Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM6853

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
114200/FA RK 09-2692
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het uitspreken van de adoptie vóór de geboorte van het kind op grond van artikel 1:230 lid 2 BW.

De bewoordingen van dit artikel laten hiertoe geen ruimte. Een dergelijke uitspraak is ook ongewenst, omdat de identiteit van het adoptiefkind dan nog niet kan worden vastgesteld, terwijl die vaststelling bij het uitspreken van een adoptie essentieel is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 114200/FA RK 09-2692

beschikking d.d. 25 mei 2010

in de zaak van:

verzoeksters,

advocaat mr. M.G.Th. Omtzigt.

PROCESVERLOOP

Op 17 november 2009 hebben verzoeksters ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waarin zij vragen de adoptie uit te spreken van de ongeboren vrucht, als toekomstige zoon/dochter van verzoeksters en een bekende donor. Voorts vragen zij -voor zover nodig- te bepalen dat zij gezamenlijk het gezag over het thans nog ongeboren kind zullen uitoefenen.

In december 2009 heeft een medewerker van de griffie verzoeksters verzocht een geboorteakte over te leggen van het op het moment dat het verzoekschrift werd ingediend nog ongeboren kind.

Op 29 december 2009 is ter griffie van de rechtbank een brief met bijlage (geboorteakte) ontvangen van mr. Omtzigt, gedateerd 24 december 2009.

Daarna is telefonisch nog een aantal bij het verzoekschrift ontbrekende bijlagen opgevraagd.

Op 6 april 2010 is ter griffie van de rechtbank een brief met bijlage (instemmingsverklaring van verzoekster A, verklaring van de donor, uittreksel uit het gezagsregister) ontvangen van mr. Omtzigt, gedateerd 2 april 2010.

Op 13 april 2010 is ter griffie van de rechtbank een brief met bijlage (geboorteakte van verzoekster B) ontvangen van

mr. Omtzigt, gedateerd 12 april 2010.

RECHTSOVERWEGINGEN

In dit geding wordt van de volgende feiten uitgegaan:

- verzoeksters hebben een affectieve relatie met elkaar en wonen vanaf 2001 samen;

- op 12 november 2004 zijn zij met elkaar gehuwd;

- verzoeksters zijn van hetzelfde geslacht;

- ten tijde van het indienen van het verzoek was verzoekster A middels kunstmatige inseminatie met donorzaad van een bekende donor in verwachting van een ongeboren vrucht;

- uit verzoekster A is op 30 november 2009 in de gemeente Groningen het kind geboren;

- het kind is derhalve jonger dan 12 jaar en verzoekster B is 18 jaar ouder dan het kind.

Standpunt van verzoeksters

[het kind] is verwekt via kunstmatige inseminatie met donorzaad van een bekende donor. Verzoeksters hebben regelmatig vriendschappelijke contacten met deze donor en hebben afgesproken dat het kind zodra zijn leeftijd zich daarvoor leent ook geïnformeerd zal worden over zijn afkomst. Met de donor is afgesproken dat het kind op de hoogte mag zijn van zijn identiteit, maar dat hij in pedagogisch of materieel opzicht geen enkele rol in de opvoeding van het kind zal spelen. Verzoeksters zullen vanaf de geboorte samen de zorg en verantwoordelijkheid voor het kind op zich nemen. Het kind heeft dus van de donor noch in opvoedkundig, noch in materieel opzicht iets te verwachten en dit is ook nadrukkelijk niet de bedoeling van één van de betrokkenen (geweest).

Verzoeksters hebben de wens de band tussen [verzoekster B] en het kind middels adoptie vanaf de geboorte ook juridisch te regelen en een familierechtelijke betrekking tussen [verzoekster B] en het kind te bewerkstelligen.

Beoordeling

Verzoeksters zijn gehuwd. [verzoekster A] is tengevolge van kunstmatige donorbevruchting met zaad van een bekende donor zwanger geworden. Ten tijde van indiening van het verzoekschrift was de uitgerekende datum van [verzoekster A] vastgesteld op 2 december 2009. Inmiddels is [verzoekster A] op 30 november 2009 bevallen van een dochter, [het kind] [verzoekster A].

verzoeksters verzoeken de adoptie uit te spreken van het op het moment van indiening van het verzoekschrift nog ongeboren kind door [verzoekster B].

Artikel 1:230, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW), is gewijzigd bij wet van 24 oktober 2008 (Stb 2008, 425)

en luidt sinds 1 januari 2009 als volgt:

“Indien het kind is geboren binnen de relatie van de ouder en de adoptant en de adoptie voor de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van geboorte van het kind; indien de adoptie uiterlijk zes maanden na de geboorte van het kind is verzocht, werkt deze terug tot het tijdstip van indiening van het verzoek. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing indien voor de adoptie familierechtelijke betrekkingen waren gevestigd tussen het kind en een andere ouder en deze door de adoptie zijn verbroken. De adoptie kan in het geval, bedoeld in de eerste volzin, ook worden uitgesproken indien de adoptant na indiening van het verzoek is overleden.”

