Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2931

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/584 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking van een verleende exploitatievergunning naar aanleiding van geweldsincidenten vanuit de horeaca-inrichting. Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Gelet op de ernst van en de zich herhalende geweldsincidenten vanuit de horeca-inrichting van verzoeker acht de voorzieningenrechter de door verweerder verrichte belangenafweging niet onredelijk en is de intrekking van de verleende exploitatievergunning in het onderhavige geval niet als disproportioneel aan te merken. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de bestuursrechtelijke procedure in het kader waarvan tot intrekking van de verleende exploitatievergunning is overgegaan op de belangen van openbare orde en veiligheid ziet en los staat van de strafrechtelijke procedure. De strafrechtelijke procedure staat op zichzelf aan het toepassen van een bestuursrechtelijke maatregel als de intrekking van een exploitatievergunning dan ook niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknr: AWB 10/584 VEROR

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker] verzoeker,

gemachtigde: mr. L.J. van der Veen, advocate te Groningen,

ten aanzien van de besluiten van 7 juni 2010 van

de burgemeester van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: mw. H.J. Blaauw, werkzaam bij de gemeente.

1. Procesverloop

Bij primair besluit van 7 juni 2010 heeft verweerder ingevolge artikel 2:33, sub c, van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2009 (hierna: APVG 2009) besloten tot intrekking van de aan verzoeker verleende exploitatievergunning ten behoeve van de horeca-inrichting [adres], gevestigd in het pand aan [adres] te Groningen, met ingang van 16 juni 2010.

Namens verzoeker is bij brief van 14 juni 2010 tegen dit besluit bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 14 juni 2010 is namens verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het voornoemde besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 23 juni 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 29 juni 2010, alwaar verzoeker werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde en J.H. ten Dam.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Verzoeker exploiteert de horeca-inrichting [adres] te Groningen.

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2010, opgemaakt door de heer [betrokkene], dient te worden afgeleid dat verzoeker op 25 maart 2010 betrokken is geweest bij een ernstig geweldsincident, waarbij verzoeker met een mes vanuit de voornoemde horeca-inrichting op een man in de Peperstraat afloopt. Na bedreigingen met een mes door verzoeker komt de onbekende man ten val, waarna verzoeker hem vastgrijpt ter hoogte van zijn borst en schouder. Vervolgens gaat verzoeker overeind staan en geeft de man diverse trappen in het gezicht. Het slachtoffer wordt daarna draaiend weggesleept door verzoeker en roerloos op straat achtergelaten.

Uit een mutatierapport van 26 april 2010 van de politie Groningen dient te worden afgeleid dat [de man] op 26 april 2010 eveneens betrokken is geweest bij een geweldsincident in de horeca-inrichting van verzoeker. [de man] zou een persoon op 25 april 2010 in de horeca-inrichting hebben bespuugd en in het gezicht hebben geslagen.

Naar aanleiding van de door de politie verstrekte informatie heeft verweerder bij aangetekende brief van 12 mei 2010 aan verzoeker meegedeeld voornemens te zijn om de exploitatievergunning van verzoeker voor [adres] in te trekken. Voorts heeft verweerder in deze brief aangegeven dat verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om een zienswijze tegen de voorgenomen intrekking van de exploitatievergunning bij verweerder in te dienen.

Namens verzoeker is bij brief van 20 mei 2010 een zienswijze bij verweerder ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze van verzoeker, ingevolge artikel 2:33, sub c, van de APVG 2009 besloten tot intrekking van de aan verzoeker verleende exploitatievergunning ten behoeve van de horeca-inrichting [adres], gevestigd in het pand aan [adres] te Groningen, met ingang van 16 juni 2010.

2.2 Regelgeving

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 2:33, sub c, van de APVG 2009 is verweerder bevoegd om een exploitatievergunning in te trekken indien er bij herhalingen incidenten vanuit een horecabedrijf plaats vinden die een bedreiging voor de openbare orde en veiligheid vormen.

In het Handhavingsprotocol Horeca Gemeente Groningen (hierna: het Handhavingsprotocol), dat op 10 januari 2009 in werking is getreden, is de bevoegdheid van de burgemeester die in artikel 2:33 van de APVG 2009 is gegeven, in onderdeel B nader in categorieën uitgewerkt. In onderdeel B is bepaald dat onder een overtreding van categorie 2 onder meer wordt verstaan: “geweld door personeel of bezoekers”. De bestuurlijke maatregel die daarbij kan worden opgelegd is als volgt omschreven:

“1e keer: schriftelijke waarschuwing;

2e keer (binnen één jaar): schriftelijke waarschuwing;

3e keer (binnen één jaar): exploitatievergunning intrekken en bevel tot sluiting van de inrichting (maximaal 12 maanden).”

Voorts is vermeld:

“NB Afhankelijk van het aantal en de ernst van de gepleegde feiten kan worden besloten om direct tot intrekking over te gaan.”

2.3 Overwegingen

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Het spoedeisende belang acht de voorzieningenrechter in het onderhavige geval gegeven.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder genomen primair besluit tot intrekking van de exploitatievergunning van verzoeker voor de horeca-inrichting [adres] met ingang van 16 juni 2010.

Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er sprake is geweest van twee geweldsincidenten vanuit de horecagelegenheid van verzoeker op 25 maart 2010 en 25 april 2010. Gelet op de ernst van het geweldsincident van 25 maart 2010 en het kort daarna wederom plaatsvinden van een incident op 25 april 2010, is daarbij afgeweken van het in het handhavingsprotocol genoemde stappenplan door de waarschuwingsfase in het onderhavige geval over te slaan.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, gelet op de bewoordingen van artikel 2:33, sub c, van de APVG 2009, de bevoegdheid van de burgemeester om een exploitatievergunning in te trekken een discretionaire bevoegdheid is, zodat het op basis van deze bevoegdheid genomen besluit van 7 juni 2010 terughoudend moet worden getoetst. De beoordeling van de ernst van de incidenten en de weging daarvan ten opzichte van de op te leggen maatregel passen binnen de bevoegdheid die artikel 2:33, sub c, van de APVG 2009 de burgemeester verleent.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat het door verweerder in het Handhavings-protocol neergelegde beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.

De vraag is vervolgens of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot intrekking van de exploitatievergunning over te gaan en of hij niet had kunnen volstaan met een lichtere maatregel.

In dat kader wordt het volgende overwogen.

Verweerder heeft zijn besluit tot intrekking met name gebaseerd op het incident dat op 25 maart 2010 heeft plaatsgevonden. Uit verklaringen van betrokkenen en getuigen, alsmede op basis van een schriftelijke weergave van de camerabeelden die van het incident zijn gemaakt, heeft verweerder de conclusie getrokken dat de mate van geweld bij dit incident dermate ernstig was, dat direct tot intrekking van de exploitatievergunning diende te worden overgegaan. Daarbij heeft verweerder zwaar laten wegen dat verzoeker, als eigenaar en bedrijfsleider, bij dit geweldsincident betrokken was, dat het slachtoffer door hem aan zijn lot is overgelaten, dat in weerwil van de met de gemeente Groningen gemaakte afspraken geen contact is opgenomen met de politie en dat kort daarna op 25 april 2010 wederom een geweldsincident vanuit de horecagelegenheid van verzoeker plaats heeft gevonden.

Bij vorenstaande wordt aangetekend dat verzoeker de door verweerder vastgestelde gang van zaken aangaande het geweldsincident op 25 maart 2010 niet weerspreekt.

Vastgesteld wordt voorts dat verzoeker zich bij het geweldsincident op 25 maart 2010 niet aan de met de gemeente Groningen aangaande de exploitatie van zijn restaurant gemaakte afspraken heeft gehouden. Verweerder kan dit verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter ernstig aanrekenen. Voor zover de gemachtigde van verzoeker betoogt dat het geweldsincident verzoeker niet dan wel niet volledig kan worden aangerekend in verband met de langdurige en ernstige beledigingen die door het slachtoffer zouden zijn geuit, waardoor er mede gelet op de culturele achtergrond van verzoeker bij hem sprake is geweest van een sterke gemoedsbeweging, volgt de voorzieningenrechter deze stelling niet. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat er blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal sprake is geweest van een achtervolging van het slachtoffer van het geweldsincident door verzoeker, verzoeker vervolgens het slachtoffer heeft bedreigd met een mes en lichamelijk letsel heeft toegebracht door het slachtoffer meerdere trappen in het gezicht te geven. Gelet op het tijdsverloop tussen de mogelijke belediging van verzoeker en het toebrengen van het lichamelijk letsel door hem, zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende momenten van reflectie bij verzoeker aanwezig geweest. Van een zodanige gemoedsbeweging dat het verzoeker niet (volledig) valt aan te rekenen dat hij een persoon ernstig heeft mishandeld, is de voorzieningenrechter dan ook op geen enkele wijze gebleken. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan dat verzoeker zich thans in voorlopige hechtenis bevindt en wordt verdacht van poging tot moord dan wel doodslag.

Verweerder heeft bij zijn afweging om tot het besluit van 7 juni 2010 te komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts terecht betrokken dat kort na het plaatsvinden van voornoemd ernstig geweldsincident, te weten op 25 april 2010, een medewerker van zijn restaurant bij wederom een geweldsincident betrokken is geweest.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder gelet op deze feiten en omstandigheden dan ook kunnen besluiten niet te volstaan met een waarschuwing, zoals aangegeven in het Handhavingsprotocol.

Vervolgens is de vraag of verweerder in het kader van de proportionaliteit in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de exploitatievergunning van verzoeker onmiddellijk en onvoorwaardelijk in te trekken.

In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat in het algemeen geldt dat bij bestuursrechtelijke besluiten de financieel-economische belangen van de vergunninghouder meegewogen worden. In dit geval is verweerder echter van mening dat, vanwege de ernst van het geweldsincident van 25 maart 2010 en het feit dat kort daarop wederom een geweldsincident vanuit de horecagelegenheid plaatsvond, de bescherming van de openbare orde en veiligheid voorrang moet krijgen boven het financieel-economisch belang van verzoeker.

Gelet op de ernst van en de zich herhalende geweldsincidenten vanuit de horeca-inrichting van verzoeker acht de voorzieningenrechter de door verweerder verrichte belangenafweging niet onredelijk en is de intrekking van de verleende exploitatievergunning in het onderhavige geval niet als disproportioneel aan te merken.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de bestuursrechtelijke procedure in het kader waarvan tot intrekking van de verleende exploitatievergunning is overgegaan op de belangen van openbare orde en veiligheid ziet en los staat van de strafrechtelijke procedure. De strafrechtelijke procedure staat op zichzelf aan het toepassen van een bestuursrechtelijke maatregel als de intrekking van een exploitatievergunning dan ook niet in de weg.

Gelet op de voorgaande overwegingen dient de houdbaarheid van het bestreden besluit in de bezwaarprocedure als overwegend positief te worden ingeschat. Om die reden ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg als voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 30 juni 2010, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

typ: hvk

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.