Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2927

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/224 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen partijen in essentie gaat over de reikwijdte van de bewindvoering. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een inhoudelijk juridisch geschil, waarbij het niet aangaat om artikel 6:6 van de Awb toe te passen. In dit verband wijst de rechtbank er op dat verweerder eigenlijk bedoelt, maar dit niet in het bestreden besluit tot uitdrukking brengt, dat de bewindvoering ten aanzien van het indienen van bezwaar in het onderhavige geval niet erkend wordt en dat de enige mogelijkheid om de procedure namens eisers te voeren is om zich te laten machtigen. Gegeven het feit dat verweerder zich goed bewust is van de controverse over dit juridische aspect, en zich ook bewust is van het feit dat zijn stellingname aanvechtbaar is, acht de rechtbank het dan ook opmerkelijk om met toepassing van artikel 6:6 van de Awb het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van ontbrekende gegevens, als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, maar veeleer van een inhoudelijk juridisch conflict voor wat betreft de reikwijdte van de bewindvoering, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het bezwaarschrift van eisers ten onrechte met toepassing van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 10/224 WWB

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], eisers,

Gemachtigde: mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Prins, werkzaam bij de gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Eisers hebben op 11 maart 2010 beroep ingesteld tegen het besluit van 22 februari 2010.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit van 29 oktober 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 7 juni 2010.

Eisers werden aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigde en [betrokkene], bewindvoerder van eisers.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde en mr. R.O. Bakker.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en procesverloop

Eisers ontvangen een bijstandsuitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) van de gemeente Groningen.

Op 6 december 2007 hebben eisers een afzonderlijk verzoekschrift, strekkende tot instelling van een bewind over de goederen die hen (zullen) toebehoren, ingediend bij de kantonrechter.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 8 januari 2008 en 2 december 2008 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan eisers en Kompas tot bewindvoerder benoemd.

Namens eisers zijn op 1 september 2009 afzonderlijke aanvragen om bijzondere bijstand bij verweerder ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op de navolgende aspecten:

- de kosten van bewindvoering over 2008;

- de kosten van bewindvoering over 2009.

Bij afzonderlijke primaire besluiten van 29 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over het jaar 2008 afgewezen en de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over het jaar 2009 niet in behandeling genomen, aangezien binnen de gegeven hersteltermijn de ontbrekende gegevens niet zijn overgelegd.

Namens eisers is door R.A. de Leeuw, bewindvoerder, bij brief van 8 december 2009 een bezwaarschrift tegen deze besluiten bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 29 december 2009 aan de voornoemde bewindvoerder medegedeeld dat bij het bezwaarschrift geen machtiging is gevoegd, waaruit blijkt dat de bewindvoerder de belangen van eisers in deze procedure mag behartigen. Voorts heeft verweerder aangegeven dat de bewindvoerder in de gelegenheid wordt gesteld om dit verzuim voor 12 januari 2010 te herstellen. Verweerder heeft daarnaast in deze brief gewezen op het feit dat het niet tijdig herstellen van het vorenbedoelde verzuim tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift kan leiden.

De bewindvoerder heeft naar aanleiding van deze brief niet de verlangde machtiging overgelegd.

Verweerder heeft daarop in een brief van 27 januari 2010 aan de bewindvoerder opnieuw gewezen op het ontbreken van een machtiging om de onderhavige procedure namens eisers te voeren. Daarbij heeft verweerder de bewindvoerder wederom in de gelegenheid gesteld het verzuim voor 3 februari 2010 te herstellen. Verweerder heeft daarnaast in deze brief gewezen op het feit dat het niet tijdig herstellen van het vorenbedoelde verzuim tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift zal leiden.

De bewindvoerder heeft naar aanleiding van deze brief wederom de verlangde machtiging niet overgelegd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het namens eisers ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

3.2 Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Ingevolge artikel 6:6 aanhef en onder a van de Awb kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter ten aanzien van een meerderjarige persoon die als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, beschermingsbewind instellen over een of meer van de goederen welke aan die persoon toebehoren of zullen toebehoren.

Ingevolge artikel 3:1 van het BW zijn goederen alle zaken en alle vermogensrechten.

Ingevolge artikel 3:2 van het BW zijn zaken de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.

Ingevolge artikel 3:6 van het BW zijn rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, vermogensrechten.

Artikel 1:441, eerste lid, van het BW luidt als volgt:

‘Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende.’

Artikel 1:444 van het BW luidt als volgt:

‘Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.’

