Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM7430

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/1113 AW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP7165, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om een definitieve afrekening van de wachtgelden van gewezen VO-medewerkers. Vraag of uit de brieven van verweerder inzake het in mindering brengen van bedragen op de rijksbijdrage van eiser kan worden afgeleid dat sprake is geweest van definitieve afrekeningen over de jaren 2004 - 2006. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Verweerder is er ten onrechte vanuit gegaan dat sprake is van onaantastbare in rechte vaststaande besluiten. Verweerder heeft het verzoek van eiser ten onrechte aangemerkt als een herzieningsverzoek, en het verzoek ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 Awb afgewezen. Beroep gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/1113 AW

Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

het College van Bestuur van het Noorderpoortcollege, gevestigd te Groningen, eiser

gemachtigde: mr. J.J.J. Heeringa,

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Bij besluit van 8 oktober 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het besluit van 12 november 2008 door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 17 november 2009 beroep ingesteld. Op

18 november 2009 zijn de gronden van het beroep ingediend.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2010. Namens eiser zijn verschenen [naam] en [naam], bijgestaan door mr. J.J.J. Heeringa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. Kok. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Feiten

2.1.1 Eiser heeft over de jaren 2003-2006 bij het Participatiefonds het ontslag gemeld van medewerkers, en verzocht de uitkeringskosten voorvloeiende uit het ontslag ten laste van het Participatiefonds te brengen. Bij afzonderlijke besluiten heeft het Participatiefonds het verzoek om vergoeding toegewezen.

2.1.2 Bij brieven van achtereenvolgens 16 november 2005, 24 januari 2006, 17 juli 2006, 24 oktober 2007, 10 december 2007 en 13 maart 2008 heeft verweerder met toepassing van artikel 2.5.2., tweede lid, aanhef en onder b, van de in het Uitvoeringsbesluit Wet educatie beroepsonderwijs (hierna: het Uitvoeringsbesluit Web) de op de bijlagen vermelde bedragen rechtstreeks op de rijksbijdrage van eiser in mindering gebracht.

2.1.3 Eiser heeft op 4 december 2007 bij verweerder een claim ten bedrage van

€ 374.449,06 met betrekking tot de gedeclareerde wachtgelden ingediend.

2.1.4 Bij brief van 13 maart 2008 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de finale afrekening reeds heeft plaatsgevonden, dat de uitvoering van verrekening van wachtgelden is overgedragen aan Loyalis Maatwerk en dat een verzoek om correctie aldaar moet worden ingediend.

2.1.5 Op 18 september 2008 heeft eiser verweerder verzocht om de ten onrechte in mindering gebrachte bedragen over de jaren 2004, 2005 en 2006 ter grootte van

€ 278.691,03 over te maken.

2.1.6 Bij besluit van 12 november 2008 heeft verweerder geweigerd de ingehouden wachtgelden over de jaren 2004 - 2006 voor vergoeding in aanmerking te brengen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de finale afrekening door verweerder reeds heeft plaatsgevonden.

2.1.7 Tegen dat besluit heeft eiser op 16 december 2008 bezwaar gemaakt. Op 2 maart 2009 zijn de gronden van het bezwaar ingediend. Op 11 mei 2009 is eiser gehoord. Op 9 en 30 juni 2009 zijn de gronden van het bezwaar nader aangevuld.

2.1.8 Het bezwaar is door verweerder bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2 Beoordeling

2.2.1 Eiser voert aan dat de brieven van 16 november 2005, 24 januari 2006, 17 juli 2006, 24 oktober 2007, 10 december 2007 en 13 maart 2008 geen bezwaarclausule bevat, zodat het de vraag is of deze brieven wel als besluiten kunnen worden aangemerkt. Naar de opvatting van eiser had verweerder de brief van 4 december 2007 dienen op te vatten als bezwaarschrift tegen de brief van 24 oktober 2007, dan wel als (prematuur) bezwaarschrift tegen de brief van 10 december 2007 op grond van artikel 6:10 van de Awb.

