Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2934

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/621 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 11 juni 2010 van verweerder, waarin aan verzoekster wordt meegedeeld dat met haar geen gebruiksovereenkomst wordt gesloten ten behoeve van het voornoemde pand in Winschoten, niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er op dat de brieven van 11 en 23 juni 2010 geen publiekrechtelijke rechtshandeling behelsen. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat de gemeente Oldambt het pand aan de Renselkade 5/5a/5b niet heeft aangekocht en/of laat gebruiken ter uitvoering van enige publiekrechtelijke taak. Het enkele feit dat het havengebied, waarvan de onderhavige woning deel uitmaakt, planologisch in ontwikkeling is, maakt niet dat er sprake is van een publiekrechtelijke regeling op grond waarvan de onderhavige bruikleenovereenkomst is genomen dan wel is geweigerd daartoe over te gaan. Volgt afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr: AWB 10/621 BESLU

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. J. van Broekhuijze, advocaat te Ridderkerk,

ten aanzien van de brief van 11 juni 2010 van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt, verweerder,

gemachtigde: J.H. Sandberg, werkzaam bij de gemeente.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij brief van 11 juni 2010 aan verzoeker medegedeeld dat de gemeente Oldambt het pand Renselkade 5/5a/5b per 1 oktober 2008 in bruikleen heeft gegeven aan Carex B.V. om door middel van tijdelijke huisvesting leegstand en verval tegen te gaan. Voorts heeft verweerder in deze brief aangegeven, dat er geen bruikleenovereenkomst met verzoekster zal worden gesloten.

Verzoekster heeft bij brief van 18 juni 2010 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 23 juni 2010 aangegeven, dat de brief van 18 juni 2010 van verzoekster niet als een bezwaarschrift maar als klacht wordt beschouwd.

Namens verzoekster is bij brief van 28 juni 2010 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij verzoekschrift van 28 juni 2010 is namens verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het voornoemde besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 6 juli 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 13 juli 2010, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. E.H.C.M. Biemans, advocate te Ridderkerk.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde.

Namens Carex B.V. is [betrokkene] verschenen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

De gemeente Oldambt heeft een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten met Carex B.V. (hierna Carex) om panden waarvoor een nieuwe bestemming enige tijd op zich laat wachten, te beheren. Onderdeel van de overeenkomst is dat Carex zorgt voor de tijdelijke bewoning van een pand of op andere wijze het pand in overeenstemming met de krachtens het bestemmingsplan vigerende bestemming in gebruik geeft. De tijdelijke bewoning of het gebruik van het pand is gebonden aan door partijen opgestelde regels.

De gemeente Oldambt is eigenaar van het pand Renselkade 5/5a/5b te Winschoten. Dit pand, een monument, staat op de nominatie om te worden gesloopt.

Om nodeloze leegstand en verval te voorkomen heeft de gemeente Oldambt met ingang van 1 oktober 2008 het pand krachtens een daartoe gesloten overeenkomst in bruikleen gegeven aan Carex.

Carex heeft uit haar eigen cliëntenbestand een gebruiker geselecteerd, aan wie zij het gehele pand in (onder-)bruikleen heeft gegeven. Vanaf 1 oktober 2008 tot en met 10 maart 2009 is het pand in gebruik geweest bij deze tijdelijke gebruiker. Carex heeft vorenbedoelde onderbruikleenovereenkomst met ingang van 10 maart 2009 wegens wanprestatie beëindigd.

Vervolgens is Carex op zoek gegaan naar een nieuwe (onder-)bruiklener, hetgeen heeft geleid tot het sluiten van een nieuwe overeenkomst per 28 mei 2010. Per deze datum zou eerdergenoemd pand volledig in gebruik worden gegeven aan een nieuwe bruiklener.

Op 25 mei 2010 heeft verzoekster het pand aan de Renselkade 5/5a/5b te Winschoten gekraakt in verband met leegstand.

Verzoekster heeft verweerder bij brief van 7 juni 2010 verzocht om met haar een gebruikers-

overeenkomst voor wat betreft het voornoemde pand te sluiten.

