Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM5189

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
18-630048-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2011:BR4891, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag; "slaan" met geladen pistool; voorwaardelijk opzet. Verboden vuurwapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630048-10 + 10/652367-09 (tul) (promis)

datum uitspraak: 20 mei 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. D. Tailleur

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te Britse Antillen in 1976,

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij op of omstreeks 13 november 2009 in de gemeente Groningen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan

niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in de

nek/hals van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 november 2009 in de gemeente Groningen aan een persoon

(te weten [slachtoffer]) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar

lichamelijk letsel (een schotwond met inschotopening in de hals/nek waarbij de

kogel door de rechter long, het middenrif, dwars door de lever en/of tot

tussen de darmen in het darmvet is gegaan), heeft toegebracht, door deze

opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen

een kogel in diens nek/hals te schieten;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 november 2009 in de gemeente Groningen roekeloos, in

elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, [slachtoffer]

met een geladen en/of doorgeladen vuurwapen (op het hoofd) heeft

geslagen, althans geraakt, of met een geladen en/of doorgeladen vuurwapen een

slaande beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer], althans een

geladen en/of doorgeladen vuurwapen heeft bewogen in de richting van [slachtoffer],

waarna en/of waarbij een schot uit dat vuurwapen is afgegaan en die [slachtoffer]

door een kogel in de hals/nek werd getroffen, waardoor het aan zijn

schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te

weten een schotwond met inschotopening in de hals/nek waarbij de kogel door de

rechter long, het middenrif, dwars door de lever en/of tot tussen de darmen in

het darmvet is gegaan, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts-

of beroepsbezigheden van deze is ontstaan;

art 308 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 januari 2010,

in de gemeente Rotterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool van

het merk FEG, model PA-63, serienummer BF27733, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en verboden wapenbezit.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde zijdens verdachte noch sprake is geweest van voorbedachte raad noch van opzet , zodat verdachte van alle onder 1 alternatief tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft verdachte erkend het wapen als omschreven in de tenlastelegging voorhanden te hebben gehad.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- de eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting:

Bij het vertonen van de beelden die op 13 november 2009 te Groningen zijn gemaakt met beveiligingscamera’s, met name de nummers 10, 11 en 13 (telkens vanaf ongeveer 07.29 tot 07.31 uur), neemt de rechtbank waar dat een persoon zich vanaf de Grote Markt nabij de Febo begeeft naar een groep vechtende personen in de Poelestraat ter hoogte van een aldaar staande witte bestelauto. De rechtbank neemt waar dat deze persoon op het moment dat hij bij de groep vechtende personen is aangekomen, tot tweemaal toe een neerwaartse slaande beweging maakt in de richting van de groep vechtende personen en zich daarna weer van deze plek verwijdert.

- de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting:

Ik stond op de Grote Markt toen ik het meisje, waarvan ik nu weet dat zij [betrokkene 1] heet, hoorde roepen dat [betrokkene 2], die ik C. noem, in de problemen zat en dat er gevochten werd. Ik rende er naartoe. De situatie bij de auto ervoer ik als bedreigend. Ik had het pistool bij me. Toen ik bij de witte auto kwam heb ik het pistool uit mijn jaszak gehaald. Ik sloeg de jongen die C. aan het slaan was. C. lag plat op de grond. Ik heb twee keer geslagen, met mijn rechterhand, waarin ik het pistool had. Toen ik de tweede keer sloeg ging het wapen af. Ik denk dat het slachtoffer met één knie op de grond zat toen ik de eerste keer sloeg.

Feit 2 in de dagvaarding beken ik. Ik had in mijn woning in Rotterdam een pistool aanwezig; ik bewaarde dat voor een vriend.

- een proces-verbaal d.d. 25 november 2009, opgenomen op blz. 243 e.v. in het dossier met nummer 2009112789 (hierna aangeduid als: politiedossier), inhoudende de aangifte van [slachtoffer]:

Op 13 november 2009 was ik in de stad Groningen met [getuige 2].

In de steeg waren toen nog: [getuige 2], [betrokkene 2] en [verdachte] en ik. We liepen richting Poelestraat. Even later was [getuige 2] weer in discussie met [betrokkene 2].

We liepen verder de Poelestraat in. In één keer draaide de aandacht van [betrokkene 2] naar mij. Hij uitte zijn agressie naar mij en begon te schreeuwen. Ik liep weg naar de hoek met de Peperstraat. [getuige 2] stond op dat moment naast mij. [betrokkene 2] bleef maar doorgaan. De andere [verdachte] was weggelopen richting Grote Markt.

Vervolgens liep ik op [betrokkene 2] af omdat ik ook kwaad was.

Ik rende achter hem aan in de Poelestraat. Daar stond ter hoogte van Magic City een witte auto. [betrokkene 2] viel op de motorkap en ik viel ook. We vielen op de grond tussen de muur en de auto. Ik stond eerder op dan [betrokkene 2]. Ik heb hem toen een paar klappen gegeven. Ik zat toen met een knie op de grond.

Tijdens het geven van de klappen voelde ik een klap op mijn hoofd met een ijzeren voorwerp. Ik denk dat ik één keer op mijn hoofd ben geslagen en gelijk daarna voelde ik iets in mijn nek en hoorde ik een knal. Ik draaide me om met mijn gezicht richting Grote Markt en ik zag [verdachte] achter mij staan. Ik herkende zijn gezicht en zag het aan zijn jas en zijn petje. Vervolgens zag ik [betrokkene 2] en [verdachte] gelijk wegrennen.

