Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM9960

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
18/630469-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pseudokoop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630469-09 (promis)

datum uitspraak: 14 juni 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. H.P. Eckert

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats]

verblijvende PI Noord, gev. De Marwei

Leeuwarden

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 december 2009, 4 maart 2010 en 31 mei 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na aanvulling van de tenlastelegging in de zin van artikel 314a Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk toen en aldaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, die ongeveer 1000 gram cocaine, althans die hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, ten vervoer, met bestemming naar het buitenland, te weten Zweden, aan (een) perso(o)n(en) aangeboden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen

plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het

plegen van die feiten,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), toen en aldaar

- contacten gelegd en/of onderhouden met elkaar en/of met (een contactpersoon van) de afzender(s)/leverancier(s) van die hoeveelheid cocaine, en/of

- besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of afspraken gemaakt over aan wie en op welke plaats en op welk moment en op welke wijze die hoeveelheid cocaine zou worden overgedragen en/of afgeleverd, en/of

- ten behoeve van onder meer de onderhandelingen en/of transport een auto beschikbaar gesteld;

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2009 tot en met 16 september 2009, in de gemeente Groningen en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), toen en aldaar

- contacten gelegd en/of onderhouden met elkaar en/of met (een contactpersoon van) de afzender(s)/leverancier(s) van die hoeveelheid cocaine, en/of

- besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of afspraken gemaakt over aan wie en op welke plaats en op welk moment en op welke wijze die hoeveelheid cocaine zou worden overgedragen en/of afgeleverd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 september 2006 tot en met 16 september 2009, in de gemeente Groningen, een wapen van categorie III, te weten een (semi-automatisch) pistool (merk Browning, type FN), en/of munitie van categorie II en/of III, te weten kogelpatronen (merk Magtech, kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij in of omstreeks de periode van 16 september 2006 tot en met 16 september 2009, in de gemeente Groningen, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens grote fouten in het opsporingsonderzoek. Er is ten eerste in strijd met artikel 126i, tweede lid Sv, gehandeld. Verdachte is door de pseudokoper immers uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten waar zijn opzet voordien niet op was gericht. De raadsman heeft ter onderbouwing van het standpunt onder meer verwezen naar de uitspraak van het EHRM van 9 juni 1998, NJ 2001, 471. Tevens stelt de raadsman dat het Openbaar Ministerie geen, dan wel onvoldoende toezicht heeft gehouden op de uitvoering van de bijzondere opsporingsmethoden. Daarnaast zijn de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit geschonden omdat de vervolging van verdachte willekeurig is te noemen gelet op de aanwijzingen voor ernstiger strafbare feiten van anderen die in het opsporingsonderzoek naar voren kwamen maar waarvoor geen bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn aangewend. Ook is er door justitie geen toezicht gehouden op de pseudokoop, wat onder meer blijkt uit de onjuistheden en onwaarheden in een proces-verbaal die door officier van justitie niet zijn onderkend en gecorrigeerd. De raadsman heeft ten slotte aangevoerd dat er ten laste van verdachte geen bevel voor de pseudokoop was in de periode van 9 juli 2009 tot 24 augustus 2009 zodat het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van feit 2 niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat in het voorbereidende onderzoek geen vormen zijn verzuimd. Er is geen sprake geweest van uitlokking. Er is niet meer gevraagd dan wat verdachte al van plan was. De inzet van de pseudokoop is in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het niet ongebruikelijk en uitzonderlijk om op deze manier te handelen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie slechts sprake kan zijn in uitzonderlijke gevallen, namelijk alleen als het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval niet van gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is van uitlokking van verdachte door de pseudokoper geen sprake. Uit het dossier blijkt dat er contacten zijn geweest tussen de pseudokoper en anderen dan verdachte. Daarbij is op een gegeven moment ook gesproken over internationale contacten en de levering van drugs naar Zweden. Zonder enige beïnvloeding van de pseudokoper kwam verdachte vervolgens op 9 juli 2009 in beeld. Er is daarom op geen enkele manier aannemelijk geworden dat door toedoen van een opsporingsambtenaar verdachte is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet al van tevoren was gericht. Reeds hierom is van schending van artikel 126i, tweede lid Sv geen sprake en gaat een vergelijking met de door de raadsman aangehaalde uitspraak van het EHRM niet op.

