Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM6987

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
424071 / 09-7243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering premie uit hoofde basisverzekering ziektekosten. Beroep op schending artikel 111 lid 2 sub d Rv. wordt verworpen. Vordering als voor het overige niet weersproken toegewezen. Proceskosten gematigd in verband met andere procedure tegen gedaagde partij uit hoofde van dezelfde overeenkomst en dezelfde periode bij afzonderlijke dagvaarding aanhangig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie

Zaak\rolnummer: 424071/09-7243

Vonnis d.d. 27 april 2010

inzake

de Onderlinge Waarborgmaatschappij Menzis Zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Zwolle, kantoorhoudende te Groningen,

eiseres, hierna te noemen Menzis, gemachtigde LAVG gerechtsdeurwaarders te Groningen,

tegen

Q., wonende te Bellingwolde,

gedaagde, hierna te noemen Q., gemachtigde mr. J.M. Jansen, advocaat te Peize.

PROCESGANG

Menzis heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd Q. te veroordelen tot betaling van € 1.623,45 vermeerderd met rente en kosten. Q. heeft geantwoord met conclusie tot afwijzing van het gevorderde. Partijen hebben geconcludeerd voor antwoord, re- en dupliek. Hierna is vonnis bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

het standpunt van Menzis

1.1 Zij legt het volgende aan vordering ten grondslag.

1.2 Q. heeft een basisverzekering en een aanvullende verzekering bij haar afgesloten. Uit hoofde hiervan is Q. in gebreke gebleven met de betaling van diverse premies over de periode september 2008 tot en met juni 2009. Het totaal daarvan beloopt € 1.231,39.

1.3 Q. heeft naar aanleiding van een aantal aanmaningen uitstel van betaling gevraagd tot eind mei 2009. Aangezien ook toen betaling achterwege bleef, heeft zij de vordering ter incasso uit handen gegeven. Zij maakt aanspraak op wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

1.4 Omdat uit de aard van de verzekeringsovereenkomst vorderingen gefaseerd worden overgedragen, kan het voorkomen dat er op enig moment twee procedures voor eenzelfde soort zaak bij de rechtbank aanhangig is. Nu dit met betrekking tot de vorderingen tegen Q. ook is gebeurd, wijst zij er op dat Q. de daaruit voor haar voortvloeiende "schade" had kunnen voorkomen door te betalen, dan wel een regeling te treffen.

het standpunt van Q.

2.1 Zij maakt bezwaar tegen de wijze waarop zij is gedagvaard. Door (de gemachtigde van) Menzis is bij dagvaarding geen enkel stuk in het geding gebracht. Zij is van mening dat artikel 111 lid 2 sub d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) op grove wijze is geschonden. De dagvaarding zou nietig moeten worden verklaard. Nu Menzis eerst bij conclusie van repliek de nodige stukken in het geding heeft gebracht, blijft er slechts één ronde over voor het partijdebat.

2.2 Zij betwist de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de hoofdsom en de wettelijke rente, niet. Door externe oorzaken is zij financiële problemen geraakt en is zij niet in staat betalingen aan Menzis te voldoen.

2.3 Zij betwist de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten. Voor de door (de gemachtigde van) Menzis omschreven werkzaamheden plegen de proceskosten (artikel 237 Rv.) een vergoeding in te houden. Voor het overige bestaat er geen recht op vergoeding van deze kosten, nu de buitengerechtelijke werkzaamheden deze niet rechtvaardigen.

2.4 Zij meent geen proceskosten verschuldigd te zijn, aangezien op dezelfde dag als de inleidende dagvaarding in deze procedure (7 september 2009) nog een dagvaarding van de zijde van Menzis in eenzelfde soort zaak en voortvloeiende uit dezelfde verzekeringsovereenkomst aan haar is betekend. Zij wijst ter zake op de schadebeperkende verplichting van de zijde van (de gemachtigde van) Menzis.