In de betreffende memorie van toelichting op het wetsvoorstel wordt het volgende gesteld.

Naar aanleiding van de motie-Vos c.s. over afstammingsrechtelijke gelijkstelling van kinderen geboren binnen een relatie van twee vrouwen (Kamerstukken II 1999-2000, 26 672/26 673, nr. 9) is onderzocht in hoeverre zoveel mogelijk afstammingsrechtelijke gelijkstelling van kinderen geboren binnen een relatie van twee vrouwen kan worden bevorderd. Indien binnen deze relatie een kind wordt geboren, kan door middel van adoptie door de vrouwelijke partner van de moeder het juridisch ouderschap van deze partner worden gevestigd. (…)

Het wetsvoorstel voorziet erin dat de adoptie van het kind door deze partner reeds ten tijde van de geboorte werking kan hebben. Het is derhalve niet langer nodig dat haar partner

– nadat het kind geboren is – eerst drie jaar met de moeder van het kind moet hebben samengeleefd alvorens een verzoek tot adoptie kan worden ingediend (…)

Door adoptie wordt juridisch ouderschap gecreëerd. Het wetsvoorstel voorziet erin dat

– evenals bij erkenning van het kind of bij van rechtswege gevestigd ouderschap – het juridisch ouderschap ook in geval van een kind geboren binnen een relatie van twee vrouwen, in een zo vroeg mogelijk stadium en in ieder geval tijdig, namelijk met ingang van de geboorte, kan worden gevestigd (kamerstukken II 2005/06 30551, nr 3, p.2).

En voorts (voor zover van belang voor de onderhavige zaak):

artikel I, onder C

In artikel 230 BW, nieuw tweede lid, wordt erin voorzien dat indien het kind wordt geboren binnen de relatie van de adoptant en de ouder en de adoptie is verzocht vóór de geboorte van het kind, deze terugwerkt tot het tijdstip van geboorte. Op deze wijze kan zoveel mogelijk gelijkstelling met de situatie door erkenning of met van rechtswege door geboorte ontstaan ouderschap worden bereikt. De wijziging van artikel 1:230 BW voorziet erin dat de adoptie van het kind door de partner van de ouder tot wie het kind door geboorte in familierechtelijke betrekking is komen te staan, werkt vanaf het moment dat de adoptant een verzoek daartoe heeft ingediend. Degene die de adoptie verzoekt heeft dus, evenals bij erkenning het geval zou zijn, zelf invloed op het moment waarop de adoptie werking heeft. Wordt het verzoek voor de geboorte van het kind ingediend, dan werkt de adoptie terug tot en met het moment van geboorte van het kind. Daarmee krijgt een voor de geboorte ingediend adoptieverzoek dezelfde rechtsgevolgen als een voor de geboorte gedane erkenning.

Met artikel 1:230, tweede lid, BW is echter volledige gelijkstelling niet bereikt nu de erkenning van de ongeboren vrucht werkt vanaf het moment van de erkenning en de adoptie, ook als deze voor de geboorte is verzocht, slechts terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte van het kind en niet tot het tijdstip van indienen van het verzoek.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de bewoordingen van artikel 1:230, tweede lid, BW waarbij de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen deze adoptie slechts terug te laten werken tot het tijdstip van geboorte van het kind, geen ruimte laat om de gewenste adoptie vóór de geboorte uit te spreken. De rechtbank kan immers in dat geval de identiteit van het adoptiefkind nog niet vaststellen terwijl die vaststelling bij het uitspreken van een adoptie essentieel is.

De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, het verzoek de adoptie uit te spreken vóór de geboorte van het kind afwijzen.

De rechtbank begrijpt het verzoek tevens als een verzoek de adoptie uit te spreken, nadat het kind is geboren. In dat kader heeft de rechtbank in december 2009 (telefonisch) de geboorte akte opgevraagd, van het -op het moment dat het verzoek is ingediend nog ongeboren- kind. Het uittreksel is op 29 december 2009 ontvangen.

Nu voornoemde geboorteakte is overgelegd, welke is opgemaakt naar aanleiding van de geboorte van [het kind], stelt de rechtbank vast dat aan alle voorwaarden voor adoptie is voldaan.

Daarnaast acht de rechtbank de adoptie in het kennelijk belang van het kind. Het verzoek van verzoeksters zal dan ook worden toegewezen zoals hierna onder het dictum is vermeld.

De rechtbank zal het verzoek betreffende het gezamenlijk gezag afwijzen, aangezien verzoeksters op grond van artikel 1:253sa van het Burgerlijk Wetboek reeds belast zijn met het gezamenlijk gezag over voornoemde minderjarige.

BESLISSING

spreekt de adoptie uit van het kind door verzoekster B;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. Flinterman en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 25 mei 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

jo