Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2471

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
18-670586-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor aanwezig hebben en handelen in diverse soorten harddrugs, waarbij met name aan (vrouwelijke) minderjarigen GHB werd verstrekt. Tevens voor aanleggen hennepplantage in maisveld. Recidive. Beperkte klantenkring, beperkte hoeveelheden, kortere periode bewezen dan tenlastegelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670586-09

datum uitspraak: 19 juli 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. H.P. Eckert

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 april 2010 en 5 juli 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 22 december

2009, in de gemeente Groningen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne

(diacetylmorfine), en/of

een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, en/of

een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, en/of

een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende 2C-B, en/of

een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDMA en/of 2C-B en/of amfetamine (telkens)

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 22 december

2009, in de gemeente Groningen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

een of meer hoeveelheden van al dan niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj)

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of

een of meer hoeveelheden hennep, en/of

een of meer hoeveelheden 4-hydroxyboterzuur (GHB),

zijnde hasjiesj en/of hennep en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB), (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 22 december 2009, in de gemeente Groningen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 22 ampullen (sin-nummer AAAU8323) en/of 1 pil (sin-nummer

AAAU8323), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B,

en/of

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8324) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine en/of cocaïne, en/of

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8326) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en/of

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8327) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, en/of

- een gripzakje met 5 gele ampullen (sin-nummer AAAU8328) inhoudende een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of cocaine, en/of

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8329) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, en/of

- een gripzakje met 5 ampullen (sin-nummer AAAU8334) inhoudende een

hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B, en/of

- een gripzakje met 21 pillen (sin-nummer AAAU8332) bevattende een hoeveelheid

van een materiaal bevattende amfetamine, en/of

- twee gripzakjes (sin-nummer AAAU8330) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en/of

- 28 gripzakjes (sin-nummer AAAU8319) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en/of

- ongeveer 232 gram (sin-nummer AAAU8317), althans een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine,

zijnde 2C-B en/of amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

4.

hij in of omstreeks het jaar 2009, in de gemeente Groningen,

een meisje, genaamd [aangeefster], heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster] dreigend de woorden

toegevoegd :"Als jij tegen de politie gaat verklaren, dan krijg je een kogel

door je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

(zaak met parketnummer 650001.10)

hij op of omstreeks 26 september 2009, te [pleegplaats], in elk geval in de gemeente

Grootegast,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (maïs)veld gelegen aan de [straatnaam] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 9 hennepplanten en/of

3.918 gram henneptoppen, althans een aantal hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de handel in zowel harddrugs als softdrugs, het aanwezig hebben van verdovende middelen en bedreiging.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat uit de verklaringen van getuigen en verdachte blijkt dat slechts sprake is van een pleegperiode van februari/maart 2009 tot december 2009 en dat van de verkoop van 2C-B moet worden vrijgesproken. Ook voor feit 2 geldt een kortere periode terwijl van de handel in hash slechts wordt genoemd dat daarvan sprake zou zijn, terwijl dit niet concreet uit het dossier blijkt. Van de onder 3 genoemde 22 ampullen is er geen enkele getest op de aanwezigheid van 2C-B.

Ten aanzien van feit 4, bedreiging, moet vrijspraak volgen omdat in dit geval, gelet op de omstandigheden, de uitspraak van verdachte gelezen moet worden als te verwachten bedreiging(en) door derden van zowel hem als aangeefster.

De in feit 5 genoemde hoeveelheid hennep wordt bestreden in die zin dat er sprake was natte weed waarvan in de gedroogde toestand aanzienlijk minder in gewicht overblijft. De negen planten kunnen worden bewezen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Met betrekking tot de feiten 1 t/m 3:

- de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting, zakelijk weergegeven:

Ik heb toegestaan dat diverse personen zelf GHB pakten als ze bij mij thuis waren. De GHB had ik in huis omdat [betrokkene 1] mij dat had gevraagd. Ik doe graag dingen voor een ander en daarom heb ik die GHB ook aangeschaft. Ik heb GHB alleen aan [betrokkene 1] gegeven, niet aan anderen. Ik ben één keer met [betrokkene 7] naar iemand toe gereden om cocaïne te kunnen kopen omdat zij niet bekend was in het circuit.