De rechtbank volgt de raadsman evenmin in zijn stelling dat de officier van justitie geen of onvoldoende toezicht heeft gehouden op de uitvoering van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Er zijn gedurende het opsporingsonderzoek meerdere pseudokoop bevelen afgegeven. Uit het geheel daarvan is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat de officier van justitie wel degelijk regie heeft gehad en het onderzoek heeft aangestuurd. Dat in een aanvraag proces-verbaal met betrekking tot een concrete periode een fout zou zijn gemaakt, zoals door de raadsman is betoogd, doet hier niet aan af. Uit het dossier blijkt voldoende dat de officier van justitie op de hoogte was van het opsporingsonderzoek en de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden hierbij en daaraan sturing gaf.

Anders dan de raadsman meent zijn in het opsporingsonderzoek de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit niet geschonden. Gelet op de omstandigheden zoals die naar voren komen uit het dossier heeft de officier van justitie in redelijkheid kunnen kiezen voor de inzet van de gebruikte bijzondere opsporingsbevoegdheden tegen verdachte. De rechtbank constateert dat toen verdachte in beeld kwam er door hem al een kilo cocaïne was geleverd en daarbij door hem is gesproken over de levering van grotere hoeveelheden cocaïne. Onder die omstandigheden is de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden pseudokoop en stelselmatige inwinning van informatie niet disproportioneel te achten.

De stelling van de raadsman dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen bevel pseudokoop ten laste van verdachte zou zijn afgegeven passeert de rechtbank alleen al omdat die stelling onverlet laat dat een dergelijk bevel er wel was, zij het ten laste van een andere verdachte. Dat de naam van verdachte niet is genoemd, heeft hem geen schade berokkend.

Bewijsvraag

Bewijsuitsluiting

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat voor zover de rechtbank het verweer tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie verwerpt, de gronden die hij hiervoor heeft aangedragen, gelet op artikel 359a Sv, tot bewijsuitsluiting aanleiding moeten geven.

De raadsman van verdachte heef ter terechtzitting verder aangevoerd dat geen sprake is geweest van pseudokoop maar van infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij gewezen op de volgende omstandigheden. Er is geen sprake van een eenmalige inzet nu immers meerdere strafbare feiten op de dagvaarding staan. De pseudokoper is doorgedrongen in een vermeende organisatie om zo bij het vermeende kopstuk [naam medeverdachte] uit te komen. Daarnaast is de pseudokoper in het dossier door de politie zelf als infiltrant aangeduid. Aangezien aan de wettelijke vereisten voor infiltratie niet is voldaan, is ook sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat aan de wettelijke vereisten voor pseudokoop is voldaan en er in het opsporingsonderzoek geen sprake is geweest van infiltratie. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat er een vertrouwensaankoop mag worden gedaan. Voorts is de pseudokoper niet doorgedrongen in welke organisatie dan ook. De uitkomsten van de pseudokoop dienen dan ook niet van het bewijs te worden uitgesloten.

Het oordeel van de rechtbank

De argumenten die door de raadsman hiervoor ter onderbouwing van de niet-ontvankelijkheid zijn aangedragen kunnen evenmin aanleiding geven tot bewijsuitsluiting aangezien de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat geen sprake is van verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek.

