Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN4000

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
119900 / HA RK 10-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wegens strijd met de goede procesorde. In de door verzoekster reeds aanhangig gemaakte bodemprocedures is door verweerders geantwoord en heeft een comparitie plaatsgevonden; beide zaken staan thans voor vonnis. Thans staat derhalve niet vast dat er bewijs geleverd dient te worden en indien dit wel het geval zal zijn, waarvan bewijs zal moeten worden geleverd. In het geval op dit moment een voorlopig getuigenverhoor zal worden bevolen, zal de rechter die de getuigen moet horen voortdurend voor de vraag worden geplaatst of aan getuigen te stellen vragen relevant zijn c.q. of er méér of anders moet worden gevraagd dan op aanreiken van verzoekster mogelijk is. Tevens bestaat er het gevaar dat na een ‘gemankeerd’ voorlopig getuigenverhoor in de bodemzaken andermaal (wellicht dezelfde) getuigen moeten worden gehoord; dit is een nodeloos omslachtige route. Uit oogpunt van doelmatige procesvoering wordt geen mondelinge behandeling van het rekest bepaald, nu hetgeen verzoekster ter onderbouwing van haar verzoek heeft aangevoerd niet kan leiden tot toewijzing van het verzoek. Hetzelfde geldt voor hetgeen gerekestreerden eventueel zouden willen aanvoeren; zelfs als zij verzoekster zouden steunen in haar verzoek, zou dat de uitkomst niet anders maken, omdat de rechter de eindverantwoordelijkheid draagt voor de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 119900 / HA RK 10-288

Beschikking van 30 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AABO TRADING DRACHTEN B.V.,

statutair gevestigd te Drachten,

verzoekster,

advocaat mr. R. Gijsen,

tegen

1. [verweerder 1],

wonende aan [adres] te [woonplaats],

2. [verweerder 2],

wonende aan [adres] te [woonplaats],

verweerders.

1. De procedure

1.1. Verzoekster heeft een verzoekschrift ex artikel 186, tweede lid, Rv ingediend; ambtshalve wordt daarop thans terstond beslist.

2. De beoordeling

2.1. In haar verzoekschrift heeft verzoekster gesteld dat zij in de door haar reeds aanhangig gemaakte bodemprocedures verweerders heeft aangesproken tot betaling van

tot op heden door T&K Dakwerken onbetaald gebleven facturen ten bedrage van

EUR 73.336,29. Verweerder 1 is aangesproken uit hoofde van onrechtmatig daad, omdat hij als feitelijk bestuurder, feitelijk leidinggevende en/of feitelijke beleidsbepaler betrokken is geweest bij het thans gefailleerde T&K Dakwerken alsook bij de door deze vennootschap bij verzoekster ingekochte goederen en diensten, terwijl hij ervan op de hoogte was dat T&K Dakwerken de daaraan verbonden kosten niet aan verzoekster zou kunnen voldoen. Verweerder 2 is eveneens aangesproken uit hoofde van onrechtmatige daad, gezien het feit dat hij als (middellijk) bestuurder wist of moest weten dat betaling van de door T&K Dakwerken bij verzoekster ingekochte goederen en diensten niet zou kunnen worden gedaan. Gezien het verloop van de bodemprocedures zal, alvorens tot een eindbeslissing kan worden gekomen, het op het horen van getuigen aankomen. Daar het als vaststaand mag worden aangenomen dat met het verstrijken van tijd de herinnering zal vervagen, nog los van het feit dat de mogelijkheid bestaat dat diverse getuigen niet meer kunnen worden getraceerd of worden beïnvloed, wordt verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, waarbij de door verzoekster aangedragen tien getuigen gehoord zullen worden.

