Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN3540

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
462832 VV EXPL 10-64
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van loon van werknemer na ontslag op staande voet in kort geding afgewezen. Onder meer beoordeling onverwijldheid ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 462832 VV EXPL 10-64

Vonnis in kort geding d.d. 6 juli 2010

inzake

Q., wonende te Groningen,

eiser, hierna Q. te noemen,

gemachtigde mr. G.N. Paanakker, advocaat te Groningen,

tegen

de stichting Stichting Hanzehogeschool Groningen, gevestigd en kantoorhoudende te Groningen aan het Zernikeplein 1,

gedaagde, hierna SHG te noemen,

gemachtigde mr. G. Ham, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft Q. gevorderd dat SHG bij wijze van voorlopige voorziening wordt veroordeeld:

om hem met ingang van 12 april 2010 te betalen het overeengekomen salaris ad € 4.829,-- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld, iedere loonbetaling uiterlijk te voldoen op de laatste dag van de desbetreffende betalingstermijn, één en ander tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van iedere loontermijn, en met veroordeling van SHG in de proceskosten.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010. Partijen, SHG deugdelijk vertegenwoordigd, en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, mede aan de hand van pleitaantekeningen. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Het vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.2. Q. is op 23 april 1979 bij SHG in dienst getreden in de functie van docent bij het Instituut voor Sportstudies, tegen een salaris van laatstelijk € 4.829,-- bruto per maand.

1.3. Door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), Team bestrijding kinderpornografie, is in juli 2006 vastgesteld dat er kinderporno was gedownload op een computer met een IP-adres dat behoorde tot het computernetwerk van de SHG. Deze computer is op 5 oktober 2006 door justitie in beslag genomen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat onder meer Q. als verdachte werd aangemerkt.

1.4. Op 29 maart 2010 is SHG via een persbericht van RTV Noord op de hoogte gesteld van het feit dat er deze dag een strafzaak tegen een docent van SHG had gediend in verband met het bezit van kinderporno en dat deze docent Q. betrof.

1.5. Naar aanleiding van deze berichtgeving heeft er op 30 maart 2010 een gesprek plaatsgevonden tussen A. en B. van SHG en Q. In het betreffende gespreksverslag staat - voor zover hier van belang - vermeld:

"A. (A., ktr.) vraagt wie binnen het instituut van deze zaak weten. Q. (Q., ktr.) geeft aan dat alleen zijn directe collega en goede vriend R. hiervan weet.(....) A.: geeft aan dat hij het een zeer ernstige verdenking vindt. De gevolgen daarvan kan hij nu niet overzien maar indien meer over deze zaak naar buiten komt kunnen er enorme gevolgen voor het Instituut en de HG zijn. Op 12 april doet de rechtbank een uitspraak in deze zaak. Tot die tijd wil A. dat Q. geen inzet binnen het Instituut heeft. A. stelt Q. voor de keus om zich zelf ziek te melden. Indien Q. dit niet doet zal A. Q. tot en met de uitspraak van de rechtbank van zijn taken ontheffen. Q. begrijpt het verzoek van A. en geeft aan dat hij zich met onmiddellijke ingang ziek meldt."

1.6. Q. heeft zich vervolgens ziek gemeld.

1.7. Bij email van 31 maart 2010 heeft Q. A. bedankt voor de wijze van aanpak. Voorts heeft Q. daarbij ontkend dat hij opzettelijk kinderporno heeft gedownload.

1.8. Bij vonnis van de rechtbank Groningen, Sector Strafrecht, d.d. 12 april 2010 is Q. wegens het bezit van kinderporno en het downloaden van kinderporno op de door SHG ter beschikking gestelde computer in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 januari 2007, veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. In het strafvonnis staat - voor zover van belang - onder meer vermeld:

"Verdachte heeft ter terechtzitting de mogelijkheid dat de hierboven beschreven kinderporno op zijn computer is aangetroffen niet weersproken, maar heeft verklaard dat hij geen opzet op het bezit daarvan heeft gehad. Zijn interesse ging uit naar pornografische afbeeldingen van jonge vrouwen tussen de zestien en vijfentwintig jaar en het gewraakte materiaal moet als ongewenste bijvangst worden aangemerkt. Verdachte heeft naar eigen zeggen dergelijk materiaal altijd direct nadat hij het had aangetroffen van zijn computer verwijderd.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het rapport van de deskundige Verloop blijkt dat verdachte een aantal van de in de tenlastelegging omschreven foto's en films tot twee keer toe heeft geraadpleegd, waaronder ook film nummer twee, met de veelzeggende naam "babyj sweet 8 yo.avi". Hieruit leidt de rechtbank af, dat verdachte de bestanden niet - als ongewenste bijvangst - direct heeft verwijderd, maar deze in de wetenschap om welke afbeeldingen het ging, langere tijd in zijn bezit heeft gehad. Daarmee is niet slechts sprake van bewuste schuld, maar van opzet op bezit. Dat dit voor de andere foto's en films anders zou zijn is niet aannemelijk geworden. In dit verband acht de rechtbank van belang dat verdachte, terwijl hij wist welke afbeeldingen hij naast de afbeeldingen van jonge vrouwen tussen de zestien en vijfentwintig jaar tevens binnen kreeg, is doorgegaan met het downloaden van sites waarop de naar zijn zeggen gewenste afbeeldingen werden aangeboden."

Voor het overige wordt verwezen naar de inhoud van voormeld vonnis. Q. heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld.