In antwoord op voornoemd verzoek heeft verweerder bij brief van 11 juni 2010 aangegeven, dat de gemeente Oldambt het pand Renselkade 5/5a/5b per 1 oktober 2008 in bruikleen heeft gegeven aan Carex. Voorts heeft verweerder in deze brief aangegeven, dat er gelet daarop geen bruikleenovereenkomst met verzoekster zal worden gesloten.

Verzoekster heeft bij brief van 18 juni 2010 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 23 juni 2010 aangegeven, dat de brief van 18 juni 2010 van verzoekster niet als een bezwaarschrift maar als klacht wordt beschouwd.

2.2 Regelgeving

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieke rechtshandeling.

Artikel 7:1, eerste lid aanhef en onder a, van de Awb luidt als volgt:

‘Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit op bezwaar of in administratief beroep is genomen.’

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

2.3 Overwegingen

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast, dat het verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft op de brief van 23 juni 2010, waarin verweerder heeft aangegeven dat de brief van verzoekster van 18 juni 2010 niet als een bezwaarschrift maar als een klacht wordt beschouwd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de brief van verzoekster niet als een bezwaarschrift, maar als een klacht dient te worden opgevat. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er op, dat verzoekster in haar brief van 18 juni 2010 nadrukkelijk heeft aangegeven dat zij bezwaar maakt tegen het feit dat verweerder met haar geen gebruiksovereenkomst wil sluiten voor het pand aan de Renselkade 5/5a/5b te Winschoten. Daarnaast heeft verzoekster in deze brief verweerder verzocht de zaak nog eens in overweging te nemen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder uit de bewoordingen van de brief van 18 juni 2010 moeten afleiden dat het de bedoeling was bezwaar te maken tegen de brief van 11 juni 2010 (vgl. een uitspraak van 29 maart 2006 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), kenbaar uit AB 2006/352).

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat verweerder de brief van 18 juni 2010 (alsnog) als een bezwaarschrift, gericht tegen de brief van 11 juni 2010, beschouwt en als zodanig in behandeling neemt.

Voornoemd gegeven kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet leiden tot het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dienaangaande wordt het navolgende overwogen.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieke rechtshandeling.

In de toelichting op voornoemd artikel is aangegeven dat een rechtshandeling publiekrechtelijk is, indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Een rechtshandeling is privaatrechtelijk van aard wanneer het bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen kan worden gebruikt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 11 juni 2010 van verweerder, waarin aan verzoekster wordt meegedeeld dat met haar geen gebruiksovereenkomst wordt gesloten ten behoeve van het voornoemde pand in Winschoten, niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er op dat de brieven van 11 en 23 juni 2010 geen publiekrechtelijke rechtshandeling behelsen. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat de gemeente Oldambt het pand aan de Renselkade 5/5a/5b niet heeft aangekocht en/of laat gebruiken ter uitvoering van enige publiekrechtelijke taak. Het enkele feit dat het havengebied, waarvan de onderhavige woning deel uitmaakt, planologisch in ontwikkeling is, maakt niet dat er sprake is van een publiekrechtelijke regeling op grond waarvan de onderhavige bruikleenovereenkomst is genomen dan wel is geweigerd daartoe over te gaan.

Gelet op het vorenstaande zal verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter het bezwaarschrift van verzoekster, gericht tegen de brief van 11 juni 2010, niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Onder die omstandigheden is er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Voor zover de gemachtigde van verzoeker betoogt dat het indienen van bezwaar tegen het volgens de gemachtigde geldende beleid van de gemeente Oldambt om ten aanzien van het beheer van leegstaande panden uitsluitend een bruikleenovereenkomst aan te gaan met Carex, wat daar overigens ook van zij, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bezwaarschrift van verzoekster, voor zover gericht tegen gesteld voornoemd beleid, eveneens niet-ontvankelijk aangezien er geen sprake is van een rechtshandeling naar publiek recht. Daarnaast wordt gewezen op het bepaalde in artikel 8:2 van de Awb.

Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg als voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 14 juli 2010, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

typ: hvk