3.3 Rechtsoverwegingen

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder het bezwaarschrift van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat bij het bezwaarschrift geen machtiging is gevoegd en dat dit verzuim niet binnen de gestelde termijn hersteld is. Naar de mening van verweerder voldoet het ingediende bezwaarschrift niet aan de wettelijke eisen, als bedoeld in artikel 2:1 en 6:6 van de Awb, zodat dit terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Tussen partijen is in geschil of verweerder in het onderhavige geval een machtiging, als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, van de Awb van de bewindvoerder van eisers mocht verlangen naar aanleiding van het indienen van een bezwaarschrift namens eisers. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de kantonrechter bij afzonderlijke beschikkingen van 8 januari 2008 en 2 december 2008 een bewind heeft ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan eisers en Kompas tot bewindvoerder benoemd heeft.

Onder verwijzing naar beantwoording van Kamervragen door de minister van Justitie (TK 2005-2006, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3757) stelt de gemachtigde van eisers zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was om in het onderhavige geval een machtiging te verlangen. In dit verband wijst de gemachtigde er op dat uit de beantwoording door de voornoemde minister naar voren komt dat het doen van een verzoek om bijzondere bijstand, het indienen van bezwaar tegen de weigering daarvan en ook het ondertekenen van bedoelde periodieke verklaringen in het kader van de WWB past in de taak van de bewindvoerder, met name in geval de betrokken persoon vanwege zijn geestelijke toestand niet in staat is machtiging te geven of zich om zijn financiële reilen en zeilen in het geheel niet bekommert. Het gaat hierbij om rechtshandelingen. Ter zake kan de rechthebbende door de bewindvoerder als diens wettelijke vertegenwoordiger worden vertegenwoordigd, en dit is, evenals bij curatele, niet anders indien het publiekrechtelijke rechtshandelingen betreft. Het gaat bij het aanvragen van of het bezwaar maken tegen een weigering van bijstand ook niet om rechtshandelingen die zo hoogstpersoonlijk van aard zijn, dat voor vertegenwoordiging om die reden geen plaats is en zodanige rechtshandeling reeds hierom uitsluitend door de betrokkene zelf zou kunnen worden verricht.

Voorts verwijst de gemachtigde naar een herhaling van voornoemd standpunt door de minister in het vergaderjaar 2008-2009 (TK 2008-2009, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3725), waarbij tevens het volgende is aangegeven:

‘Voorts deel ik u mee dat in het bij mijn ministerie in voorbereiding zijnde wetsvoorstel over de curatele, het bewind en het mentorschap, dat ik nog dit jaar in consultatie hoop te brengen, geëxpliciteerd zal worden dat de bewindvoerder voor de rechthebbende wiens goederen onder bewind staan, zonder uitzondering alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Mocht problematiek als in de vragen verondersteld heden ten dage nog bestaan dan zullen hiermee de bevoegdheden van de bewindvoerder eenduidig zijn.’

Gelet op de voornoemde toelichting is de gemachtigde van eisers van mening dat verweerder ten onrechte uitgaat van een uitermate restrictief en beperkt idee over de taken van de bewindvoerder en het begrip bewind.

Voor de rechthebbende heeft de onderbewindstelling de volgende gevolgen:

a. Hij verliest het beheer over de onder bewind gestelde goederen. Dit beheer komt aan de bewindvoerder toe (artikel 1:438, eerste lid, van het BW). Het beheer houdt in het algemeen de zorg voor de instandhouding van het goed en de normale exploitatie daarvan in.

b. Hij kan alleen met medewerking van de bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen beschikken (artikel 1:438, tweede lid, van het BW).

Bij de vervulling van zijn taak vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte (artikel 1:441, eerste lid, van het BW). Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid is in zoverre beperkt dat de bewindvoerder ten aanzien van een aantal in het tweede lid van artikel 1:441 van het BW genoemde handelingen de toestemming van de rechthebbende behoeft, of, als deze zijn toestemming weigert dan wel daartoe niet in staat is, de machtiging van de kantonrechter.

Van belang is vooral dat de bewindvoerder de toestemming van de rechthebbende c.q de kantonrechter behoeft voor het beschikken of het aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder bewind staand goed. Toestemming of machtiging is evenwel niet nodig als de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 10 december 2009 heeft de kantonrechter aan de bewindvoerder van eisers een machtiging verleend voor de kosten van bewindvoering over 2008, de kosten van bewindvoering over 2009 en een beredderingsnota.