Ik erken dat ik de in de tenlastelegging genoemde verdovende middelen in huis had. Mij was gevraagd speed, cocaïne en xtc-pillen in pakje en zakjes klaar te maken voor een andere persoon; dat heb ik ook gedaan.

De hennepplanten in het maïsveld heb ik gevonden. Samen met mijn broer heb ik henneptoppen ‘geoogst’. In totaal stonden er negen hennepplanten.

- een proces-verbaal d.d. 23 december 2009, opgenomen op blz. 76 e.v. in het dossier met nummer 2009124485 (hierna aangeduid als politiedossier), inhoudende een verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Ik ben 16 jaar. [Verdachte] gaf mij drugs, maar ik wou het zelf. Toen ik een jaar of 15 was, was ik bij vrienden die drugs gingen gebruiken. Ze vroegen of ik ook wilde. [Verdachte]had drugs bij zich. Ik was de jongste. [Verdachte] had van alles bij zich in kleine zakjes. Speed in zakjes, GHB in Flügelflesjes en wiet en hash ook in zakjes. Hij had alle soorten drugs bij zich.

Ik kreeg GHB van [verdachte]. Ik hoefde er niet voor betalen. Ik dronk het wel puur. Het werd afgemeten met een spuitje; daar dronk ik het uit. Deze eerste keer waren er 6 of 7 mensen die allemaal drugs gebruikten, die werden verstrekt door [verdachte]. Ik heb heel vaak GHB van [verdachte] gekregen. Ik belde hem of ik trof hem bij mensen die ik ook wel ken. Vaak op afspraak. Ik heb ongeveer een jaar lang bijna wekelijks GHB van hem gekregen. De laatste tijd, na de zomervakantie van 2009, kreeg ik wel wekelijks GHB van hem. Ik mocht het woord GHB niet sms’en of via de telefoon gebruiken. Hij zei dan dat ik ‘grote hamburger’ of ‘tante Gea’ moest zeggen.

[verdachte] vraagt 40 euro voor een gram cocaïne, 5 euro voor een gram speed en 10 euro voor een Flügelflesje GHB. Hij had ook MDMA maar dat wou hij niet verkopen.

[Verdachte] leverde aan meer dan tien mensen drugs. Hij bewaart de drugs op verschillende plaatsen in zijn huis.

- een proces-verbaal d.d. 11 februari 2010, opgenomen op blz. 86 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

[Verdachte] kreeg de GHB geleverd door een vrouw. Dan kwam ze met een liter GHB aan in een colafles en dan kreeg ze pilletjes of coke of zo van hem. De pilletjes waren XTC.

Hij vroeg verschillende prijzen voor de GHB; dat was per persoon verschillend. Aan de ene vroeg hij 5 euro, aan de andere 10. Ik hoefde nooit wat betalen.

Ik kwam best wel vaak in zijn huis en daar kwamen veel meisjes en vrouwen over de vloer. Die kwamen dan en dan kregen ze drugs en dan zag ik dat ze betaalden met geld.

- een proces-verbaal d.d. 2 februari 2010, opgenomen op blz. 99 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [betrokkene 7], zakelijk weergegeven:

Ik heb hooguit 1 of 2 keer in één jaar bij [verdachte] gekocht. Ik heb onlangs cocaïne bij hem gekocht. Ik zat toen in mijn auto. Dat was op de dag van zijn aanhouding. Ik betaalde 20 euro voor een halve gram. Het zat in een witte envelop met groene streep.

- een proces-verbaal d.d. 23 december 2009, opgenomen op blz. 103 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Ik hoorde van mijn ouders dat [verdachte] drugs aan mijn zus [betrokkene 1] had gegeven, GHB.

Van [betrokkene 4], mijn nicht, ben ik erachter gekomen dat zij GHB gebruikte. Zij krijgt dat van [verdachte].

[verdachte] wilde mij ongeveer een maand geleden ook wel wat geven, bij de Albert Heijn bij de Korenbeurs. Hij zei dat hij mijn zus GHB had gegeven. Hij toonde mij Flügelflesjes. Hij zei dat dit GHB was. Vervolgens pakte hij een envelopje met poeder erin; hij zei dat het coke was. Ik was toen met mijn vriendin [betrokkene 8]. Ik heb geweigerd.