De rechtbank is verder van oordeel dat in het opsporingsonderzoek geen sprake is geweest van infiltratie in de zin van artikel 126h Sv, zoals door de raadsman betoogd.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat het bevel van de officier van justitie en de

daaropvolgende handelingen van de pseudokoper waren gericht op een eenmalige aankoop. Gaandeweg het opsporingsonderzoek is enkele malen een nieuwe opdracht tot pseudokoop afgegeven in verband met nieuwe strafbare feiten. Dit is, anders dan raadsman meent, geen reden om tot infiltratie te concluderen. Dat de pseudokoper in enkele stukken als infiltrant is aangeduid, leidt er op zichzelf evenmin toe dat sprake is geweest van infiltratie in de hiervoor bedoelde zin. Van infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid Sv, is sprake indien en voor zover de opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. Van het bestaan van een dergelijke groep waarvan de pseudokoper onderdeel zou zijn gaan uitmaken of waaraan hij medewerking zou hebben verleend, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande worden de verweren verworpen.

Bewezenverklaring

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de onder 1, primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Zij baseert dit op de bevindingen van pseudokoper Roy, het NFI rapport en telefoontaps. Hieruit volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de levering van een kilo cocaïne en ervan op de hoogte was dat deze cocaïne voor de export naar Zweden was bedoeld. Voorts heeft hij voorbereidingshandelingen verricht voor de export van nog grotere hoeveelheden cocaïne naar Zweden.

De officier van justitie acht de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de relevante processen-verbaal over de vondst van het vuurwapen in zijn woning.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 is betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde omdat verdachte niets wist van de eventuele uitvoer naar Zweden en slechts op verzoek van medeverdachte [naam medeverdachte] heeft geholpen. Er kan derhalve slechts een bewezenverklaring volgen voor het subsidiair ten laste gelegde maar dan alleen ten aanzien van een hoeveelheid van 213 gram cocaïne aangezien alleen de uitslag van bemonstering onder AAAZ4044 voor het bewijs kan worden gebruikt. Er is immers bij het labellen en verzendklaar maken van de pakketjes cocaïne een fout gemaakt die niet als een ongelukkige verschrijving kan worden beschouwd.

Er dient vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit te volgen aangezien de besprekingen die zijn gevoerd naderhand niets te maken hebben gehad met de handel in cocaïne. Het ging om een beroving die gepland was door [naam medeverdachte] en verdachte is toen hij hier lucht van kreeg vrijwillig teruggetreden.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1.

Een proces-verbaal van verbalisant A-3205 (pseudokoper Roy) d.d. 10 juli 2009 opgenomen op pagina 1111 en 1113 van dossiernummer 01NWR08007 d.d. 4 januari 2010, verder te noemen "het dossier", inhoudende:

Op 8 juli 2009 kreeg ik van mijn begeleidingsteam de opdracht om contact te maken met verdachte [naam medeverdachte] om afspraken te maken voor het ophalen van A-1859 en samen met hen afspraken te maken voor de aankoop van 1 kilo cocaïne op donderdag 9 juli 2009. Ik hoorde dat [voornaam medeverdachte] zei dat [verdachte] wilde weten of de Zweden interesse hadden om 25 kilo te kopen. Ik hoorde vervolgens dat [voornaam medeverdachte] zei dat hij 1 kilo voor € 34.000 verkoopt ondanks dat het nu eigenlijk wel duurder was.

Een proces-verbaal van verbalisant A-3205 (pseudo-koper Roy) d.d. 10 juli 2009, opgenomen op pagina 1116 t/m 1122 van het dossier inhoudende:

Ik kreeg op donderdag 8 juli 2009 (de rechtbank leest 9 juli 2009) van mijn begeleidingsteam de opdracht om samen met verdachte [naam medeverdachte] naar Groningen te rijden om daar een pseudokoop te doen van 1 kilo cocaïne. [voornaam medeverdachte] zei mij dat de [verdachte] een café was binnengegaan. Vervolgens liepen wij in de richting van een café genaamd [naam café]. Na het gesprek tussen [voornaam medeverdachte] en [verdachte] hoorde ik vervolgens dat [voornaam medeverdachte] tegen mij zei dat hij [verdachte] had uitgelegd dat de Zweden graag zaken willen doen en dat ik eigenlijk de man ben die de zaken voor hen in Nederland afhandelde. Ik zag dat [verdachte] daarmee instemde en ook begreep want hij knikte. Ik zei vervolgens tegen [verdachte] dat ik inderdaad de zaken in Nederland regelde voor de Zweden.