Daarenboven is zij van mening dat Menzis, gelet op de wijze waarop deze haar procedure(s) voert, de proceskosten moet dragen. Voor voeren van verweer heeft zij kosten moeten maken voor een gemachtigde.

de beoordeling

3.1 De kantonrechter kan zich niet vinden in de stelling van Q. dat artikel 111 lid 2 sub d Rv. op grove wijze is geschonden. Voormeld artikel ziet onder meer op de eis en de gronden die de inleidende dagvaarding dient in te houden en de kantonrechter is van oordeel dat deze gronden op voldoende wijze zijn onderbouwd. Zo is uit de dagvaarding zonder meer duidelijk (geworden) dat tussen partijen een verzekeringsovereenkomst bestaat, dat de verzekeringsnemer, in casu Q., ingevolge die overeenkomst maandelijks, bij vooruitbetaling premies verschuldigd is en dat Q. met de betaling van de uit hoofde daarvan verschuldigde bedragen in gebreke is gebleven. Voorts is de wijze waarop de vordering in hoofdsom is samengesteld voldoende inzichtelijk (gemaakt). Immers zijn daartoe afzonderlijke factuurnummers, vervaldata, bedragen, perioden en omschrijvingen vermeld. Op grond hiervan zal het beroep van Q. dan ook worden verworpen en kan van nietigheid van de dagvaarding geen sprake zijn.

3.2 Nu de vordering inzake de hoofdsom en de wettelijke rente niet is weersproken, zal deze toegewezen.

3.3 De vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten is onvoldoende onderbouwd. De gemachtigde van Menzis heeft nagelaten concreet invulling te geven aan haar daadwerkelijk en inhoudelijk verrichte incassowerkzaamheden. De enkele stelling dat er (herhaalde) standaardsommaties zijn verzonden en dat er telefonisch contact met Q. is geweest, kunnen de kosten in ieder geval niet dragen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Deze kosten zullen dan ook worden afgewezen.

3.4 Met betrekking tot de proceskosten overweegt de kantonrechter als volgt. Door Q. is gesteld dat Menzis een tweetal vorderingen op haar, die voortvloeien uit dezelfde zorgverzekeringsovereenkomst (polisnr. 14108356) bij twee afzonderlijke dagvaardingen op dezelfde datum, 7 september 2009, aanhangig heeft gemaakt. Nu deze beide vorderingen betrekking hebben op een periode tot en met juni 2009 volgt de kantonrechter Q. in haar stelling dat niet valt in te zien waarom Menzis de beide vorderingen niet in één dagvaarding heeft neergelegd. Door twee afzonderlijke dagvaardingen uit te brengen, heeft Menzis Q. immers nodeloos met extra kosten belast. De maatstaven van redelijkheid en billijkheid - waaruit voortvloeit dat (de gemachtigde van) Menzis rekening heeft te houden met de gerechtvaardigde belangen van haar wederpartij - brengen mee dat deze kosten niet ten laste van Q. kunnen worden gebracht. De omstandigheid dat Menzis de vorderingen gefaseerd aan haar gemachtigde overdraagt, maakt dit niet anders.

Meer concreet vertaalt het voorgaande zich in het volgende. In het geval het totaal van de verschillende vorderingen in één dagvaarding was neergelegd zou Menzis aanspraak hebben kunnen maken op een vergoeding van proceskosten van € 543,98 (€ 85,98 aan explootkosten, € 158,00 aan vastrecht en € 300,00 aan salaris van de gemachtigde). Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat Q. in verband met de door haar bedoelde procedure (zaak/rolnummer 425566/09-7502) reeds is veroordeeld voor een totaalbedrag van € 295,98 aan proceskosten. In deze procedure zal de kantonrechter Q. daarom als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling van het verschil tussen beide bedragen. Dit komt neer op een restantbedrag aan proceskosten van € 248,00.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Q. om tegen bewijs van betaling aan Menzis te voldoen een bedrag van

€ 1.266,45 vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.231,38 vanaf 14 augustus 2009 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Q. in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van Menzis tot aan deze uitspraak worden vastgesteld op € 248,00;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R. van Baak-Klijnsma, kantonrechter, en op 27 april 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: jg