Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2877

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/461 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een eerder getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/461 WRO

Uitspraak van de voorzieningenrechter, als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek van

Qbuzz BV, gevestigd te Amersfoort,

verzoekster,

gemachtigde: mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht,

in het geding tussen

[belanghebbende],

belanghebbenden,

gemachtigde: mr. A.E. Noordhuis,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Marne, verweerder,

gemachtigde: W.K. de Wind, werkzaam bij de gemeente.

1. Onderwerp van het geschil

Bij primair besluit van 21 januari 2010 heeft verweerder aan verzoekster een vergunning verleend voor het aanleggen van parkeerplaatsen en het plaatsen van een was- en tankinstallatie op het perceel aan de Panserweg 11a te Zoutkamp.

Tegen dit besluit hebben belanghebbenden bij brief van 2 maart 2010 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van 27 april 2010 hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het primaire besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 11 mei 2010 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit van 21 januari 2010 geschorst.

Bij besluit op bezwaar van 18 mei 2010 heeft verweerder het bezwaar van belanghebbenden ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanpassing van de motivering gehandhaafd, inhoudende het verlenen van een vergunning voor het aanleggen van parkeerplaatsen van een was- en tankinstallatie op het voornoemde perceel te Zoutkamp.

Bij verzoekschrift van 21 mei 2010 is namens verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

2. Zitting

Openbare behandeling van het verzoek om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 juni 2010, waar verzoekster zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [betrokkene] Belanghebbenden hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

3. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

Ingevolge artikel 8:87, tweede lid, van de Awb zijn de artikel 8:81, tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 van overeenkomstige toepassing. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om opheffing of wijziging eveneens worden gedaan door een belanghebbende die door de voorlopige voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, door het bestuursorgaan of door het beroepsorgaan.

3.1 Nieuwe feiten en/of omstandigheden

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het systeem van de wet voortvloeit dat de in artikel 8:87 van de Awb neergelegde mogelijkheid tot wijziging of opheffing van een getroffen voorziening slechts in beeld komt, indien sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden ná de datum waarop de voorziening is getroffen doch vóór de datum waarop op het bezwaar of beroep is beslist. Tevens kan dit artikel van toepassing zijn indien sprake is van feiten en/of omstandigheden die eerst na de datum waarop de voorziening is getroffen doch vóór de datum waarop op het bezwaar of beroep is beslist, bekend zijn geworden, doch, waren zij eerder bekend geweest, wellicht niet tot het treffen van een voorziening dan wel tot het treffen van een andere voorziening hadden geleid.

Aan de uitspraak van 11 mei 2010 heeft de voorzieningenrechter - kort samengevat - de overweging ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan industrieterrein-Noord, kern Zoutkamp’. In dit verband heeft de voorzieningenrechter er op gewezen dat het vigerende bestemmingsplan slechts bedrijven toe staat die op de ‘Staat van inrichtingen’ zijn vermeld en een busremise is als zodanig niet op die lijst vermeld. Daar komt bij dat verweerder in het verweerschrift heeft erkend dat het voorliggende bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren gebracht dat de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 11 mei 2010 de schorsing van de verleende bouwvergunning onvoorwaardelijk heeft toegewezen en dat deze op zijn vroegst na afloop van de beroepstermijn vervalt, indien er geen beroep wordt ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 18 mei 2010. In de visie van verzoekster is het niet erg aannemelijk dat geen beroep wordt ingesteld tegen voornoemd besluit. Daarbij komt dat verweerder zich in voornoemd besluit op het standpunt stelt dat het bouwplan in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan. Aangezien de schorsing van de bouwvergunning door de voorzieningenrechter voor onbepaalde tijd en derhalve zonder tijdslimiet is bepaald, is in verband met het nemen van het besluit op bezwaar door verweerder een opheffing van de getroffen voorlopige voorziening in de visie van verzoekster op zijn plaats, nu immers de tegen de oorspronkelijk verleende bouwvergunning ingediende bezwaren ongegrond zijn verklaard en de bouwvergunning door verweerder is gehandhaafd. In dit verband acht verzoekster van belang dat zij haar stalling voor de bussen in Niekerk heeft, maar door verweerder een last onder dwangsom is opgelegd, omdat zij de huidige locatie zonder de daartoe noodzakelijke vergunning in gebruik heeft genomen. Verzoekster dient dan ook uiterlijk 1 juli 2010 deze locatie buiten gebruik te stellen. Indien verzoekster op dat moment niet over een busremise op de locatie in Zoutkamp zou kunnen beschikken, is zij niet in staat om de dienstregeling adequaat uit te voeren.

