Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2936

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/613 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedaanschrijving bestuursdwang in het kader van brandveiligheid van een studentenpand. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te concluderen dat de door verweerder gehanteerde NEN-normen onverbindend dienen te worden geacht. Vast staat dat er sprake is van overtredingen van het Gebruiksbesluit, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden. Het passief gedogen door verweerder staat aan dat handhavend optreden niet in de weg. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat zwaar gewicht dient te worden toegekend aan brandveiligheid in zijn algemeenheid en aan de belangen van de huurders in het bijzonder. Volgt afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr: AWB 10/613 GEMWT

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen,

ten aanzien van het besluit van 15 juni 2010 van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. van der Sande, werkzaam bij de gemeente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft verweerder verzoeker ingevolge artikel 13, in samenhang gezien met artikel 13a en 15 van de Woningwet, aangeschreven om voor 22 juni 2010 een aantal nader omschreven maatregelen te laten uitvoeren, zodat het pand aan de Herestraat 102 voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit voor wat betreft de brandveiligheid, bij gebreke waarvan verweerder bestuursdwang zal toepassen en de kosten daarvan zal verhalen op verzoeker.

Namens verzoeker is bij brief van 21 juni 2010 tegen dit besluit bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 21 juni 2010 is namens verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het voornoemde besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 6 juli 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 juli 2010, alwaar verzoeker werd vertegenwoordigd door [de man] bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde en M. Meijer, werkzaam bij de brandweer.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Verzoeker huurt het pand aan de Herestraat 102 te Groningen van Hanzevast. Het pand is deels in gebruik als kamerverhuurpand en biedt tien studenten onderdak.

Verzoeker heeft op 4 september 2009 een melding in het kader van het Gebruiksbesluit bij verweerder ingediend. Op 18 mei 2010 heeft verweerder deze melding in behandeling genomen.

Bij een controle op 3 juni 2010 door een inspecteur Bouw- en Woningtoezicht (BWT) en een inspecteur van de brandweer zijn ten aanzien van het pand Herestraat 102 te Groningen strijdigheden met het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit geconstateerd. Deze strijdigheden leveren direct en ernstig gevaar op voor de bewoners van het betreffende pand en de omwonenden.

Op 15 juni 2010 is er telefonisch contact geweest met verzoeker naar aanleiding van de voornoemde bevindingen en het voornemen om een spoedaanschrijving bestuursdwang aan verzoeker te richten. Verzoeker is voorts in de gelegenheid gesteld om mondeling zijn zienswijze te geven. Daarbij heeft verzoeker onder meer aangegeven dat de mensen in het pand er niet zomaar uit kunnen worden gezet, dat de brandweer eerder gecontroleerd heeft en dat alles in orde bleek alsmede dat over een half jaar het contract met Hanzevast eindigt en zijn relatie met het pand.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder verzoeker ingevolge artikel 13, in samenhang gezien met artikel 13a en 15 van de Woningwet, aangeschreven om voor 22 juni 2010 een aantal nader omschreven maatregelen te laten uitvoeren, zodat het pand aan de Herestraat 102 voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit voor wat betreft de brandveiligheid, bij gebreke waarvan verweerder bestuursdwang zal toepassen en de kosten daarvan zal verhalen op verzoeker.

Het betreft de volgende maatregelen:

1. het aanbrengen van zestig minuten brandwerende scheidingen tussen de twee bouwlagen (tussen het bedrijfsgedeelte en het voor kamerverhuur gebruikte deel), zodat uitbreiding van brand kan worden vertraagd;

2. het repareren van de voorzieningen voor elektriciteit door een gecertificeerd installatiebedrijf, zodat deze voorzieningen geen acuut gevaar meer opleveren voor de gebruikers vanwege het mogelijk ontstaan van brand. De elektrische installatie moet conform NEN 1010 worden uitgevoerd;

3. in alle verblijfsruimten dienen aan elkaar gekoppelde rookmelders te worden aangebracht conform de NEN 2555: 2006. Deze rookmelders dienen tevens te zijn aangesloten op het lichtnet;

4. de twee kamers op de tweede verdieping aan de zijde van de Herestraat dienen buiten gebruik te worden gesteld voor bewoning. Dit betekent dat deze kamers ontruimd moeten worden;

5. alle materialen (afval, papieropslag en andere opgeslagen brandbare goederen anders dan normale inventarisgoederen) moeten uit de bedrijfsruimte, keuken(s) en gangen worden verwijderd;

6. alle obstakels in vluchtroutes moeten worden verwijderd;

7. het aanbrengen van een zelfsluitende zestig minuten brand- en rookwerende deur in de trapopgang tussen de eerste en tweede verdieping.