2.2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu eiser tegen de besluiten over het in mindering brengen van de uitkeringen van VO werknemers op de BVE-bekostiging geen bezwaar heeft aangetekend, deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden. Van het feit dat de uitkeringskosten van voormalige VO leerkrachten op grond van het Uitvoeringsbesluit Web in mindering werden gebracht op de rijksbijdrage was eiser ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten al op de hoogte, zodat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Naar de opvatting van verweerder is geen sprake van een ondeugdelijke motivering van het bestreden besluit.

2.2.3 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.2.4 Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.2.5 In de brieven van 16 november 2005, 24 januari 2006, 17 juli 2006, 24 oktober 2007, 10 december 2007 en 13 maart 2008 heeft verweerder op grond van artikel 2.5.2., tweede lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit Web de op de bijlagen vermelde bedragen rechtstreeks op de rijksbijdrage van eiser in mindering gebracht. Naar aanleiding van het verzoek van eiser van 4 december 2007 om een definitieve afrekening van de wachtgelden heeft verweerder bij brief van 13 maart 2008 eiser medegedeeld dat de finale afrekening reeds heeft plaatsgevonden. Niet in geschil is dat de brief van 13 maart 2008 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar slechts een informatief karakter heeft. Bij primair besluit van

12 november 2008 is eisers claim afgewezen op de grond dat de finale afrekening reeds heeft plaatsgevonden. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat deze beschikkingen in rechte onaantastbaar zijn geworden, nu eiser geen rechtsmiddelen heeft ingesteld. Verweerder heeft het verzoek van eiser om die reden aangemerkt als een herzieningsverzoek en op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

2.2.6 De rechtbank dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of uit de eerdere in 2.2.6 genoemde brieven kan worden afgeleid of sprake is geweest van definitieve afrekeningen als bedoeld in artikel 2.5.3, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Web. In artikel 2.5.3, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Web is bepaald dat de definitieve vaststelling van de verminderingen, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in maart of zoveel eerder als mogelijk is, volgend op het desbetreffende jaar.

2.2.7 De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van definitieve afrekeningen van de plaatsgevonden verminderingen. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder in de in 2.2.6 genoemde besluiten geen toepassing heeft gegeven aan artikel 2.5.3., tweede lid, van het Uitvoerings¬besluit Web. Immers, in die besluiten heeft verweerder de vermindering op de rijksbijdrage van eiser enkel gebaseerd op grond van artikel 2.5.2., tweede lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit Web. Daarmee zijn, anders dan verweerder kennelijk veronderstelt, over de jaren 2004 - 2006 nog geen definitieve afrekeningen tot stand gekomen. Bij het voorgaande neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat geen aparte definitieve afrekeningen van de verminderingen hebben plaatsgevonden. De door verweerder ter zitting ingenomen stelling dat de genomen besluiten moeten worden opgevat als definitieve afrekeningen, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in die besluiten dan wel in de overige stukken van het geding. Door verweerder zijn voorts geen besluiten overgelegd waaruit blijkt dat reeds definitieve afrekeningen op grond van artikel 2.5.3, tweede lid, van het Uitvoerings¬besluit Web hebben plaatsgevonden. Nu besluiten tot definitieve afrekeningen niet tot stand zijn gekomen, is verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit er ten onrechte vanuit gegaan dat sprake is van onaantastbare in rechte vaststaande besluiten. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het verzoek van eiser om verrekening van de wachtgelden ten onrechte heeft aangemerkt als een herzieningsverzoek, en tevens dat verweerder ten onrechte het verzoek van eiser met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgewezen.

2.2.8 Nu verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiser moeten besluiten, met inachtneming van deze uitspraak.

2.2.9 Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, te worden bepaald, dat het door eiser betaalde griffierecht van € 297,00 door verweerder aan eiser wordt vergoed.

2.2.10 Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser € 874,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; zwaarte van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 437,00), als nader aangegeven op de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

2.2.11 Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2009;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad

€ 297,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzitter, en mr. H.J. Bastin en

mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2010.

w.g. De griffier,

w.g. De voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 AE Den Haag.