Gebleken is dat de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 11 mei 2010 geoordeeld heeft dat het thans voorliggende bouwplan in strijd komt met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan. In het verweerschrift heeft verweerder ook erkend dat het bouwplan in strijd komt met het vigerende bestemmingsplan, nu een busremise niet genoemd wordt in de ‘Staat van inrichtingen’.

Gelet hierop ligt ter beantwoording van de voorzieningenrechter allereerst de rechtsvraag voor of het gewijzigde standpunt van verweerder, zoals neergelegd in het besluit op bezwaar van 18 mei 2010, een nieuw relevant feit in de zin van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb oplevert. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Anders dan in het verweerschrift heeft verweerder in het besluit op bezwaar aangegeven dat het bouwplan in overeenstemming is met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan. Redengevend daartoe is dat onder transportbedrijven mede moet worden begrepen de stalling van bussen. Verweerder baseert dit standpunt mede op de voor bedrijven geldende milieuregelgeving. In dat kader wordt in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer onder een transportbedrijf (hierna: het Besluit) verstaan: een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het parkeren of stallen van voertuigen die voor het transport van mensen of goederen over de weg bestemd zijn. Het stallen van bussen valt volgens verweerder hiertoe ook te rekenen.

Zoals hiervoor reeds overwogen vloeit uit het systeem van de wet voort dat de in artikel 8:87 van de Awb neergelegde mogelijkheid tot wijziging of opheffing van een getroffen voorziening slechts in beeld komt, indien sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden ná de datum waarop de voorziening is getroffen. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster rechtstreeks in haar belang getroffen is door de bij uitspraak van 11 mei 2010 getroffen voorlopige voorziening. Vastgesteld dient te worden dat verzoekster een aanmerkelijk belang heeft bij de beoordeling van het verzoek om toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb, aangezien zij zo spoedig mogelijk een aanvang wil maken met de bouwwerkzaamheden. Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake is van een nieuw feit ten opzichte van de eerder gevoerde procedure, namelijk het door verweerder afgegeven besluit op bezwaar, waarbij de bezwaren van belanghebbenden ongegrond zijn verklaard en het primaire besluit tot het verlenen van bouwvergunning is gehandhaafd. Anders dan in de eerdere procedure stelt verweerder zich thans op het standpunt dat de bouwvergunning in overeenstemming is met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan. Gelet hierop kan verzoekster in haar verzoek om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening worden ontvangen.

3.2 Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ww – voor zover hier van belang - mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd, indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening (...);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Het perceel, waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan ‘industrieterrein-Noord, kern Zoutkamp’ en heeft de bestemming ‘Industriële bedrijven’.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan zijn de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor bedrijven, zoals bedoeld in de categorieën 1, 2, 3 en 4 van de bij deze voorschriften behorende ‘Staat van inrichtingen’ met bijbehorende gebouwen, andere bouwwerken en erven.

In de ‘Staat van inrichtingen’ wordt een busremise niet specifiek als inrichting genoemd. Wel noemt de ‘Staat van inrichtingen’ transportbedrijven als inrichting. Transportbedrijven worden volgens de ‘Staat van inrichtingen’ gerekend tot de derde categorie en zijn om die reden niet uitgesloten.

3.3 Rechtsoverwegingen

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ter zitting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter komen vast te staan dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de aanvang van de werkzaamheden in verband met de realisering van een busremise en een bijbehorende was- en tankinstallatie op het voornoemde perceel te Zoutkamp. In dat verband wijst de voorzieningenrechter er op dat door de gemachtigde van verweerder ter zitting benadrukt is dat de tijdelijke stallingsruimte voor de bussen in Niekerk uiterlijk op 1 juli 2010 buiten gebruik dient te zijn op straffe van het verbeuren van een dwangsom. Daarbij heeft de gemachtigde van verweerder onweersproken gesteld dat het standpunt van verweerder inhoudt dat niet nogmaals zal worden ingestemd met een opschorting van de opgelegde last onder dwangsom. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de door de gemachtigde van belanghebbenden ter zitting naar voren gebrachte en niet onderbouwde stelling dat het met de handhaving door verweerder wel los zal lopen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten tijde van de zitting in het kader van deze procedure nog geen beroep is ingesteld door (de gemachtigde van) belanghebbenden, zodat thans een globale inschatting van het besluit op bezwaar van 18 mei 2010 van verweerder dient te worden gemaakt.

Met betrekking tot de houdbaarheid van het voornoemde besluit overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Tussen partijen is allereerst in geschil of het onderhavige bouwplan voldoet aan de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan.

