Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2541

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
18/670397-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigerende observandus. Rechtbank legt zes jaar gevangenisstraf en TBS op voor poging tot moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670397-09 (promis)

datum uitspraak: 15 juli 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. C. Eenhoorn

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [plaats],

thans preventief gedetineerd in P.I. Ter Apel, Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

14 januari 2010, 12 april 2010 en 1 juli 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2009, in de gemeente Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, op die

[slachtoffer] heeft geschoten en/of (vervolgens) dit pistool/vuurwapen tegen het

hoofd van die [slachtoffer] heeft gezet en/of (daarna) de trekker van dat

pistool/vuurrwapen heeft overgehaald,terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 9 oktober 2009, in de gemeente Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven en/of om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een pistool, althans een

vuurwapen, op die [slachtoffer] heeft geschoten en/of (vervolgens) dit

pistool/vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gezet en/of (daarna) de

trekker van dat pistool/vuurwapen heeft overgehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging als volgt zal worden gewijzigd:

Na “hoofd” primair en subsidiair invoegen “/hals”.

Deze vordering is door de rechtbank op de terechtzitting, gehoord verdachte en de raadsman, toegewezen.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er is sprake van voorbedachte raad. Na een eerste confrontatie heeft verdachte het slachtoffer gevolgd in de richting van het station. Verdachte heeft na een tweede confrontatie naar zijn zeggen een vuurwapen overhandigd gekregen van iemand die hij tegenkwam op zijn route. Tussen het moment van het ontvangen van het vuurwapen en het lossen van het schot zaten vele momenten waarop verdachte een andere keuze had kunnen maken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat er veel onduidelijk is in dit dossier en dat de feiten moeilijk zijn vast te stellen. Diverse getuigen spreken elkaar tegen of hebben er belang bij een ander verhaal te vertellen. De verklaring van getuige [1] ondersteunt de lezing van verdachte. Verdachte is door het latere slachtoffer en zijn vrienden in elkaar geslagen en heeft hierdoor diverse verwondingen opgelopen die ook uit het dossier blijken. Hij heeft daarna het slachtoffer niet achtervolgd maar was toevallig ook onderweg naar het station. Hij is derhalve niet bewust de confrontatie aangegaan maar kwam het slachtoffer en zijn vrienden daar tegen met alle gevolgen van dien. Het is bovendien maar de vraag of het opzet van verdachte was gericht op de dood van het slachtoffer aangezien niet is uitgezocht of het kleine vuurwapen dat is gebruikt wel geschikt was om iemand mee dood te schieten.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2009, opgenomen in dossier nr. 2009100428, d.d. 21 december 2009, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven, (pagina 46)

Bij de ABN/AMRO stond de man opeens voor mij. Ik hoorde de man roepen: “jij gaat dood”, althans woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de man een pistool in zijn handen vasthield. Hij hield dit wapen in mijn richting gericht. Ik ben toen achter één van de studenten gaan staan en probeerde mij daarachter te verschuilen. Ik heb toen de student weggedrukt en kwam tegenover de man te staan. De afstand was denk ik één meter. Het kan zijn dat de man iets heeft geroepen in de trant van: “ben je er klaar voor”. Ik had toen het gevoel dat ik eraan zou gaan. Onmiddellijk hierna heeft de man het vuurwapen volgens mij op mijn borst gedrukt. Ik hoorde vervolgens een doffe knal en voelde heel veel druk op mijn borst. Ik besefte dat ik was geraakt.

Toen ik weer omhoog keek naar de man zag en voelde ik dat de man het wapen aan de linkerzijde tegen mijn slaap drukte. Op het moment dat de man zijn wapen tegen mijn hoofd hield haalde hij de trekker over. Ik dacht dit tenminste omdat ik een klik hoorde.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 9 oktober 2009, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [Verdachte], zakelijk weergegeven, (pagina 116 en 117)

Ik pakte toen het vuurwapen uit mijn zak. Ik heb gewoon een keer de trekker overgehaald. Ik kreeg een tweede kans en toen heb ik het pistool gepakt en hem afgeschrikt door het pistool tegen hem aan te zetten. Tegen zijn nek of zo.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 oktober 2009, opgenomen in voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven, (p. 84 en 85)

Ik zag dat de man zijn pas versnelde en in de richting van de jongen liep. Ik zag toen hij wat dichterbij kwam, hij het wapen al langs zijn lichaam hield. Er liep een aantal mensen voor ons en een aantal mensen achter ons. Een vriend van mij, [naam], liep met de jongen mee in de richting van de pinautomaat. Ik zag dat de man zijn arm omhoog deed en zijn arm strekte. Vanaf dat moment heb ik gekeken waar de man naar schoot. Ik zag dat het in de richting van de jongen was. Ik zag dat op het moment dat de man wilde schieten de jongen [naam] voor zich trok. Maar de jongen werd zelf geraakt.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 9 oktober 2009, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3], zakelijk weergeven, (p.77)

Toen keek ik naar de donkere jongen. Ik zag dat hij in zijn rechterhand naast zijn been een pistool hield. Hij had zijn arm gestrekt langs zijn lichaam. Toen liep hij op het slachtoffer af. Deze verschool zich wat achter een vriend van mij, [naam]. Toen zei de jongen: “kijk mij aan, kijk me aan”. Toen was hij drie meter bij die jongen vandaan en toen schoot de donkere man.

Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 9 november 2009, opgenomen in voornoemd dossier

Sporen veiliggesteld op de [adres] te Groningen, ter hoogte van de [naam bank], (pagina 16):

SIN AABJ8236NL: kogel

SIN AABJ8234NL: huls

SIN AABJ8237NL: projectiel

Sporen en sporendrager overgenomen op het politiebureau aan de Rademarkt te Groningen (pagina 17):

SIN AABJ8245NL: kogel, in het lichaam van het slachtoffer, verwijderd in het ziekenhuis

Een proces-verbaal van onderzoek naar munitie/munitieonderdelen aangetroffen op de plaats delict d.d. 5 januari 2010, nr. 2009100428, inhoudende de bevindingen van [naam brigadier], brigadier regiopolitie Drenthe, gecertificeerd vuurwapencoördinator van de Noordelijke Recherche Eenheid.

De huls (SIN AABJ8234NL) en de kogelpunt (mark 4, SIN AABJ8245NL) komen overeen met de aangetroffen patroon genoemd onder munitie 1 (SIN AABJ8237NL).

Deze munitie (SIN AABJ8237NL) van kaliber 6.35 mm is bestemd en geschikt om met een vuurwapen te worden afgeschoten.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord. Door [slachtoffer] van dichtbij in de borst te schieten en vervolgens het wapen op het hoofd van [slachtoffer] te zetten en de trekker over te halen heeft verdachte tenminste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou overlijden. Dat bij de eerste poging de kogel geen vitale delen heeft geraakt maar op het borstbeen is gestopt en bij de tweede poging het vuurwapen niet is afgegaan, was geenszins van de wil van verdachte afhankelijk maar is een voor het slachteroffer gelukkig toeval. Van een ondeugdelijk middel, zoals door de raadsman geopperd, is de rechtbank, gelet op bovenstaand proces-verbaal van onderzoek naar de gebruikte munitie, niet gebleken.

Er is voorts sprake van voorbedachte raad omdat voldoende is komen vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit. Hij heeft zich immers na een eerdere ruzie met het slachtoffer en diens vrienden van een wapen voorzien en is daarmee doelbewust op het slachtoffer toegelopen en hij heeft vervolgens tot twee maal toe op hem geschoten. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank tussen het nemen van het besluit om zich van een wapen te voorzien en de uitvoering van het eerste schot gelegenheid gehad om over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven, alsmede in de korte periode gelegen tussen het eerste en tweede schot.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 9 oktober 2009, in de gemeente Groningen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, op die

[slachtoffer] heeft geschoten en vervolgens dit vuurwapen tegen het

hoofd van die [slachtoffer] heeft gezet en daarna de trekker van dat

vuurwapen heeft overgehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Poging tot moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Motivering strafoplegging en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Bij deze strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor een levensdelict. Gezien de grote kans op herhaling acht de officier van justitie terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging noodzakelijk. Verdachte dient behandeld te worden voor de antisociale en paranoïde persoonlijkheidskenmerken waarvoor bij hem aanwijzingen zijn gevonden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, gepleit voor een lange gevangenisstraf in plaats van TBS met dwangverpleging. Er is bij verdachte immers geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vastgesteld waardoor niet aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van TBS is voldaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf en de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2010 en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 6 januari 2010, de psychiatrische onderzoeksrapportage van 27 december 2009, opgemaakt door M.W. Lubbert, psychiater, de psychologische onderzoeksrapportage van 11 december 2009, opgemaakt door drs. M. Verzendaal, GZ-psycholoog, en de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 4 juni 2010, alsmede de vordering van de officier van justitie. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Vrijheidsstraf

