Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN3546

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
463608 VV EXPL 10-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 8 lid 1 en 2 van de CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Verandering van werktijden en/of werkzaamheden en/of het object waar gewerkt wordt. Werkgever heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat rekening is gehouden met de belangen van de werknemer, daargelaten of deze gerechtvaardigd zijn. Beoordeling vordering tot wedertewerkstelling vergt nader feitelijk onderzoek c.q. nadere bewijsvoering en is daarom in kort geding afgewezen.

Vordering doorbetaling loon toegewezen. Zie ook LJN BN3547.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 463608 \ VV EXPL 10-72

Vonnis d.d. 27 juli 2010

inzake

Q.,

wonende te Groningen,

eiseres, hierna Q. te noemen,

gemachtigde mr. J.S. Mennega, jurist bij FNV Bondgenoten te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Noordelijk Ondersteuningsbureau Bedrijfsdiensten BV,

gevestigd en kantoorhoudende te (9723 JC) Groningen, Stavangerweg 41 -31,

gedaagde, hierna NOB te noemen,

gemachtigde mr. J. Dijkema, fiscaal jurist van NOB.

PROCESGANG

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft Q. (zakelijk weergegeven) gevorderd dat NOB, bij wijze van voorlopige voorziening, wordt veroordeeld:

a. tot tewerkstelling van Q. in haar functie van schoonmaakster op de gebruikelijke voorwaarden (derhalve op de objecten Pathé en Mustsee) binnen drie dagen na dagtekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat NOB na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

b. tot betaling van het salaris van € 716,88 bruto per maand c.a. met ingang van 26 mei 2010 (waarop in mindering kan strekken hetgeen door NOB reeds is uitbetaald);

c. tot betaling van de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris betreffende mei en juni 2010;

d. tot betaling van de wettelijke rente over het salaris betreffende mei en juni 2010;

e. in de kosten van dit geding.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010. Partijen (NOB vertegenwoordigd door [naam]) en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De feiten

1.1 Q. is sinds 1 november 1999 bij (de rechtsvoorganger van) NOB in dienst in de functie van schoonmaakster, laatstelijk tegen een salaris van € 10,30 per uur bij een wekelijkse arbeidsduur van 16 uur. Het salaris bedraagt € 716,88 bruto per maand. Op de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (hierna: de CAO) van toepassing.

1.2 Sinds haar indiensttreding is Q. door NOB ingezet in de bioscopen Pathé (5 dagen per week van 07:30 uur tot 09:30 uur) en Mustsee (3 dagen per week van 10:00 uur tot 12:00 uur). Daarnaast is zij, niet via NOB maar via Schoonmaakbedrijf Nivo Noord, van 17:00 uur tot 18:30 uur werkzaam bij het Alfa College.

1.3 Op 29 maart 2010 heeft NOB Q. meegedeeld dat het schoonmaakcontract door Pathé is opgezegd en dat de arbeidsovereenkomst daarom zou eindigen met ingang van 1 mei 2010. Bij brief van 28 april 2010 heeft NOB laten weten dat met Pathé een verlenging van het schoonmaakcontract is overeengekomen, zodat geen sprake meer is van ontslag van de betrokken werknemers.

1.4 Bij brief van 17 mei 2010 heeft NOB Q. meegedeeld dat het schoonmaakcontract met de bioscopen Pathé en Mustsee is gewijzigd in prijs, uren en inhoud en dat een deel van het personeel op een andere werkplek tewerkgesteld zal worden. Voor Q. betekent dit dat zij vanaf 25 mei 2010 tewerkgesteld zal worden in bioscoop Images (van 8:00 uur tot 10:00 uur of 10:30 uur) en voorts in het Heymanscentrum (van 17:00 uur tot 18:30 uur).

1.5 Q. heeft bij brief van 20 mei 2010 geprotesteerd tegen het feit dat zij op een ander object tewerk wordt gesteld. Tevens is aangegeven dat er geen rekening is gehouden met de andere werkzaamheden die Q. voor een andere werkgever verricht, zodat sprake is van overlapping van de werktijden. Zij heeft onder protest de schoonmaakwerkzaamheden verricht bij bioscoop Images, echter niet bij het Heymanscentrum.

1.6 NOB heeft bij brief van 27 mei 2010 meegedeeld dat de uren die niet gewerkt werden bij het Heymanscentrum niet uitbetaald zouden worden. Q. heeft bij brief van 14 juni 2010 aan NOB meegedeeld dat dit onacceptabel is omdat het niet kunnen werken in het Heymanscentrum een omstandigheid is die voor rekening van NOB komt.

2. Het standpunt van Q.

2.1 Q. heeft een spoedeisend belang bij haar vordering omdat zij graag haar eigen werkzaamheden bij Pathé en Mustsee wil verrichten en omdat zij afhankelijk is van haar salaris, dat op dit moment slechts deels wordt uitbetaald. Zij heeft vanaf 1999 continu bij Pathé en Mustsee gewerkt voor (de rechtsvoorganger van) NOB. Na problemen over de salarisbetalingen en over het ondertekenen van een foutieve arbeidsovereenkomst, heeft NOB haar welbewust ingezet op twee andere objecten, wetende dat Q. op het object Heymanscentrum niet zou kunnen werken omdat zij op de betreffende uren reeds voor het Alfa College werkzaam was.

2.2 NOB heeft niet inzichtelijk gemaakt dat er bij Pathé en Mustsee minder uren te vergeven zijn en zo ja, waarom Q. en haar zuster dan naar een ander object zijn overgeplaatst en niet de overige schoonmakers die bij Pathé en Mustsee werkzaam zijn. Q. betwist dat de overige schoonmakers die bij Pathé en Mustsee werkzaam zijn niet bij Bernlef tewerk kunnen worden gesteld.