Wij liepen verder de Hoornsediep op en stopten bij het pand [adres]. Op aanwijzingen van [voornaam medeverdachte] stopte ik vlakbij [verdachte]. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] tegen me zei dat hij iets voor mij had. Ik zag [verdachte] mij een brokje, vermoedelijk cocaïne, gaf. Tijdens het testen bleek dat het een brokje cocaïne was. Het brokje woog 4 gram.

Ik keerde vervolgens de auto en reed verder de Hoornsediep op en kwam uit op het Hoornsediep ZW, nabij de winkel [bedrijfsnaam]. Vervolgens zag ik dat [verdachte] heen en weer liep op straat en dat hij een bestuurder aansprak van een donkerkleurige Volkswagen Golf. Op dat moment hoorde ik van [voornaam medeverdachte] dat [verdachte] 1 kilo bij zich had.

Ik hoorde dat [voornaam medeverdachte] tegen mij zei dat ik samen met hem in mijn auto moest stappen en dat wij naar de eerste locatie teruggingen omdat [verdachte] daar de zaken wilde afhandelen. [Verdachte] zei dat de kilo cocaïne in een blauwe koeltas zat. Vervolgens liepen wij in de richting van de auto waar A-3257 in zat. Ik pakte vervolgens het geld uit de kofferbak en liep achter [verdachte] en [voornaam medeverdachte] aan. Het geld zat in een plastic tas. Ik zag dat [voornaam medeverdachte] en [verdachte] naar de zwarte Volkswagen Golf liepen die even tevoren ook bij [bedrijfsnaam] geparkeerd had gestaan. Ik zag dat [verdachte] de deur achter de bestuurdersstoel opende en mij liet instappen. Ik stapte in en zag achter de bestuurdersstoel een blauwe koeltas liggen. Ik maakte tas open en zag dat daarin drie pakketten lagen. Een klein en een iets groter pakje, beiden aan de buitenkant voorzien van plakfolie. Het derde pakje was een plastic doorzichtig zakje met daarin harde ronde cilinder gevormde cocaïnebolletjes. Vervolgens ben ik samen met [voornaam medeverdachte] teruggelopen naar mijn auto waar ik de inhoud van de blauwe koeltas testte op cocaïne. Tijdens de test bleken de drie pakketjes inderdaad cocaïne te bevatten.

Onmiddellijk hierna stelde ik mijn begeleidingsteam in kennis van mijn bevindingen. Direct hierop werd mij een foto getoond. Ik A-3205 herkende de persoon op de foto voor de volle 100 procent als [verdachte] die samen met [voornaam medeverdachte] mij de cocaïne had verkocht.

Een proces-verbaal van verbalisant A-3257 d.d. 10 juli 2009, opgenomen op pagina 1123 en 1124 van het dossier inhoudende:

Op donderdag 9 juli 2009 kreeg de opdracht om mij als geldkoerier op te houden in omgeving van de gemeente Groningen. Ik zag dat ook A-3205 zijn auto verliet en richting mij liep. A-3205 overhandigde mij vervolgens een blauwwit gekleurde koeltas. Vervolgens ben ik onmiddellijk weggereden na de door u opgegeven locatie. Daar heb ik de koeltas overgedragen. Ik heb niet in de koeltas gekeken maar ik ging ervan uit dat er cocaïne in de tas zat omdat A-3205 vertelde dat de deal was gesloten. U toonde mij zojuist twee foto's. Een donker gekleurde man en een Zuid-Amerikaanse man. Ik herken beiden als de mannen die bij A-3205 zijn geweest.

Een proces-verbaal van onderzoek aangetroffen koeltas d.d. 24 augustus 2009, opgenomen op pagina 298 tot en met 301van het dossier, inhoudende:

[Verbalisant] was in het bezit van een koeltas blauw/wit gestreept met hierin ongeveer 1 kilogram drugs, hoogstwaarschijnlijk cocaïne.

