Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM5255

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
438666 CV EXPL 10-363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid gewone rechter op grond van artikel 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 438666 \ CV EXPL 10-363

Vonnis d.d. 29 april 2010

inzake

de maatschap Bout Advocaten,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

gemachtigde mr. J.H. Mastenbroek, advocaat te Groningen,

tegen

Q,

wonende te [adres],

gedaagde,

in persoon procederende.

PROCESGANG

Eiseres, hierna te noemen Bout Advocaten, heeft op de bij dagvaarding gronden gevorderd gedaagde, hierna te noemen mevrouw Q., te veroordelen tot betaling van € 4.945,82 met rente en met haar veroordeling in de kosten van het geding.

Mevrouw Q. heeft geantwoord met conclusie tot afwijzing van het gevorderde.

Partijen hebben respectievelijk gerepliceerd en gedupliceerd waarna vonnis is bepaald.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1 Bout Advocaten heeft, in de persoon van mevrouw mr. Van Eck, in de periode van februari tot en met december 2007 werkzaamheden verricht voor mevrouw Q. Het betrof het voeren van een procedure tot verlenging van de alimentatie die mevrouw Q. kreeg van haar voormalige echtgenoot. Deze alimentatie zou op 10 mei 2007 stoppen.

1.2 Bout Advocaten heeft mevrouw Q. op 27 december 2007 een nota ten bedrage van € 4.346,36 gestuurd voor de verrichte werkzaamheden. Aanvankelijk heeft mevrouw Q. de nota's niet voldaan.

Bij brief van 25 februari 2008 is aan mevrouw Q., kennelijk op haar verzoek, een overzicht toegezonden van de door mevrouw Van Eck gedeclareerde uren. Voorts werd in deze brief een afbetalingsregeling bevestigd waarbij mevrouw Q. maandelijks een bedrag van € 50,- zou voldoen. Er hebben betalingen plaatsgevonden op 25 februari, 2 april, 6 mei, 23 mei, 19 juni, 24 juli en 28 november 2008 (van € 50,- elk) en op 22 januari 2009 (€ 25,-). In totaal is een bedrag van € 375,- betaald.

1.3 Bij brief van 3 december 2009 is mevrouw Q. gesommeerd tot betaling met de mededeling dat bij niet-betaling een procedure aanhangig zou worden gemaakt. Op 18 december 2009 is de dagvaarding uitgebracht.

De standpunten van partijen

2.1 Bout Advocaten stelt primair dat mevrouw Q. door het sluiten van de betalingsregeling en de (gedeeltelijke) nakoming daarvan haar vordering heeft erkend en dat het niet meer mogelijk is deze nog te betwisten. De brieven van mevrouw Q., gedateerd 19 februari 2009 en 8 december 2009, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de declaratie heeft zij pas ontvangen nadat de dagvaarding was uitgebracht.

2.2 Subsidiair stelt Bout Advocaten dat zij mevrouw Q. naar behoren heeft bijgestaan en dat de werkzaamheden die in rekening zijn gebracht bij de factuur van 26 december 2007 ook daadwerkelijk zijn verricht.

2.3 Bout Advocaten maakt naast de hoofdsom aanspraak op rente en vergoeding van de buitengerechtelijke kosten die zij heeft moeten maken omdat mevrouw Q. met betaling in gebreke bleef.

3.1 Mevrouw Q. betwist dat zij de vordering heeft erkend. Zij heeft bij brief van 19 februari 2009 aan mevrouw Van Eck verzocht haar declaratie te herzien. Zij is toen ook gestopt met de maandelijkse betalingen. Omdat zij niets vernam ging zij er van uit dat de declaratie was ingetrokken. Het bevreemdde haar dan ook in hoge mate toen zij bij brief van 3 december 2009 werd verzocht de openstaande hoofdsom over te maken. Bij brief van 8 december 2009 heeft zij daarop gereageerd. Zij heeft pas van Bout Advocaten een reactie ontvangen nadat zij gedagvaard was.

3.2 Mevrouw Q. betwist inhoudelijk (de hoogte van) de declaratie. Eén van de verwijten is dat mevrouw Van Eck verzuimd heeft om na 10 mei 2007, toen zij geen alimentatie meer ontving en dus in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand, verzuimd heeft een aanvraag te doen, zodat de rekening aanmerkelijk hoger is uitgevallen dan nodig was.

De beoordeling

4.1 De eerste vraag die in dit geschil aan de orde dient te komen is de vraag of mevrouw Q. de vordering heeft erkend. Bout Advocaten heeft niet gesteld dat mevrouw Q. expliciet de verschuldigdheid van het gevorderde bedrag heeft erkend maar baseert haar conclusie op het (betalings)gedrag van mevrouw Q.

Naar het oordeel van de kantonrechter valt daar echter niet uit af te leiden dat mevrouw Q. daarmee de declaratie in de volle omvang heeft erkend en daarmee de bevoegdheid heeft verloren de hoogte daarvan te betwisten. De kantonrechter overweegt daarbij allereerst dat uit de brief van 25 februari 2008, waarin gesproken wordt over de betalingsregeling, blijkt dat mevrouw Q. kennelijk vraagtekens had bij de hoogte van de declaratie, dat daar over toen gesproken is en dat om die reden haar een specificatie is toegezonden van de door mevrouw Van Eck in rekening gebrachte uren. Dat wijst niet op een onherroepelijke erkenning. Daarbij komt het volgende. Uit de stukken blijkt dat pas ná de hoger beroepsprocedure de kwestie van de aanvraag voor gefinancierde rechtsbijstand relevant werd. Door de uitspraak van het hof in december 2008 kwam definitief vast te staan dat de alimentatie niet werd verlengd zodat toen duidelijk was dat mevrouw Q. per 10 mei 2007 een beduidend lager inkomen had. Op dat moment ontstond dus ook de vraag of een (voorwaardelijke) aanvraag per die datum niet had kunnen leiden tot een lagere declaratie.

4.2 Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het mevrouw Q. nog vrij staat de (hoogte van de) declaratie te betwisten. Dat leidt evenwel tot een volgende vraag, namelijk of de gewone rechter bevoegd is van de vordering van Bout Advocaten kennis te nemen. Artikel 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalt immers dat in geval van geschil over het salaris dat door de advocaat aan de cliënt is berekend de begroting dient te gebeuren door de raad van toezicht.

4.3 In navolging van het Gerechtshof Leeuwarden 24-08-2005 (LJN: AU1506) is de kantonrechter van oordeel dat de in de Wet tarieven in burgerlijke zaken voorgeschreven procedure bij uitsluiting is voorgeschreven in die gevallen waarin - zoals in de onderhavige zaak - de hoogte van het door een advocaat aan een cliënt berekend honorarium wordt betwist. Daarbij wordt overwogen dat een geschil over de declaratie van een advocaat zowel de omvang en het belang van de onder de declaratie begrepen werkzaamheden kan betreffen als de vraag of andere omstandigheden tot bijstelling van het gedeclareerde bedrag moeten leiden. De kantonrechter zal zich daarom onbevoegd verklaren om van de zaak kennis te nemen.

4.4 Bout Advocaten zal, als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart zich onbevoegd om van de vordering van Bout Advocaten kennis te nemen;

veroordeelt Bout Advocaten in de kosten van de procedure die aan de zijde van mevrouw Q. worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R. van Baak-Klijnsma, kantonrechter, en op 29 april 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: GvB