2.3 Q. vordert tevens doorbetaling van het overeengekomen salaris van € 716,88 bruto per maand c.a. ingaande 26 mei 2010 en totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente ingaande 1 juni 2010.

3. Het standpunt van NOB

3.1 NOB betwist dat Q. een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

3.2 Q. heeft een arbeidovereenkomst voor het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden. Het is aan NOB om te bepalen waar zij deze werkzaamheden dient te verrichten. Omdat er bij Pathé en Mustsee minder uren te vergeven zijn, is Q. bij Images en het Heymanscentrum tewerk gesteld. Dit is alleszins redelijk. Alle pogingen om met Q. in overleg te treden zijn mislukt omdat zij weigerde in te gaan op uitnodigingen voor een gesprek. Daarom is een en ander uiteindelijk schriftelijk aan haar meegedeeld.

3.3 De andere werknemers die bij Pathé en Mustsee schoonmaken kunnen niet zo gemakkelijk bij het Heymanscentrum worden ingezet.

3.4 NOB was niet op de hoogte van het feit dat Q. van 17:00 uur tot 18:30 uur werkzaamheden verricht via Nivo Noord. Het is dan ook niet aan NOB te wijten dat Q. op dat tijdstip niet voor NOB kan werken. Q. heeft daarom geen recht op uitbetaling van uren die zij niet voor NOB heeft gewerkt. Ter zitting heeft NOB zich alsnog bereid getoond te onderzoeken of het mogelijk is om Q. op andere tijdstippen te laten werken dan van 17:00 uur tot 18:30 uur; of op een andere locatie.

4. De beoordeling

4.1 Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Q., mede gelet op de aard van haar vordering, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.2 Voor toewijzing van de door Q. gevorderde voorziening is van belang het antwoord op de vraag of er een gerede kans bestaat dat de bodemrechter zal oordelen:

- dat NOB haar weer op de gebruikelijke voorwaarden te werk moet stellen bij Pathé en Mustsee;

- dat NOB Q. het loon voor de niet door haar voor NOB gewerkte uren aan haar dient te betalen.

Deze vraag dient te worden beantwoord op basis van de thans gepresenteerde feiten en omstandigheden. De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt.

- wedertewerkstelling

4.3 In artikel 8 lid 1 van de CAO is neergelegd dat een werknemer binnen redelijke grenzen een verandering van werktijden en/of werkzaamheden en/of het object waar gewerkt wordt en/of de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd zal accepteren. In lid 2 van datzelfde artikel is bepaald dat de werkgever hierbij rekening zal houden met de gerechtvaardigde belangen van de werknemer.

4.4 Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter heeft NOB onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in het onderhavige geval rekening heeft gehouden met de belangen van Q., daargelaten of deze belangen gerechtvaardigd zijn. Alvorens haar op een ander object tewerk te stellen heeft immers geen overleg met Q. plaatsgevonden. NOB heeft weliswaar gesteld dat dit aan Q. te wijten is omdat zij niet met NOB in gesprek wenste te gaan, maar NOB heeft haar stelling dat zij Q. heeft uitgenodigd voor een gesprek over dít onderwerp vooralsnog onvoldoende onderbouwd.

4.5 Vervolgens rijst de vraag of het ontbreken van de hiervoor bedoelde belangenafweging moet leiden tot toewijzing van de vordering tot wedertewerkstelling. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het antwoord op deze vraag, gelet op de nadrukkelijke wijze waarop partijen elkaars stellingen betwisten, niet worden gegeven zonder nader feitelijk onderzoek c.q. nadere bewijsvoering. Daarvoor leent een kort geding zich niet. De vordering tot wedertewerkstelling zal daarom worden afgewezen.

- doorbetaling loon

4.6 In artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een werknemer het recht op het naar tijdsruimte vastgestelde loon behoudt indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever hoort te komen.

4.7 Daargelaten dat het naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter onwaarschijnlijk is dat NOB niet reeds eerder op de hoogte was van het feit dat Q. dagelijks van 17:00 uur tot 18:30 uur werkzaamheden verricht voor Nivo Noord, is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat NOB daarvan in elk geval vanaf 20 mei 2010 op de hoogte was. Op die dag heeft Q. dat immers bij brief aan NOB kenbaar gemaakt. Pas ter zitting heeft NOB zich bereid getoond te onderzoeken of het mogelijk is om Q. op een ander tijdstip te laten werken. Zolang niet vast staat dat dit niet mogelijk is, dient de oorzaak van het feit dat Q. de overeengekomen arbeid niet verricht naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor rekening van NOB te komen. De vordering tot doorbetaling van het volledige maandloon ligt daarom voor toewijzing gereed. Ook de daarover gevorderde - en niet afzonderlijk betwiste - wettelijke rente zal worden toegewezen. Wel acht de kantonrechter termen aanwezig de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot maximaal 10%.

- proceskosten

4.8 De kantonrechter ziet in de uitkomst van de procedure reden de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

veroordeelt NOB tot betaling aan Q.:

- van het salaris van € 716,88 bruto per maand c.a. met ingang van 26 mei 2010 (waarop in mindering kan strekken hetgeen door NOB reeds is uitbetaald) totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallige salaris betreffende mei en juni 2010, steeds vanaf het moment van verschuldigdheid van desbetreffend achterstallig maandsalaris tot het moment van de algehele voldoening van dat achterstallige loon, te berekenen overeenkomstig de wet met een maximum van 10% per loontermijn;

- de wettelijke rente over het salaris betreffende mei en juni 2010 vanaf de dag dat deze is verschuldigd;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, kantonrechter, en op 27 juli 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: wj