In de visie van verweerder is de vraag of het indienen van een aanvraag om bijstand een goed is of niet, dus geen overbodige formaliteit, maar een essentiële voorwaarde voor het overgaan van de beschikkingsbevoegdheid van eisers op hun bewindvoerder. Naar de mening van verweerder kan het indienen van een bijstandsaanvraag niet worden aangemerkt als een zaak in de zin van artikel 3:2 van het BW. Evenmin kan in de ogen van verweerder een bijstandsaanvraag (anders dan het recht op bijstand) aangemerkt worden als een vermogensrecht. Daarbij acht verweerder het van belang dat het recht op bijstand ingevolge artikel 43 van de WWB op aanvraag door verweerder dient te worden vastgesteld. Het enkel indienen van een bijstandsaanvraag is dan te weinig concreet om al een vermogensrecht te kunnen zijn in de zin van artikel 3:6 van het BW. Aangezien een bijstandsaanvraag niet kan worden beschouwd als een goed is de bevoegdheid om een bijstandsaanvraag in te dienen bij eisers gebleven en niet overgegaan op de bewindvoerder, aldus verweerder. Onder die omstandigheden mag in de visie van verweerder in het onderhavige geval dan ook een machtiging worden verlangd.

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat het geschil zich beperkt tot de rechtsvraag of de bewindvoerder van eisers gerechtigd is om namens eisers een bezwaarschrift in te dienen tegen het voornoemde besluit van verweerder. Daarbij heeft verweerder het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb van toepassing geacht in verband met het ontbreken van een machtiging van de bewindvoerder door eisers.

De rechtbank merkt op dat artikel 2:1, tweede lid, Awb verweerder de mogelijkheid biedt om van een gemachtigde een schriftelijke machtiging te verlangen. Nu de bewindvoerder van eisers zich echter niet als gemachtigde heeft gesteld, maar als bewindvoerder, ligt het vragen naar een machtiging niet voor de hand en kan het niet overleggen van een machtiging niet zonder meer worden gezien als het niet voldoen aan artikel 6:5 Awb dan wel enig ander bij de wet gesteld vereiste zoals bedoeld in artikel 6:6 Awb.

De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen partijen in essentie gaat over de reikwijdte van de bewindvoering. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een inhoudelijk juridisch geschil, waarbij het niet aangaat om artikel 6:6 van de Awb toe te passen. In dit verband wijst de rechtbank er op dat verweerder eigenlijk bedoelt, maar dit niet in het bestreden besluit tot uitdrukking brengt, dat de bewindvoering ten aanzien van het indienen van bezwaar in het onderhavige geval niet erkend wordt en dat de enige mogelijkheid om de procedure namens eisers te voeren is om zich te laten machtigen. Gegeven het feit dat verweerder zich goed bewust is van de controverse over dit juridische aspect, en zich ook bewust is van het feit dat zijn stellingname aanvechtbaar is, acht de rechtbank het dan ook opmerkelijk om met toepassing van artikel 6:6 van de Awb het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van ontbrekende gegevens, als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, maar veeleer van een inhoudelijk juridisch conflict voor wat betreft de reikwijdte van de bewindvoering, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het bezwaarschrift van eisers ten onrechte met toepassing van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk verklaard.

Reeds om deze reden is het beroep van eisers gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Hoewel hiermee kan worden volstaan, ziet de rechtbank om proceseconomische redenen aanleiding om het volgende te overwegen.

Ingevolge artikel 1:431, eerste lid, van het BW, voor zover van belang, kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

De rechtbank overweegt dat het doel van voornoemd artikel is om bewind in te stellen wanneer iemand zijn vermogensrechtelijke belangen niet kan waarnemen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het evident is, en geen nadere toelichting behoeft, dat het aanvragen van een bijstandsuitkering en het procederen daarover een vermogensrechtelijk belang raakt. Daarbij is het niet van belang of het een goed is of niet.

De rechtbank overweegt voorts dat artikel 1:431, eerste lid, van het BW strekt tot het veilig stellen van de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende. Het niet indienen van een bezwaarschrift in het onderhavige geval kan leiden tot een verslechtering van de vermogensrechtelijke positie van de rechthebbende. Naar het oordeel van de rechtbank strekt het door de kantonrechter ingestelde bewind zich dan ook uit tot toekomstige vermogensrechten van de rechthebbende. De rechtbank ziet zich gesterkt in deze opvatting door uitspraken van de ministers van Justitie in de Tweede Kamer in het vergaderjaar 2005-2006 en 2008-2009 en ziet in hetgeen door verweerder naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten om dit in twijfel te trekken.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eisers gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 874,-- in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad € 41,-- aan hen dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op het bezwaarschrift van eisers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 874,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier van de rechtbank dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad € 41,-- aan hen dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. R.L. Vucsán, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 10 juni 2010 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: hvk