Door mij werden de volgende stukken van overtuiging vastgesteld.

Een boterhamzakje met krijtjes SIN sticker AAAU1492NL. Het zakje bleek 298 gram te wegen.

Een boterhamzakje omwikkeld met plakband SIN sticker AAAU1439NL. Dit bleek 488 gram te wegen.

Een boterhamzakje omwikkeld met plakband SIN sticker AAAU7572NL. Dit bleek 213 gram te wegen.

AAAU1429NL is opgesplitst in drugs AAAZ4037NL

AAAU1430NL is opgesplitst in drugs AAAZ4039NL

AAAU7572NL is opgesplitst in drugs AAAZ4041NL

AAAZ4042NL is een monster van AAAZ4037NL

AAAZ4043NL is een monster van AAAZ4039NL

AAAZ4044NL is een monster van AAAZ4041NL

Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI onderzoeksrapport inzake de Opiumwet, opgesteld door [naam medewerker NFI] d.d. 23 september 2009, opgenomen op pagina 1265 tot en met 1266 van het dossier, inhoudende:

AAAZ4042NL bevat cocaïne

AAAZ4043NL bevat cocaïne

AAAZ4044NL bevat cocaïne

Ten aanzien van feit 2

Een proces-verbaal van verbalisant A-3205 (pseudo-koper Roy) d.d. 13 augustus 2009, opgenomen op pagina 1126 en 1127 van het dossier inhoudende:

Op donderdag 12 augustus 2009 kreeg ik van mijn begeleidingsteam de opdracht om contact te maken met verdachte [naam medeverdachte].

Ik hoorde dat [voornaam medeverdachte] aan mij vroeg of ik met de Zweden had afgesproken. Ik zei vervolgens tegen [voornaam medeverdachte] dat ik ze wel gebeld had maar dat ik ze nog niet te pakken had kunnen krijgen. Vervolgens hoorde ik dat [voornaam medeverdachte] zei dat [verdachte] en hij zaken wilden doen met de Zweden.

Een proces-verbaal van verbalisant A-3205 (pseudo-koper Roy) d.d. 4 september 2009, opgenomen op pagina 1129 t/m 1131 van het dossier inhoudende:

Op vrijdag 3 september 2009 kreeg ik van mijn begeleidingsteam opdracht om contact te maken met verdachte [naam medeverdachte] om eventueel een afspraak te maken over de levering van cocaïne over twee weken.

Na enkele minuten zag ik dat [voornaam medeverdachte] en [verdachte] aan kwamen lopen. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] zei dat hij eigenlijk naar Zuid-Amerika zou gaan maar op mij en de Zweden had gewacht. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] zei dat hij had verwacht dat ik en de Zweden met hem zouden praten over het kopen van een grote levering. Ik zei vervolgens tegen [verdachte] dat de Zweden 15 september willen komen om met hem te praten. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] het goed vond om elkaar te ontmoeten op de 15 september. Ik zei vervolgens tegen [voornaam medeverdachte] en [verdachte] dat de Zweden eerst 3 kilo willen kopen omdat zij hun afnemers moesten overtuigen van de kwaliteit die zij zouden krijgen bij de grote levering.

Ik hoorde vervolgens dat [voornaam medeverdachte] zei dat als ik het geld heb hij nu direct 10 kilo kon verkopen omdat hij op dat moment beschikte over 10 kilo in Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] zijn uitspraak beaamde. Ik hoorde vervolgens de [verdachte] zei dat het geen probleem was en dat zij 3 kilo zouden regelen. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] zei dat hij de 25 kilo uit Peru of Bolivia wilde halen.

Een proces-verbaal van verbalisant A-3205 (pseudo-koper Roy) d.d. 9 september 2009, opgenomen op pagina 1133 en 1135 van het dossier inhoudende:

Op woensdag 9 september 2009 kreeg ik van mijn begeleidingsteam opdracht om contact te maken met verdachte [naam medeverdachte], om tot een prijsafspraak te komen voor de levering van 3 kilo cocaïne op 15 of 16 september 2009.