1.9. Op grond van deze veroordeling is Q. op 12 april 2010 mondeling ontslag op staande voet aangezegd.

1.10. Bij brief van 13 april 2010 is dit ontslag schriftelijk bevestigd. Als ontslagreden staat in deze brief vermeld:

"De reden voor het ontslag is dat u op 12 april jl. door de Rechtbank te Groningen bent veroordeeld tot een werkstaf van 180 uur en vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het bezit van kinderporno, terwijl inmiddels vaststaat dat u hiervoor de aan u op het werk ter beschikking gestelde computer heeft gebruikt om deze kinderporno te downloaden."

1.11. Op 14 april 2010 is Q. wegens een herseninfarct opgenomen in het Martini Ziekenhuis. Als gevolg hiervan is Q. tot op heden nog steeds arbeidsongeschikt.

1.12. Bij brieven van 28 april 2010 en 21 mei 2010 heeft de gemachtigde van Q. geprotesteerd tegen het gegeven ontslag.

Het geschil

2.1. In essentie verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Waar nodig zal hierna nader op de stellingen van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

3.1. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Q. voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. In zoverre is Q. derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

3.2. In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

3.3. Om tot de conclusie te kunnen komen dat er sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, dient niet alleen te worden vastgesteld of daarvoor een gegronde reden aanwezig is maar ook of het ontslag onverwijld is gegeven.

3.4. Wat dat laatste betreft, het begrip onverwijld geeft een werkgever die een ontslag op staande voet overweegt wel enig respijt - bijvoorbeeld voor het horen van de werknemer, voor intern overleg of voor het inwinnen van juridisch advies - maar wel moet er met de nodige voortvarendheid worden gehandeld. Wanneer dat niet gebeurt, is er geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, ook niet wanneer hetgeen aan de werknemer wordt verweten op zich een dringende reden voor het ontslag oplevert.

3.5. Q. heeft aangevoerd dat naast de vertrouwenspersoon van SHG en de bedrijfsarts ook het bestuur en het hoofd juridische zaken van SHG reeds vanaf oktober 2006 ervan op de hoogte waren dat de onderhavige computer in beslag was genomen en dat hij als verdachte in een kinderpornozaak werd aangemerkt, maar desondanks heeft SHG - evenmin na het gesprek van 30 maart 2010 - niet eerder dan op 12 april 2010 het ontslag verleend. Bovendien heeft SHG geen andere disciplinaire maatregelen jegens hem genomen. Een en ander brengt mee dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Daarnaast is SHG in gebreke gebleven om zelfstandig een onderzoek naar de feiten in te stellen.

3.6. Hoewel SHG ter zitting niet heeft weersproken dat zij er van op de hoogte was dat de computer in beslag was genomen en dat Q. als verdachte in een kinderpornozaak werd aangemerkt, kan het enkele vermoeden van een strafbaar feit volgens vaste jurisprudentie geen dringende reden vormen voor een ontslag op staande voet. Mede gelet op de voortdurende ontkennende houding van Q. dat hij het ten processe bedoelde materiaal niet opzettelijk maar slechts als ongewenste bijvangst heeft gedownload, heeft SHG uit het oogpunt van goed werkgeverschap terecht eerst de afronding van het strafrechtelijk onderzoek en de gerechtelijke uitspraak afgewacht alvorens tot het ontslag op staande voet werd besloten. Op grond hiervan heeft SHG ook andere minder verstrekkende disciplinaire maatregelen, zoals een schorsing, terecht niet aan de orde gesteld, nog daargelaten dat een schorsing volgens de van toepassing zijnde CAO maximaal twee keer drie maanden mag duren. Voorts is de kantonrechter met SHG van oordeel dat het instellen van een eigen onderzoek ongewenst zou zijn aangezien zij hiermee het reeds ingezette strafrechtelijk onderzoek wel degelijk zou belemmeren. Daar komt nog bij dat voor het instellen van een eigen onderzoek de nodige technische kennis voorhanden moet zijn en bovendien beschikte SHG niet meer over enig materiaal op grond waarvan een eigen onderzoek gedaan zou kunnen worden aangezien de computer immers in beslag was genomen. Het voorgaande leidt derhalve tot de conclusie dat SHG eerst op 12 april 2010, de dag van de uitspraak van het strafvonnis, ontslag kon aanzeggen. Zij heeft dit onmiddellijk onverwijld gedaan. Het terzake gevoerde verweer zal derhalve worden gepasseerd.

3.7. Met betrekking tot de vraag of de thans gepresenteerde feiten een ontslag op staande voet rechtvaardigen, overweegt de kantonrechter als volgt. De rechtbank heeft blijkens de inhoud van het vonnis van 12 april 2010 vastgesteld dat er sprake is geweest van grote hoeveelheden kinderporno op de aan Q. ter beschikking computer, bestaande uit honderden foto's en filmmateriaal en dat Q. deze bestanden niet "als ongewenste bijvangst" heeft verwijderd maar gedurende lange periode in zijn bezit heeft gehouden. Volgens de rechtbank is daarmee niet slechts sprake van bewuste schuld maar van opzet op bezit. Naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigt hetgeen door de rechtbank als bewezen is verklaard, voldoende gronden voor een ontslag op staande voet. Dat het strafvonnis nog niet onherroepelijk is, doet hieraan niet af. In het kader van een wederzijdse belangenafweging overweegt de kantonrechter ten slotte nog dat de maatschappelijke belangen van een school als de SHG alwaar vele studenten van 16 en 17 jaar staan ingeschreven, dienen te prevaleren boven de individuele belangen van Q.

3.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie van de vordering van Q. zal worden afgewezen.

3.9. Q. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Q. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van SHG tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde van SHG.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.B. Böttcher, kantonrechter, en op 6 juli 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: gv