De pilletjes (drugs) liggen bij [verdachte] op diverse plaatsen in huis. Hij heeft ook een vierkante fles met GHB in de vriezer. Iedereen weet waar de drugs liggen. Ik heb wel eens een zak met wel 100 blauwe pilletjes gezien.

- een proces-verbaal d.d. 9 februari 2010, opgenomen op blz. 110 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

[verdachte] gaf de GHB gratis aan mijn zus. Ze vertelde mij dit. Ik geloof dit ook wel, want ze had het wel en ze werkte niet. Hij gaf het ook wel aan mijn nicht [betrokkene 4] en aan [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Ik hoorde dat jongens wel moesten betalen voor de GHB, maar meisjes niet.

- een proces-verbaal d.d. 28 december 2009, opgenomen op blz. 116 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [betrokkene 3], zakelijk weergegeven:

Ongeveer 2 à 3 maanden geleden heb ik [verdachte] voor het eerst ontmoet. Mijn nicht [betrokkene 1] nam mij mee naar het huis van [verdachte] .

Ik hoorde dat [verdachte] aan [betrokkene 1] vroeg of zij een grote hamburger wilde hebben. [betrokkene 1] wilde dat wel. Ik hoorde dat [betrokkene 1] zei dat het geen hamburger was maar iets anders. [verdachte] pakte een grote fles en vulde een klein flesje met een vloeistof. Ik zag dat hij een spuit vulde met deze vloeistof. Ik zag dat [betrokkene 1] de spuit leegde in haar mond en daarna veel drinken nam. Vlak daarna gingen [betrokkene 1] en ik weg. Ik hoorde dat [betrokkene 1] zei dat de vloeistof de drug GHB was.

Ik heb [betrokkene 1] vaak GHB zien gebruiken. Ik weet dat zij dit van [verdachte] heeft gekregen omdat zij [verdachte] vaak belde waar ik bij was en dan hoorde ik haar vragen aan [verdachte] of hij nog een flesje voor haar had.

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2010, opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van aanvulling nr. 2 2009124485 d.d. 5 maart 2010, inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 5 januari 2010 ontving ik uit handen van Keith Aspden, buitengewoon opsporings-ambtenaar van politie bij het Cluster Tactische Recherche van regiopolitie Groningen/Haren, 18 zogenaamde gripzakjes, inhoudende vermoedelijk verdovende middelen. Aspden verzocht mij de zakjes over te dragen aan de Nederlands Forensisch Instituut ter identificatie van de inhoud. De gripzakjes werden door mij voorzien van een Spoor Identificatie Nummer (SIN).

De gripzakjes zijn door mij op 21 januari 2010 via de Dienst logistiek van de Voorziening tot Samenwerking Politie Nederland overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut te

’s-Gravenhage.

- een schriftelijk stuk d.d. 9 februari 2010, te weten een rapport, opgemaakt door Ing. P.H. Wallinga, verbonden aan Nederlands Forensisch Instituut , inhoudende de resultaten en conclusie van het onderzoek verricht aan de van de regiopolitie Groningen ontvangen gripzakjes, zakelijk weergegeven:

In alle van de regiopolitie Groningen ontvangen gripzakjes werden verdovende middelen aangetroffen met uitzondering van het zakje met kenmerk AAAU8325NL. De verdovende middelen waren: amfetamine, 2C-B, cocaïne, MDMA en GHB.

Met betrekking tot feit 5:

- de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting, zakelijk weergegeven:

De hennepplanten in het maïsveld heb ik gevonden. Samen met mijn broer heb ik henneptoppen ‘geoogst’. In totaal stonden er negen hennepplanten.

- een proces-verbaal d.d. 23 december 2009, opgenomen op blz. 141 e.v. in het dossier met nummer 2009104347 (hierna aangeduid als politiedossier), inhoudende het relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Melding op 26 september 2009 om 10.15 uur dat een auto met een grote hoeveelheid medicamenten onbeheerd geparkeerd staat in de berm van de [straatnaam 1] in [plaats]. Om 10.40 uur komen verbalisanten ter plaatse. De auto voorzien van kenteken [kenteken] wordt aangetroffen. Op het dashboard ziet men een henneptop liggen. Het vermoeden rijst dat de auto iets te maken heeft met hennepteelt/gebruik.