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Hij heeft in de vroege ochtend van 9 oktober 2009 tot twee maal toe geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. Na een ruzie eerder die nacht heeft verdachte het slachtoffer gevolgd, zich onderweg van een wapen voorzien, is vervolgens doelbewust op hem afgelopen en heeft hem van nabij in de borst geschoten. Vervolgens heeft hij [slachtoffer] het vuurwapen op het hoofd gezet en de trekker overgehaald. Het mag een wonder heten dat de eerste kogel op het borstbeen van [slachtoffer] is gestuit en dat het vuurwapen bij de tweede poging kennelijk heeft geweigerd. Het slachtoffer heeft letterlijk doodsangsten uitgestaan toen, nadat hij al in zijn borst was getroffen, het vuurwapen op zijn hoofd werd gezet. Hij wist op dat moment immers dat verdachte in staat was de trekker over te halen. Dit alles heeft op het slachtoffer een grote impact gehad en hij worstelt tot op heden nog met de gevolgen ervan. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Daarbij betrekt de rechtbank dat, nu het feit op de openbare weg heeft plaatsgevonden in het bijzijn van zijn vrienden en een groep omstanders, niet alleen bij het slachtoffer maar ook bij hen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg zijn gebracht.

De rechtbank heeft kennis genomen van het justitiële verleden van verdachte waaruit blijkt dat hij veelvuldig met justitie in aanraking is geweest en in 2004 voor doodslag is veroordeeld. Ook toen was er sprake van een ruzie in het uitgaansleven van Groningen, die door verdachte met een wapen is beslecht. Verdachte heeft derhalve meermalen laten blijken geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke en psychische integriteit van anderen. Naar het oordeel van de rechtbank is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook passend en geboden.

Maatregel

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte ter beschikking dient te worden gesteld en van overheidswege dient te worden verpleegd, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

De wet verlangt voorafgaand aan een last tot terbeschikkingstelling een advies van twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, welk advies niet ouder is dan één jaar. Verdachte heeft echter geweigerd aan dergelijke onderzoeken medewerking te verlenen. Hij dient daarom te worden aangemerkt als een weigerende observandus in de zin van artikel 37 lid 3 Wetboek van Strafrecht (Sr). Op grond van artikel 37a, derde lid, juncto artikel 37, derde lid, Sr kan echter ook aan een weigerende observandus een terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden opgelegd. In dat geval dient te worden vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van de gepleegde misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dient er zoveel mogelijk informatie te worden vergaard over de wenselijkheid van een terbeschikkingstelling.

Op grond van de in het dossier aanwezige rapportages stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde misdrijf leed aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

In het Pro Justitia rapport van 11 december 2009 is door de deskundige Verzendaal, geconcludeerd dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor antisociale en paranoïde persoonlijkheidsproblematiek. Dergelijke problematiek is blijkens dat rapport bij verdachte eerder gediagnostiseerd toen hij in 2003 voor deze rechtbank terecht stond wegens verdenking van doodslag. Deskundige Verzendaal verwijst naar de ten behoeve van die strafzaak opgemaakte Pro Justitia rapportages van 6 juni en

6 oktober 2003 van deskundigen Vriesema en Takkenkamp. Daarin kwam naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Dit was voor deskundige Takkenkamp aanleiding om TBS met voorwaarden te adviseren op grond van het volgende.

“Onbehandeld is niet te verwachten dat verdachte zich voortaan in de maatschappij behoorlijk zal gedragen en zich niet meer aan verstoring van de openbare orde zal schuldig maken. Het recidiverisico op hernieuwd grensoverschrijdend gedrag moet hoog ingeschat worden. Of dat ook expliciet geldt voor doodslag -indien bewezen- is mijns inziens niet te voorspellen.”

“Complicerend is dat ik, in tegenstelling tot betrokkene, vind dat psychiatrische behandeling wel degelijk nuttig is om een eventueel recidiverisico te verminderen. Betrokkene vindt dat het recidiverisico nul is.”

Uit de hiervoor aangehaalde psychiatrische onderzoeksrapportage van de deskundige Lubbert komt onder meer naar voren dat:

“Betrokkene is heel star, zwart wit en persevererend in zijn denken. Betrokkene kan zich moeilijk in het standpunt van een ander inleven. Betrokkene wordt door meerdere mensen omschreven als sterk afwerend. Betrokkene spreekt in zijn verhoor over ogen, die op hem gericht zijn en waar hij met betrekkingideeën op reageert. Betrokkene kan zich zeer achterdochtig uiten. Betrokkene leeft sociaal geïsoleerd en heeft weinig inzicht in de sociale context.

Zonder behandeling wordt het recidiverisico hoog ingeschat.”

In het voornoemde rapport van het PBC, pagina 37, wordt vermeld:

“Met name in de eerste periode van het onderzoek valt uit de observatiegegevens het volgende op: betrokkene gaat dan veelvuldig in discussie met de groepsleiding, kan verbaal fel reageren en meent soms over bijzondere rechten te beschikken.”