3. De beoordeling

3.1. In artikel 186, tweede lid, Rv is bepaald dat de rechter tijdens een aanhangig geding op verzoek van een partij een voorlopig getuigenverhoor kan bevelen. Een dergelijk verzoek komt slechts in bijzondere omstandigheden voor afwijzing in aanmerking. Daarvan kan sprake zijn indien de verzoeker geen belang heeft als bedoeld in art. 3:303 BW, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel of indien het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

3.2. Door de Hoge Raad is een voorlopig getuigenverhoor aldus omschreven dat het niet alleen beoogt mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd, alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat; een voorlopig getuigenverhoor strekt er volgens de Hoge Raad óók en vooral toe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.

3.3. Verzoekster heeft jegens de beide verweerders reeds bodemprocedures aanhangig gemaakt, zodat het vooraf opheldering krijgen omtrent de feiten teneinde haar duidelijkheid te geven tegen wie of op welke gronden het geding moet worden aangespannen het onderhavige verzoek niet kan schragen. Voorts is niet gesteld of gebleken dat bewijs verloren dreigt te gaan ánders dan dat herinneringen afnemen door tijdsverloop en dat er de mogelijkheid bestaat dan getuigen onvindbaar zijn of worden beïnvloed.

3.4. Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten is derhalve in overwegende mate ingegeven door de wens van verzoekster dat zo spoedig mogelijk feiten die in haar voordeel spreken, in rechte worden vastgesteld. Die wens verdraagt zich niet met de goede procesorde in die zin dat honorering van het verzoek leidt tot een onvoldoende bezonken en daarmee premature bewijsopdracht en (derhalve) tot een ondoelmatige procesvoering. In de door verzoekster aanhangig gemaakte bodemprocedures is door verweerders geantwoord en heeft reeds een comparitie plaatsgevonden; beide zaken staan thans voor vonnis. Gelet op deze stand van de procedures staat het op dit moment niet vast dat er bewijs geleverd dient te worden en indien dit wel het geval zal zijn, waarvan bewijs zal moeten worden geleverd. Dit brengt met zich dat in het geval thans een voorlopig getuigenverhoor zal worden bevolen de rechter die de getuigen zal gaan horen voortdurend voor de vraag zal worden geplaatst of aan getuigen te stellen vragen relevant zijn c.q. of er méér of anders moet worden gevraagd dan op aanreiken van verzoekster op dit moment mogelijk is. Voorts bestaat er het gevaar dat na een ‘gemankeerd’ voorlopig getuigenverhoor in de bodemzaken andermaal (wellicht dezelfde) getuigen moeten worden gehoord; dit is een nodeloos omslachtige route.

3.5. De rechtbank acht het derhalve aangewezen om eerst op grond van de tot dit moment gebleken feiten en omstandigheden al dan niet te komen tot een voldoende omschreven bewijsopdracht in welk kader de getuigen alsdan gehoord kunnen worden. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige verzoek om op dit moment een voorlopig getuigenverhoor te bevelen in strijd is met de goede procesorde.

3.6. Overeenkomstig de algemene regels van de verzoekschriftprocedure kan de rechter alleen dan onmiddellijk een beslissing nemen, zonder voorafgaande mondelinge behandeling, indien hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of hij het verzoek toewijst. Hoewel de rechtbank gezien het voorgaande niet toewijzend beslist en zij evenmin haar onbevoegdheid uitspreekt, wordt uit oogpunt van doelmatige procesvoering geen mondelinge behandeling van het onderhavige rekest bepaald. Hetgeen verzoekster ter onderbouwing van haar verzoek aanvoert, kan, gezien hetgeen hiervoor is overwogen,

niet leiden tot toewijzing van het verzoek. Hetzelfde geldt voor hetgeen gerekestreerden eventueel zouden willen aanvoeren; zelfs als zij verzoekster zouden steunen in haar verzoek, zou dat de uitkomst niet anders maken, omdat de rechter de eindverantwoordelijkheid draagt voor de goede procesorde.

3.7. Het verzoek zal gezien hetgeen hiervoor is overwogen worden afgewezen.

3.8. Verzoekster zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1. wijst het verzoek af,

4.2. veroordeelt verzoekster in de kosten van deze procedure aan de zijde van verweerders, tot op heden begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken

op 30 juli 2010.?