2.2 Regelgeving

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet luidt als volgt:

‘De eigenaar van een bouwwerk, standplaats, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, die standplaats, dat open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.’

Het tweede lid van artikel 1a van de Woningwet luidt als volgt:

‘Een ieder die een bouwwerk of standplaats bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.’

Artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet luidt als volgt:

‘Het is verboden:

a. een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid;

b. een bestaand bouwwerk, niet zijnde een gebouw, in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, vierde lid;

c. een bestaande standplaats in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van die standplaats van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, zesde lid.’

Artikel 13 van de Woningwet luidt als volgt:

‘Burgemeester en wethouders kunnen, indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is, degene die als eigenaar van een gebouw, bouwwerk, niet zijnde een gebouw, of standplaats, dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen, verplichten tot het binnen een door hen te bepalen termijn treffen van zodanige voorzieningen, dat de staat van dat gebouw, dat bouwwerk of die standplaats nadien komt te liggen op een niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, onderdeel a, b, respectievelijk c, zonder dat deze hoger komt te liggen dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, eerste lid, onderdeel a, b, respectievelijk c.’

Artikel 13a van de Woningwet luidt als volgt:

‘Indien niet wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders, tenzij toepassing is gegeven aan het tweede lid van dat artikel, degene die als eigenaar van een bouwwerk of standplaats dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen daaraan, verplichten tot het binnen een door hen te bepalen termijn treffen van zodanige door hen daarbij aan te geven voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid.’

Artikel 15 van de Woningwet luidt als volgt:

‘1. Burgemeester en wethouders kunnen gelijktijdig met een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 14, eerste lid, besluiten tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom, gericht op naleving van het eerstgenoemde besluit. In dat geval worden beide besluiten gelijktijdig bekendgemaakt.

2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid maakt het besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom, wat betreft de mogelijkheid van bezwaar en beroep, deel uit van het in artikel 13, 13a of 14, eerste lid, bedoelde besluit.’

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:21 van de Awb verstaat onder bestuursdwang: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen.

Ingevolge artikel 5:24, tweede lid, van de Awb vermeldt de last onder dwangsom de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:24, derde lid, van de Awb wordt de last onder bestuursdwang bekend-gemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

2.3 Overwegingen

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang in het onderhavige geval gegeven.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder primair genomen besluit tot spoedaanschrijving van verzoeker ingevolge artikel 13, 13a en 15 van de Woningwet om voor 22 juni 2010 de nader in het besluit omschreven maatregelen te laten uitvoeren, bij gebreke waarvan verweerder zal overgaan tot de toepassing van bestuursdwang en de kosten van de uitvoering van de maatregelen op verzoeker zal verhalen.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat bij een controle op 3 juni 2010 door een inspecteur van BWT en een inspecteur van de brandweer ten aanzien van het pand Herestraat 102 te Groningen strijdigheden met het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit geconstateerd zijn. Nadien heeft er op 6 juli 2010 een eindcontrole plaatsgevonden, waaruit gebleken is dat niet wordt voldaan aan de voornoemde spoedaanschrijving en de daarin vermelde uit te voeren maatregelen. Aangezien de onaanvaardbare brandveilige situatie voortduurt, wil verweerder de gedeeltelijke ontruiming van het pand zo snel mogelijk gaan uitvoeren.

De meest verstrekkende grief van verzoeker betreft de stelling dat de door verweerder gehanteerde NEN-normen in het onderhavige geval onverbindend dienen te worden geacht, aangezien niet voldaan is aan het bekendmakingsvereiste. Daarbij heeft verzoeker verwezen naar een uitspraak van 31 december 2008 van de rechtbank Den Haag, kenbaar uit LJN: BG8465.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in voornoemde stelling en overweegt daartoe als volgt. Onder verwijzing naar een uitspraak van 13 augustus 2008 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), kenbaar uit LJN: BD9957, kan de verwijzing van verweerder naar NEN-normen in het bestreden besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift. Voor deze publicaties geldt dan ook geen wettelijk voorgeschreven bekendmaking. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat het niet ongebruikelijk is naar algemeen geldende normen en richtlijnen te verwijzen. Deze normen zijn algemeen verkrijgbaar en dus voldoende kenbaar. Het verwijzen naar dergelijke normen is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel (vgl. ABRS, 12 januari 2005, LJN: AS2185). Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat de NEN-normen thans onverbindend dienen te worden geacht.