Nadat ik [voornaam medeverdachte] had begroet zag ik dat ook [verdachte] aanwezig was. Ik zag en hoorde dat [verdachte] naar [voornaam medeverdachte] knikte. Ik zag en hoorde dat [voornaam medeverdachte] zei dat hij met [verdachte] in Amsterdam afgesproken had dat [verdachte] € 37.000 euro vroeg als de Zweden drie kilo namen en € 35.000 vroeg wanneer de Zweden vijf kilo afnemen. Vervolgens hoorde ik dat [verdachte] zei dat [verdachte] in Amsterdam het voor ons zou bewaren en dat het ook serieus moet zijn. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] tegen mij zei dat die ander man niet met een Duits kenteken moet komen maar met een Nederlands kenteken.

Een proces-verbaal van verbalisant A-3205 (pseudo-koper Roy) d.d. 14 september 2009,

opgenomen op pagina 1136 en 1137 van het dossier inhoudende:

Op maandag 14 september 2009 werd ik gebeld door [naam medeverdachte]. Ik hoorde dat [voornaam medeverdachte] aan mij vroeg om hoeveel kinderen het ging, drie of vijf kinderen. Ik hoorde vervolgens dat [voornaam medeverdachte] aan mij vroeg of de drie kinderen morgen wilden inchecken of woensdag.

Een proces-verbaal van verbalisant A-3205 (pseudo-koper Roy) d.d. 15 september 2009, opgenomen op pagina 1138 t/m 1142 van het dossier inhoudende:

Op dinsdag 15 september 2009 kreeg ik van mijn begeleidingsteam opdracht om contact te maken met verdachte [naam medeverdachte], om tot een afspraak komen voor het leveren van harddrugs op 16 september 2009.

Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] zijn verhaal vertelde over die 25 kilo. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] zei dat wij voor de 25 kilo die wij zouden kopen € 6.500 per kilo moesten betalen. Buiten vroeg ik vervolgens aan [verdachte] hoe hij het morgen zou regelen. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] zei dat alles was geregeld en dat morgen geen probleem was.

Ten aanzien van feit 3 en 4

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd

- een proces-verbaal d.d. 10 december 2009, opgenomen op pagina 1936 t/m 1940 van het dossier, inhoudende een beschrijving van het vuurwapen, de minutie en de geluidsdemper.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte wel degelijk op de hoogte van het feit dat de door hem geleverde kilo cocaïne bedoeld was voor export naar Zweden. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de stelling dat geen sprake zou zijn van een kennelijke verschrijving in het hiervoor aangehaalde NFI rapport. Gelet op de opbouw van het dossier, de foto's van de inbeslaggenomen gestickerde zakjes uit de koeltas en de omschrijvingen in het proces-verbaal van onderzoek aan deze koeltas gaat de rechtbank ervan uit dat ten aanzien van de SIN sticker nummers AAAU1492NL en AAAU1439NL sprake is van een kennelijke schrijffout, in die zin dat hiermee AAAU1429NL en AAAU1430NL zijn bedoeld. Het is evident dat de monsters die door het NFI zijn onderzocht uit de blauw/witte koeltas van verdachte afkomstig waren.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bezig was met het voorbereiden van de export van cocaïne naar Zweden zoals onder 2 ten laste is gelegd. Anders dan de raadsman heeft betoogd kan niet worden gezegd dat de rol van verdachte bij die voorbereiding strafrechtelijk niet serieus is te nemen en hij er slechts bij was betrokken om vanwege zijn Colombiaanse afkomst indruk te maken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte, zoals onder 1 bewezen is verklaard, daarvoor al een kilo cocaïne had geleverd.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 1000 gram van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk toen en aldaar tezamen en in vereniging met anderen, die 1000 gram van een materiaal bevattende cocaine, ten vervoer, met bestemming naar het buitenland, te weten Zweden, aan een persoon aangeboden;

2.