In dit verband heeft verweerder in de motivering van het besluit op bezwaar zich op het standpunt gesteld, anders dan eerder in het verweerschrift, dat het thans voorliggende bouwplan niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Redengevend daartoe is dat onder transportbedrijven mede moet worden begrepen de stalling van bussen. Verweerder baseert dit standpunt op de voor bedrijven geldende milieuregelgeving. In dat kader wordt in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer onder een transportbedrijf (hierna: het Besluit) verstaan: een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het parkeren of stallen van voertuigen die voor het transport van mensen of goederen over de weg bestemd zijn. Het stallen van bussen valt volgens verweerder hiertoe ook te rekenen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de planvoorschriften van het bestemmingsplan geen definitiebepaling kennen voor wat betreft het begrip transportbedrijf. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aansluiting te zoeken bij het normale spraakgebruik. Volgens het Van Dale-woordenboek dient onder een transportbedrijf te worden verstaan: een vervoersbedrijf.

Gelet op de voornoemde definities van het begrip transportbedrijf wordt de verwijzing van verweerder naar de begripsomschrijvingen van het Besluit en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) door de voorzieningenrechter niet gevolgd, aangezien in het vigerende bestemmingsplan in geen enkel opzicht wordt verwezen naar de voornoemde begripsomschrijving. Onder deze omstandigheden dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spraakgebruik en de context van het begrip transportbedrijf te prevaleren boven de begripsomschrijving van het Besluit en het Activiteitenbesluit.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het onderhavige bouwplan betrekking heeft op het aanleggen van parkeerplaatsen en het plaatsen van een was- en tankinstallatie op het voornoemde perceel te Zoutkamp. Voorts dient te worden vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat de combinatie van een tankinstallatie met additivenbijmenginstallatie en wasinstallatie met lichtmasten, alsmede het gebruik van de gronden ten behoeve van de stalling van busvoertuigen niet rechtstreeks onder de ‘Staat van inrichtingen’ valt te brengen.

In de van het bestemmingsplan deel uitmakende ‘Staat van inrichtingen’ wordt het bedrijf van verzoekster niet genoemd. Ter beoordeling staat derhalve of het bedrijf van verzoekster naar de aard gelijk te stellen is met de inrichtingen als bedoeld in categorie 1, 2, 3 en 4 van de ‘Staat van inrichtingen’, nu het bestemmingsplan deze inrichtingen op het perceel toestaat (vgl. een uitspraak van 27 januari 2010 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), kenbaar uit LJN: BL0744).

Gelet op de in de staat opgenomen categorie-indeling van de inrichting transportbedrijf in categorie 3 stelt verweerder zich op het standpunt dat de inrichting van verzoekster gelijk gesteld kan worden aan een inrichting, als bedoeld in categorie 3 in de ‘Staat van inrichtingen’. De rechtbank overweegt dat de begripsbepaling van het Van Dale-woordenboek niet uitsluit dat een transportbedrijf eveneens betrekking kan hebben op het vervoer van personen. Voorts overweegt de rechtbank dat de aard van de activiteiten van verzoekster voor wat betreft het gebruik van het beoogde bouwplan niet in overwegende mate verschilt van de activiteiten van een transportbedrijf. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de aan verzoekster verleende bouwvergunning in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan.

Aangezien het onderhavige bouwplan in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan was verweerder gehouden om de gevraagde bouwvergunning te verlenen ingevolge het dwingend bepaalde toetsingskader van artikel 44, eerste lid, van de Ww. Aan de stelling van de gemachtigde van belanghebbenden dat er in Zoutkamp en Ulrum geschiktere locaties bestaan voor de realisering van een busremise en een was- en tankinstallatie kan worden voorbijgegaan, aangezien verweerder gehouden is om op grond van de ingediende bouwaanvraag te beslissen en het binnen het kader van een gebonden beschikking, zoals in het onderhavige geval, het niet toegestaan is om op grond van een belangenafweging de meest adequate dan wel minder bezwaarlijke locatie bij de beoordeling te betrekken. In zoverre kan de grond van de gemachtigde van belanghebbenden dan ook niet slagen.

De gemachtigde van belanghebbenden heeft ter zitting voorts nog aangevoerd dat de camping van belanghebbenden op ongeveer 30 meter gesitueerd is van het terrein, dat door verzoekster gehuurd wordt voor het stallen van de bussen. Het in opdracht van verweerder uitgebrachte akoestische rapport in het kader van de beoordeling of voldaan kan worden aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit is onzorgvuldig tot stand gekomen, aangezien slechts de gevel van de woning van belanghebbenden is meegenomen en niet de caravans en tenten op het campingterrein. De gemachtigde van belanghebbenden is dan ook van mening dat verweerder de door verzoekster ingediende melding ingevolge het Activiteitenbesluit ten onrechte geaccepteerd heeft.

Artikel 52, eerste lid, van de Ww luidt als volgt:

‘In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet is vereist, tenzij de beschikking op de aanvraag om laatstbedoelde vergunning reeds is gegeven, en

a. over het ontwerp van de beschikking geen zienswijzen naar voren zijn gebracht en de beschikking niet afwijkt van dat ontwerp, of

b. indien het onder a gestelde niet van toepassing is:

1. zes weken zijn verstreken na de dag waarop een exemplaar van die beschikking ter inzage is gelegd, of

2. binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en op dat verzoek is beslist.’

Artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (Wm) luidt als volgt:

‘1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën van inrichtingen worden aangewezen, waarvoor de in het eerste lid bedoelde verboden gelden.

3. Voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid dan wel voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, niet met betrekking tot veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften.

4. Voor een inrichting die behoort tot een aangewezen categorie van inrichtingen als bedoeld in het tweede lid, geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder b, evenmin met betrekking tot veranderingen van die inrichting of van de werking daarvan, voor zover daarop regels, gesteld krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40, van toepassing zijn.’

Voor zover de gemachtigde van belanghebbenden heeft beoogd te stellen dat verweerder de onderhavige bouwvergunning had moeten aanhouden ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Ww volgt de voorzieningenrechter deze stelling niet. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van belanghebbenden niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het onderhavige geval de bepalingen van het Activiteitenbesluit niet op de inrichting van verzoekster van toepassing zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In artikel 2.17, eerste lid aanhef en onder e, van het Activiteitenbesluit is, voor zover van belang, bepaald dat de in dit artikel bedoelde waarden slechts gelden in- en aanpandige geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten.

Ingevolge artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit wordt onder een geluidsgevoelige ruimte verstaan: een geluidsgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder (Wgh).

Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt onder een geluidsgevoelige ruimte verstaan: een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2.

Ter zitting is door de gemachtigde van verzoekster onweersproken gesteld dat in het akoestisch rapport geen rekening is gehouden met de aanwezige caravans en tenten, aangezien deze niet kunnen worden aangemerkt als geluidsgevoelige objecten in de zin van het Activiteitenbesluit. Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat uit het verrichte akoestisch onderzoek is gebleken dat voor wat betreft de gevel van de woning van belanghebbenden kan worden voldaan aan de in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bedoelde geluidgrenswaarden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de gemachtigde van verzoekster stellingen voor wat betreft de uitgangspunten en de uitkomsten van het verrichte akoestisch onderzoek.

Nu niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een uitzonderingssituatie op de toepasselijkheid van het Activiteitenbesluit heeft verweerder naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter terecht het Activiteitenbesluit op de inrichting van verzoekster van toepassing geacht. Hieruit volgt dat het vereiste van een milieuvergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wm, voor het bouwen van de onderhavige busremise en de was- en tankinstallatie niet (meer) aan de orde is, zodat verweerder terecht heeft aangenomen dat de aanvraag om bouwvergunning ter zake niet behoefde te worden aangehouden ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Ww. De grond van de gemachtigde van belanghebbenden kan dan ook niet slagen.

Voor zover de gemachtigde beoogt te stellen dat de geluidsvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit worden overschreden, overweegt de voorzieningenrechter dat dit aspect niet bij de inhoudelijke beoordeling van het thans aanhangige verzoek om opheffing van de eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden betrokken. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat een eventuele overschrijding van de op grond van het Activiteitenbesluit geldende geluidgrenswaarden niet de toepasselijkheid van het Activiteitenbesluit als zodanig raakt, maar de beoordeling of verweerder in het onderhavige geval terecht de melding ingevolge het Activiteitenbesluit heeft geaccepteerd. Gelet op het bepaalde in de huidige milieuregelgeving en vaste jurisprudentie van de ABRS is de voorzieningenrechter (en ook de rechtbank) daartoe niet bevoegd.

Gelet op de voorgaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de houdbaarheid van het besluit op bezwaar van 18 mei 2010 van verweerder bij een globale inschatting als overwegend positief dient te worden ingeschat.

Alles overziende leidt het voorgaande de voorzieningenrechter dan ook tot de conclusie dat sprake is van gewijzigde omstandigheden waaraan overwegende betekenis moet worden toegekend, boven het met het voortduren van de voorlopige voorziening te dienen belang.

Het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening wordt om die reden toegewezen, in die zin dat de eerdere getroffen voorlopige voorziening in de zaak met procedurenummer 10/363 WRO met onmiddellijke ingang wordt opgeheven.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder ingevolge artikel 8:84, vierde lid, in samenhang bezien met artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoekster te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 874,-- in verband met een door een derde verleende professionele rechtsbijstand. Voorts ziet de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:87, derde lid, van de Awb aanleiding om te bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 298,-- aan haar dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- wijst het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening toe;

- heft de getroffen voorlopige voorziening in de zaak met procedurenummer 10/363 WRO met onmiddellijke ingang op;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 874,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten alsmede het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 298,-- aan haar dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge als voorzieningenrechter en door haar in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2010, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

typ: hvk