Verbalisanten gaan in het aangrenzende maïsveld. Via de [straatnaam 1] in de richting van [straatnaam 2] bevindt zich een dam die toegang geeft tot het maïsveld. Op ongeveer 50 meter afstand van de geparkeerde auto hoort men stemgeluid uit het maïsveld komen van vermoedelijk 2 personen. Verbalisanten stellen zich verdekt op en zien twee mannen uit het veld komen. Eén van hen draagt een gevulde zwarte vuilniszak over de schouder. Als de mannen op korte afstand van de dam komen waar de personenauto stond geparkeerd maken ze rechtsomkeert en gaan opnieuw het maïsveld in. Door verbalisanten wordt assistentie gevraagd o.a. van een diensthond. Met hulp van de hond worden op diverse plaatsen in het maïsveld spullen aangetroffen: een vuilniszak met getopte hennepplanten en een mes. Buiten het perceel maïs worden groene werkhandschoenen met sterke hennepgeur aangetroffen.

Van collega’s wordt via de portofoon vernomen dat beide bedoelde personen mogelijk waren opgehaald door een andere personenauto. Dit heeft geleid tot het aanhouden van 4 personen aan de Noorderringweg te Marum.

- een proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming d.d. 27 september 2009, opgenomen op blz. 35 in het politiedossier, inhoudende de inbeslagneming te [plaatsnaam] op 27 september 2009 van een grijze vuilniszak met daarin 3918 gram henneptoppen, aangetroffen in een maïsveld.

- een proces-verbaal d.d. 26 september 2009, opgenomen op blz. 73 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 23 september 2009 was ik in het maïsveld in [plaatsnaam]. Ik liep het maïsveld in en zag na een paar minuten een rij hennepplanten, 10 stuks. Ik zag ook vuilniszakken. Ik ben weer weggegaan, naar huis. Ik heb mijn broer [mededader] gebeld en hem gevraagd mij te helpen de planten weg te halen. We zijn naar het maïsveld gereden en we zijn er heen gelopen. We zijn begonnen met plukken. Ik denk wat we ongeveer 3 uur bezig geweest. De wiet hebben we in een vuilniszak gedaan.

- een proces-verbaal d.d. 27 september 2009, opgenomen op blz. 99 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [mededader], zakelijk weergegeven:

Mijn broer [verdachte] belde mij afgelopen vrijdag op en vroeg mij of ik hem wilde helpen. Gisterochtend kwam hij mij halen. We reden richting Marum en stopten bij een maïsveld. Mijn broer zei dat er hennepplanten af moesten. Ik moest de toppen er aftrekken. Mijn broer en ik hebben de toppen van de hennepplanten afgetrokken en in een grijze plastic vuilniszak gedaan. Er stonden een stuk of tien hennepplanten.

Toen we een politieauto zagen liepen we weg en lieten de vuilniszak met henneptoppen achter.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat bewezen kan worden dat verdachte de in de tenlastelegging vermelde woorden heeft gesproken in het bijzijn van aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gebruikte woorden, al dan niet in exact dezelfde vorm gebruikt, ook kunnen worden gelezen in de daaraan door de raadsman gegeven betekenis.

Deze woorden kunnen, aldus gelezen, niet worden beschouwd als een door verdachte tot aangeefster gerichte bedreiging, maar eerder als een mededeling van feitelijke aard, namelijk het constateren van de gevolgen voor verdachte en aangeefster, wanneer aangeefster zou “gaan praten”. De dreiging zou dan van derden afkomstig zijn.

De rechtbank acht op deze gronden het onder 4 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5 overweegt de rechtbank dat verdachte heeft erkend de verdovende middelen, vermeld in de tenlastelegging, in zijn woning voorhanden te hebben gehad. Dat verdachte deze, naar zijn zeggen, voor een ander onder zich had doet niet ter zake.