hij in de periode van 13 augustus 2009 tot en met 16 september 2009, in de gemeenten Groningen en Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen, een ander heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen,

immers hebben verdachte en verdachtes mededader, toen en aldaar

- besprekingen gevoerd en bijgewoond en afspraken gemaakt over aan wie en op welke plaats en op welk moment en op welke wijze die hoeveelheid cocaine zou worden overgedragen en afgeleverd;

3.

hij in de periode van 16 september 2006 tot en met 16 september 2009, in de gemeente Groningen, een wapen van categorie III, te weten een (semi-automatisch) pistool (merk Browning, type FN), en munitie van categorie II en III, te weten kogelpatronen (merk Magtech, kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

4.

hij in de periode van 16 september 2006 tot en met 16 september 2009, in de gemeente Groningen, een wapen van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het/de volgende strafbare feit(en) op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van een feit als bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en meermalen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

4. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van haar strafeis rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit en de justitiële documentatie van verdachte waaruit naar voren komt dat hij eerder en ook kort geleden voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De aard en ernst van de ten laste gelegde feiten, de snelle recidive alsmede de houding van verdachte is voor officier van justitie aanleiding om, in afwijking van het reclasseringsrapport niet een deels voorwaardelijke gevangenisstraf te vorderen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank het feit bewezen mocht achten, aangevoerd dat bij de bepaling van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de werkelijke hoeveelheid cocaïne die bewezen kan worden geacht en de zuiverheid ervan. Gelet ook op de van toepassing zijnde oriëntatiepunten kan voor alle feiten in redelijkheid niet meer dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het aangaande zijn persoon opgemaakte reclasseringsrapport, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de levering van cocaïne bedoeld voor de export en de voorbereiding van de internationale handel van cocaïne. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. De rechtbank overweegt dat de handel in verdovende middelen bij wet strafbaar is gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaan drugshandel en het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van (gewelds- en vermogens-) criminaliteit.

De rechtbank heeft gelet op de omvang van de drugshandel van verdachte en zijn rol daarin. Verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne geleverd voor de uitvoer naar Zweden en heeft bovendien de levering van meerdere kilo's cocaïne naar Zweden voorbereid. In dit geheel heeft hij een sturende rol gespeeld. Verdachte geeft geen enkel inzicht in hoe hij aan deze kilo's cocaïne kan komen. Kennelijk behoort verdachte tot een organisatie of heeft hij toegang tot een organisatie die in staat is dergelijke hoeveelheden cocaïne te leveren.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte, waaruit naar voren komt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij kort na het uitzitten van een gevangenisstraf van 30 maanden voor de handel in cocaïne opnieuw tot een soortgelijk delict is over gegaan. De rechtbank acht derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur, conform de vordering van de officier van justitie passend en geboden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de snelle recidive, voor een voorwaardelijke straf geen aanleiding is.

Beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen brief met namen en onderschepping cocaïne, een weegschaal (kleur zwart), een weegschaal (kleur wit) en een document met een berekening voor meerdere kwekerijen, verbeurd moeten worden verklaard, zoals gevorderd door de officier van justitie. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen betreft waarmee de bewezen verklaarde feiten zijn begaan of die kunnen dienen tot het begaan of voorbereiding van soortgelijke feiten.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen pistool van het merk Browning, de geluidsdemper en de munitie, moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is immers in strijd met de artikelen 13 en 26 van de Wet wapens en munitie.

Teruggave

De rechtbank is, gehoord de vordering van de officier van justitie, van oordeel dat de twee in beslag genomen oranje plastic boodschappentassen van [bedrijfsnaam], moeten worden teruggegeven aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een pistool van het merk Browning,

- een geluidsdemper en

- munitie.

Verklaart verbeurd:

- een brief met namen en onderschepping cocaïne,

- een weegschaal (kleur zwart),

- een weegschaal (kleur wit) en

- een document met een berekening voor meerdere kwekerijen.

Gelast de teruggave van:

- twee oranje plastic boodschappentassen van [bedrijfsnaam].

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, F.J. Agema en S. Tempel, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van der Horn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni 2010.