Ter zitting is met partijen afgesproken dat verweerder naar aanleiding van een controle van het voornoemde pand aan de voorzieningenrechter zou rapporteren aan welke aspecten van de spoedaanschrijving nog niet is voldaan.

Uit een opgemaakt rapport hercontrole van 9 juli 2010 dient te worden afgeleid dat aan de navolgende aspecten nog niet is voldaan:

1. het repareren van de voorzieningen voor elektriciteit door een gecertificeerd installatiebedrijf, zodat deze voorzieningen geen acuut gevaar meer opleveren voor de gebruikers vanwege het mogelijk ontstaan van brand. De elektrische installatie moet conform NEN 1010 worden uitgevoerd. Hiervoor moet een gecertificeerd bedrijf worden ingeschakeld; en,

2. in alle verblijfsruimten dienen aan elkaar gekoppelde rookmelders te worden aangebracht conform NEN 2555:2006. Deze rookmelders dienen tevens te zijn aangesloten op het lichtnet. Dit is nog niet gereed. Er wordt aan gewerkt, maar het is zowel op de eerste als op de tweede verdieping nog niet in orde.

Verzoeker heeft bij brief van 15 juli 2010 aangegeven dat er inmiddels sprake is van een koppeling tussen de diverse rookmelders en dat aan de elektrische installatie conform NEN 1010 gewerkt wordt. Naar de mening van verzoeker is er met betrekking tot de elektriciteit geen sprake van een brandgevaarlijke situatie.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient uit het vorenstaande te worden afgeleid dat het door verzoeker verhuurde pand niet voldoet aan de brandveiligheidseisen ingevolge het Gebruiksbesluit. Hieruit volgt dat er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Voor zover verzoeker betoogt dat het gedogen door verweerder in het onderhavige geval aan handhavend optreden in de weg staat, kan dit door de voorzieningenrechter niet gevolgd worden. Niet is gebleken dat verweerder op enig moment expliciet kenbaar heeft gemaakt dat de brandonveilige situatie in het voornoemde pand zou worden gedoogd of anderszins zou worden toegestaan. Het gegeven dat verzoeker reeds in september 2009 een melding in het kader van het Gebruiksbesluit bij verweerder heeft ingediend, maakt niet dat verweerder niet langer handhavend wenste op te treden. Voorts is een tijdsverloop van ruim negen maanden tussen verzoekers melding in het kader van het Gebruiksbesluit en het daaropvolgende handhavend optreden geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van dat handhavend optreden had behoren af te zien (vgl. ABRS, 19 september 2007, LJN: BB3855).

Gesteld noch gebleken is dat er in het onderhavige geval sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Evenmin kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geconcludeerd worden dat handhavend optreden in het onderhavige geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoort te worden afgezien. Van de door verweerder gemaakte belangenafweging kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet gezegd worden dat deze kennelijk onredelijk is. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat zwaar gewicht dient te worden toegekend aan brandveiligheid in zijn algemeenheid en aan de belangen van de huurders in het bijzonder. Onder die omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook tot de bestreden spoedaanschrijving bestuursdwang kunnen komen. Dat verzoeker als gevolg daarvan kosten dient te maken, terwijl de huurovereenkomst aan het eind van dit jaar afloopt, leidt niet tot de conclusie dat de door verweerder verrichte belangenafweging onredelijk is. Evenmin zijn de door verweerder betrokken belangen zodanig gering van gewicht dat verweerder op grond daarvan van handhaving had moeten afzien in het onderhavige geval.

Gelet op de voorgaande overwegingen dient de houdbaarheid van het bestreden besluit in de bezwaarfase als overwegend positief te worden ingeschat, zodat er geen aanleiding bestaat de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman als voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 29 juli 2010, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

typ: hvk

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.