Voor wat betreft de periode waarin de feiten 1 en 2 zijn gepleegd is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat deze periode zich heeft uitgestrekt van 1 februari 2008 tot en met 22 december 2009. De rechtbank is van oordeel dat op grond van voormelde bewijsmiddelen de periode beperkt dient te blijven tot de periode van 1 februari 2009 tot en met 22 december 2009.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 februari 2009 tot en met 22 december 2009, in de gemeente Groningen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, en/of

hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, en/of

hoeveelheden van een materiaal bevattende 2C-B, en/of

hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde cocaïne en MDMA en 2C-B en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 februari 2009 tot en met 22 december 2009, in de gemeente Groningen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (GHB) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 22 december 2009, in de gemeente Groningen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 22 ampullen (sin-nummer AAAU8323) en 1 pil (sin-nummer

AAAU8323), van een materiaal bevattende 2C-B, en

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8324) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine en cocaïne, en

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8326) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8327) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, en

- een gripzakje met 5 gele ampullen (sin-nummer AAAU8328) inhoudende een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en cocaine, en

- een gripzakje (sin-nummer AAAU8329) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, en

- een gripzakje met 5 ampullen (sin-nummer AAAU8334) inhoudende een

hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B, en

- een gripzakje met 21 pillen (sin-nummer AAAU8332) bevattende een hoeveelheid

van een materiaal bevattende amfetamine, en

- twee gripzakjes (sin-nummer AAAU8330) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en

- 28 gripzakjes (sin-nummer AAAU8319) inhoudende een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, en

- ongeveer 232 gram (sin-nummer AAAU8317), van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde 2C-B en amfetamine en cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

(zaak met parketnummer 650001.10)

hij op 26 september 2009, te Doezum, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een maïsveld gelegen aan de Ipo Haaimaweg) een hoeveelheid van in totaal 9 hennepplanten en 3.918 gram henneptoppen, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rechtbank acht hetgeen onder 1, 2, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen acht levert de volgende strafbare feiten op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aan hef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu geen schulduitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar aanwijzingen van de reclassering.

Daarbij heeft hij met name aangevoerd dat sprake is ernstige feiten, gepleegd gedurende een lange periode met betrekking tot een breed scala aan verdovende middelen. Bovendien gaf of verkocht verdachte deze verdovende middelen voornamelijk aan jonge gebruikers. Voorts is er sprake van recidive.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is betoogd dat het onder 4 tenlastegelegde niet bewezen kan worden, zodat in elk geval op grond daarvan de op te leggen straf zal moeten worden gematigd.

Tevens dient matiging plaats te vinden op grond van een kortere periode waarin verdachte zou hebben gehandeld.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich gedurende ongeveer een jaar schuldig gemaakt aan de handel in en bezit van verdovende middelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de in bewezenverklaring vermelde verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij jonge meisjes met wie hij optrok GHB heeft aangeboden en verstrekt en ook andere drugs voorhanden heeft gehad.

Ook betrekt de rechtbank, in het nadeel van verdachte, een eerdere veroordeling wegens een soortgelijk delict in 2006 in haar oordeel.

Anderzijds neemt de rechtbank in aanmerking dat er sprake lijkt te zijn geweest van een beperkte klantenkring en beperkte hoeveelheden. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de bewezenverklaarde kortere periode en de vrijspraak voor het onder 4 ten laste gelegde feit.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsstraf van na te melden duur opgelegd dient te worden. De rechtbank zal een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om daaraan de bijzondere voorwaarde te koppelen dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, ook als die inhouden dat verdachte trainingen en/of behandelingen moet volgen, zoals hierna te melden.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf moet worden opgelegd, om verdachte te voorzien van een zinvolle dagbesteding nadat zijn detentie zal zijn afgelopen.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een borrelglas en injectiespuit met restant GHB, moet worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet of het algemeen belang.

Verder is uit het onderzoek op de terechtzitting gebleken, dat de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten met behulp hiervan zijn begaan.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een mobiele telefoon merk Samsung, moet worden teruggegeven aan verdachte.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een geldbedrag van € 250,-, moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu de raadsman onweersproken heeft betoogd dat dit geldbedrag een door verdachte van zijn moeder geleend bedrag betreft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 4 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 5 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF MAANDEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot vijf maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat de veroordeelde deel zal nemen aan een Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa).

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 100 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 20 juli 2010.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

een borrelglas en injectiespuit met restant GHB.

Gelast de teruggave van:

een mobiele telefoon, merk Samsung aan veroordeelde.

Beveelt de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

een geldbedrag van € 250,-.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, L.W. Janssen en S. Tempel, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2010.