Uit het observatieverslag onder 4.4. Persoonlijk en sociaal functioneren ( pagina 24 e.v.) kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat verdachte moeite heeft met het stellen van regels door anderen en het zich aanpassen aan die regels.

Aangezien er in 2003 geen TBS is opgelegd en de rechtbank niet is gebleken dat verdachte voor de toen vastgestelde stoornis sindsdien is behandeld, stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het plegen van het thans bewezen verklaarde misdrijf nog leed aan genoemde persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank ziet zich hierin gesteund door de bevindingen van de deskundige Verzendaal die in genoemde rapportage de hypothese heeft dat deze problematiek enig verband houdt met het ten laste gelegde en dat indien er niet fors wordt geïnvesteerd in een intensief behandelprogramma de kans dat er iets veranderd rond verdachte erg klein is en de conclusie van de deskundige Lubbert dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat. Voorts ziet de rechtbank hiervoor een bevestiging in de omstandigheden waaronder verdachte bij het thans bewezen verklaarde betrokken is geraakt en hieraan uitvoering heeft gegeven, alsmede in het feit dat verdachte sinds 1995 herhaalde malen is veroordeeld voor verschillende soorten strafbare feiten, waaronder overtreding van de Wet Wapens en Munitie en een levensdelict.

Het feit dat de precieze aard en omvang van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet kan worden vastgesteld is enkel en alleen te wijten aan de weigering van verdachte om mee te werken aan een onderzoek. Ook ter terechtzitting heeft verdachte volhardt in zijn weigering en verklaard dat met hem niets mis is en hij geen behandeling hoeft. Gelet op voornoemd rapport van het PBC gaat de rechtbank ervan uit dat deze weigering niet voorkomt uit psychopathologische gronden maar dat geweigerd is om procespositionele redenen.

De rechtbank stelt voorop dat TBS met dwangverpleging in de eerste plaats naar zijn aard een beveiligingsmaatregel is. Hoewel die maatregel niet primair is gericht op behandeling, is het vooruitzicht van behandeling wel wezenlijk met het oog op terugkeer in de samenleving.

Gelet op de persoonlijkheidsstoornis is het aannemelijk dat verdachte, indien hij onbehandeld terugkeert in de maatschappij, mede als gevolg van zijn stoornis, opnieuw zal overgaan tot het plegen van strafbare feiten. Hierdoor moet verdachte, gezien de ernst van het van het onderhavige misdrijf en de eerdere veroordeling voor doodslag, worden gezien als een gevaar voor de maatschappij. De bescherming van de veiligheid van de maatschappij noodzaakt daarom het opleggen van TBS met dwangverpleging.

Aangezien het primair bewezen en strafbaar verklaarde een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de opleving van die maatregel eist, is aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van TBS voldaan.

De rechtbank heeft de hiervoor genoemde rapporten en adviezen in aanmerking genomen die over de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht, evenals de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en omstandigheden waaronder dit is begaan.

Gelet op bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, de maatregel van TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer], domicilie kiezende te Groningen. De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van € 5.319,90 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Omdat de broek en de riem aan de benadeelde partij zijn teruggegeven is de vordering voor dat gedeelte niet-ontvankelijk. De overige materiële schadeposten komen wel voor vergoeding in aanmerking. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade acht de officier van justitie te hoog. Zij heeft voorgesteld dit bedrag te bepalen op € 5.000,-.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is maar voor een lager bedrag dan gevorderd. De vordering is immers ten onrechte gebaseerd op de overtuiging dat de benadeelde partij een pistool op het hoofd heeft gekregen waarbij de trekker zou zijn overgehaald.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade bij de posten broek en riem niet aannemelijk zijn geworden omdat uit het dossier blijkt dat deze kledingstukken al aan de benadeelde partij zijn teruggegeven. De rechtbank zal daarom het hiermee verband houdende deel van de vordering ter hoogte van € 69,90 afwijzen.

De rechtbank ziet aanleiding het gevorderde bedrag aan immateriële schade gelet op wat hiervoor doorgaans voor vergelijkbare gevallen wordt toegekend te matigen tot een bedrag van € 5.000, -. Dit houdt in dat de vordering aan immateriële schade voor een bedrag van

€ 3000,- niet in dit strafgeding wordt afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde poging tot moord rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 5.319,90. Dit betreft een T-shirt (€ 4,95), een vest (€ 159,95), eigen risico zorgverzekering (€ 155,-) en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

9 oktober 2009.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te Groningen, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 5.319,90 (zegge: drieënvijftighonderd negentien euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 9 oktober 2009. Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 5.319,90 ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te Groningen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 106 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.319,90 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. G. Eelsing, voorzitter, P.H.M. Smeets en K.R. Bosker, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van der Horn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 juli 2010.

Mr. P.H.M. Smeets was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.