Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BN1273

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
119440/HA RK 10-269
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek omdat er geen gehoor is gegeven aan een aanhoudingsverzoek.

Verzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GRONINGEN

MEERVOUDIGE KAMER

Zaaknummer: 119440 / HA RK 10-269

Datum beslissing: 8 juli 2010

Beslissing op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoekster] en [verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde H. Zijlstra.

1. Procesverloop

1.1. Tijdens de rechtszitting van 29 juni 2010 hebben [verzoekster] en [verzoeker] (bij monde van hun gemachtigde H. Zijlstra) de behandelend kinderrechter, mr. K.R. Bosker, gewraakt. Mr. Bosker heeft niet in de wraking berust.

1.2. Op 29 juni 2010 is de openbare mondelinge behandeling van het wrakingverzoek voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde de behandelend kinderrechter in de gelegenheid te stellen een volledig proces-verbaal van de rechtszitting van 29 juni 2010 te doen opmaken.

1.3. De openbare mondelinge behandeling van het wrakingverzoek is op 8 juli 2010 hervat. Na uitroeping van de zaak zijn [verzoeker], bijgestaan door H. Zijlstra en

mr. K.R. Bosker verschenen.

1.4. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker], bijgestaan door zijn gemachtigde Zijlstra, het wrakingverzoek toegelicht. Hierop heeft mr. Bosker gereageerd.

1.5. Vervolgens heeft de voorzitter de mondelinge behandeling gedurende enige tijd geschorst. Na deze schorsing heeft de voorzitter mondeling de beslissing van de meervoudige kamer medegedeeld onder aanzegging dat deze beslissing zo spoedig mogelijk op schrift zal worden gesteld.

2. De standpunten

2.1. Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun wrakingverzoek het volgende naar voren gebracht. Tijdens de rechtszitting van de kinderrechter hebben verzoekers meerdere malen verzocht om aanhouding omdat de contactjournaals niet voorhanden waren. Daardoor waren zij niet voldoende in staat op het rapport van de LJ&R te reageren. Aan deze verzoeken tot aanhouding heeft de kinderrechter geen gehoor geven. Door deze handelwijze heeft de kinderrechter er blijk van gegeven dat zij een eindbeslissing zal gaan nemen, waarmee haar onpartijdigheid is aangetast. De kinderrechter zal bij de door haar te nemen eindbeslissing de contactjournaals niet kunnen meenemen, waarmee zij eveneens heeft blijk gegeven van partijdigheid.

2.2. Mr. Bosker heeft verklaard dat zij ter zitting heeft aangegeven bij beschikking op het verzoek om aanhouding te zullen beslissen. Of dit een tussenbeschikking in de zin van een aanhouding of een eindbeschikking zal zijn is tot op heden niet uitgemaakt, omdat zij nog over de zaak moet nadenken. Vanuit deze zorgvuldigheid heeft zij ter zitting niet op het verzoek om aanhouding willen beslissen. Het verzoek om aanhouding zal worden meegenomen bij de beoordeling van de zaak.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat van geen gehoor geven aan het verzoek om aanhouding om reden dat niet alle stukken voorhanden zijn geen sprake is. Voor de rechtbank is daarbij het door de griffier opgemaakte en door de kinderrechter ondertekende proces-verbaal van de rechtzitting van 29 juni 2010 leidend. Blijkens dit proces-verbaal heeft de kinderrechter ter zitting aangegeven bij beschikking op het aanhoudingsverzoek te zullen beslissen. De rechtbank is van oordeel dat met deze gang van zaken niet gebleken is van partijdigheid bij de kinderrechter.

3.4. Aangaande de stelling van verzoekers dat de kinderrechter blijk heeft gegeven van partijdigheid omdat zij bij de te nemen beslissing de contactjournaals niet zal meenemen, stelt de rechtbank voorop dat het ter beoordeling van de kinderrechter staat of voor de beoordeling van een verzoek om aanhouding dan wel de inhoudelijke beoordeling van een zaak bepaalde stukken nodig zijn. Het is derhalve aan de kinderrechter te beslissen of de contactjournaals noodzakelijk zijn voor het nemen van een tussen- dan wel eindbeschikking en niet aan de wrakingskamer. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat ook op dit punt geen sprake is van partijdigheid van de kinderrechter.

3.5. Nu de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel is dat niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het onderhavige verzoek tot wraking afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. wijst het verzoek af,

4.2. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking,

4.3. beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekers, mr. Bosker en de officier van justitie.

Aldus gegeven door mr. M. Griffioen, voorzitter, mrs. H.L. Stuiver en S. Stenfert Kroese, rechters, in tegenwoordigheid van griffier mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2010.

chb