WvSr, subsidiair artikel 326 Sr, meer subsidiair 227a en 227b Sr.

Uit intern onderzoek is gebleken dat [verdachte], werkzaam bij de [aangever], aanvragen Tegemoetkoming ouders heeft opgevoerd voor de schooljaren 2004/2005, 2005/2006 en 2006/2007. Verdachte heeft bij de opvoering van voornoemde aanvragen kinderen opgevoerd en daaraan natuurlijke personen gekoppeld die niet de wettelijke vertegenwoordigers zijn van deze opgevoerde kinderen.

Verdachte heeft bij meerdere aanvragen een Bureau Bewindvoering Z-Limburg opgevoerd met als adressering [adres].

Voor de uitbetalingen van de tegemoetkomingen heeft verdachte zijn eigen rekeningnummer bij de Postbank [nummer] of rekeningnummer [nummer] t.n.v. verdachte en/of zijn echtgenote. Uit onderzoek is gebleken dat er geen documenten aanwezig zijn van de door verdachte opgevoerde aanvragen.

In totaal is aldus, althans voor zover nu bekend, over de periode 2004/2005, 2005/2006 en 2006/2007 een bedrag ad. 42.601,13 euro op eerdergenoemde rekeningen bijgeschreven.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 juli 2007 te Groningen, meermalen,

telkens een formulier Bericht Tegemoetkoming Ouder(bijdrage) – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op genoemde formulieren telkens willekeurige namen

en geboortedata van al dan niet bestaande personen en door die vermelde personen gevolgde opleidingen en/of studies en bankrekeningnummers waarvan hij, verdachte, (mede) rekeninghouder was, ingevuld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 juli 2007 te Groningen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de [aangever] heeft bewogen tot de afgifte van een totaalbedrag van 44.954,99 euro, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid meermalen, een formulier Bericht Tegemoetkoming Ouder(bijdrage) opgemaakt met daarop vermeld willekeurige namen en geboortedata van al dan niet bestaande personen en door die vermelde personen gevolgde opleidingen en/of studies en een bankrekeningnummer waarvan hij, verdachte,(mede) rekeninghouder was, waardoor de [aangever] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1.

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

2.

Oplichting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht zoals geadviseerd in het rapport van de Reclassering Nederland van 4 november 2009.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, gepleit dat de straf zoals geëist door de officier van justitie geschikt is vanuit het oogpunt van normhandhaving.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 4 november 2009, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte gedurende een lange periode steeds geraffineerd en slinks te werk is gegaan. De verdachte heeft de delicten gepleegd in de uitoefening van zijn beroep. Verdachte heeft misbruik gemaakt van door hem uit hoofde van zijn functie bekende hiaten in de controle. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschaad. De rechtbank wenst hierbij echter op te merken dat als gevolg van gebrekkige controlesystemen bij de werkgever, verdachte lange tijd ongemerkt de bewezen verklaarde handelingen heeft kunnen verrichten.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat, zoals blijkt uit het genoemde reclasseringsrapport, het recidiverisico laag is.

De rechtbank houdt voorts rekening met de inhoud van een uittreksel uit het algemeen documentatieregister omtrent verdachte d.d. 21 oktober 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank acht het, gelet op het reclasseringsadvies, wenselijk dat verdachte onder toezicht van de Reclassering een budgetteringscursus gaat volgen, teneinde te voorkomen dat verdachte als gevolg van financiële problemen wederom strafbare feiten zal plegen.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd de [benadeelde partij], ten tijde van deze uitspraak genaamd [benadeelde partij], gevestigd te Groningen.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard nu reeds een executoriale titel aanwezig is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard nu inzake de hoofdsom reeds een executoriale titel aanwezig is. Het overige deel van de vordering dient te worden afgewezen nu dit geen rechtstreekse schade betreft als bedoeld in de wet.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank beschikt [benadeelde partij] voor het bedrag van de hoofdsom ter grootte van € 45.269,74 reeds over een executoriale titel nu tussen verdachte en [benadeelde partij] een vaststellingsovereenkomst is gesloten, en bestaat derhalve geen belang om zich voor dit deel van de vordering te voegen in het strafproces. Hieraan doet niet af dat verdachte zich niet meer aan deze overeenkomst gebonden acht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zodanig eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in dit strafproces.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 60 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op

2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank waardeert de eerste 60 dagen die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op twee uren werkstraf per dag en voor wat betreft de overige dagen op één uur per dag.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde. Deze voorwaarde houdt ook in het volgen van een budgetteringscursus.

Verklaart de benadeelde partij de [benadeelde partij], gevestigd te [plaats],

in haar vordering niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. F.J. Agema, voorzitter, H.L. Stuiver en S. Tempel, in tegenwoordigheid van mr. L.J.A.M. van den Muijsenberg, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juli 2010.