Ik voelde dat ik mijn linkerarm niet meer kon bewegen.

- een proces-verbaal d.d. 13 november 2009, opgenomen op blz. 207 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 1]:

Er was een incident in de Poelestraat in Groningen.

Ik zag plotseling een andere neger komen aanrennen van de Febo. Ik zag dat deze neger de vriend van Sohel (“Sohel”, lees: [getuige 2], toevoeging door de rechtbank) opzettelijk en met veel kracht met een fles op zijn hoofd sloeg waardoor de fles stuk ging. Ik zag dat dezelfde neger een gerichte beweging met zijn arm maakte naar de vriend van Sohel. Ik zag bij de hand van de neger een vlam en hoorde een schot. Ik zag het wapen niet maar wel de vlam tijdens het schieten. De afstand tussen de neger en de vriend van Sohel was minder dan een meter. Ik stond een meter of anderhalf van het gebeuren en kon alles duidelijk zien.

Ik zag dat de neger die geslagen en geschoten had de andere neger meenam en wegvluchtte richting Grote Markt.

- de verklaring van getuige [getuige 2] d.d. 22 april 2010, afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris:

Ter hoogte van het busje dat er stond ben ik met de jongen met de gouden tanden op de grond gevallen tussen het busje en de zaak in. Een Irakees haalde me omhoog en [slachtoffer] was nog aan het vechten met de jongen met de gouden tanden. [slachtoffer] is ook op de grond gevallen en toen hij omhoog kwam om op te staan kwam uit de richting van de Grote Markt de vriend van de jongen met de gouden tanden eraan rennen. Ik stond naast [slachtoffer] op dat moment. De schutter strekte zijn arm en hand uit in de richting van de nek van [slachtoffer] en direct daarna hoorde ik een schot. Naderhand heeft [slachtoffer] mij verteld dat hij door de schutter eerst op het hoofd is geslagen en dat er daarna is geschoten. Ik heb dit niet gezien. Volgens mij was het zo dat de schutter aan kwam rennen en direct zijn arm uitstrekte en schoot.

De schutter heeft niets gezegd.

- een proces-verbaal d.d. 23 november 2009, opgenomen op blz. 216 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van [getuige 2]:

Er ontstond een gevecht, waarbij ik een klap heb gekregen. Ik heb geslagen in de richting van de Antilliaanse man met de gouden tanden. We kwamen in de Poelestraat bij een geparkeerde witte bestelauto te vallen: [slachtoffer], de man met de gouden tanden en ik. Ik probeerde overeind te komen geholpen door Saif. Ik zag dat [slachtoffer] en de jongen met de gouden tanden met elkaar aan het knokken waren.

Terwijl [slachtoffer] op een gegeven moment overeind kwam zag ik de Rotterdamse Antilliaanse jongen met het petje aan komen rennen uit de richting van de Febo aan de Grote Markt. Ik zag dat hij bij ons kwam staan. Ik hoorde op dat moment een schot vallen. Ik zag dat de Rotterdammer met zijn rechterhand in de richting van [slachtoffer] wees. Later zag ik dat [slachtoffer] in zijn nek was geraakt. De Rotterdammer met het petje rende weg richting de Grote Markt met de Antilliaanse jongen met de gouden tanden erachteraan.

- een schriftelijk stuk d.d. 23 november 2009, inhoudende letselbeschrijving en medische informatie betreffende [slachtoffer], tijdelijk verblijvend in het Universitair Medisch Centrum Groningen met fotobijlagen, opgemaakt door drs. T. Naujocks, coördinerend forensisch arts, inhoudende:

Betrokkene werd na binnenkomst in het ziekenhuis geopereerd waarbij de kogel onder de lever en tussen de darmen werd aangetroffen. Tijdens de operatie bleek dat betrokkene letsel had aan zijn strottenhoofd en dat de kogel door de rechter long, het middenrif en dwars door de lever is gegaan voordat hij daaronder in de rechter buikhelft tot stilstand is gekomen.

De kogel is het lichaam binnengegaan in de hals/nek links. Als de kogel een iets andere richting had gehad had ook het ruggenmerg dan wel het hart gemakkelijk kunnen worden geraakt. De gevolgen: verlamming dan wel acute verbloeding.

Afgaande op de vermeende schietrichting en het kogeltraject in het lichaam is het nauwelijks mogelijk een verwonding zoals bij betrokkene toe te brengen aan een staand slachtoffer (tenzij de schutter veel groter is). Het slachtoffer moet m.i. gehurkt dan wel gelegen hebben.

- een rapport schotrestenonderzoek d.d. 12 april 2010 naar aanleiding van een schietincident in Groningen op 13 november 2009, opgemaakt door Ir. R.C. Roepnarain, NFI-deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, onder meer inhoudende:

Op de jas en het T-shirt van het slachtoffer [slachtoffer] zijn sporen aangetroffen die wijzen op een schootsafstand tussen 10 en 150 centimeter.

- een proces-verbaal d.d. 27 januari 2010, opgenomen op blz. 144 e.v. in het politiedossier, inhoudende het relaas van Bart Kraan, hoofdagent van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond:

Op 27 januari 2010 omstreeks 18.30 uur heb ik op verzoek van J. van Driel, brigadier van politie Rotterdam-Rijnmond een vuurwapen veiliggesteld. Hij deelde mij mee dat dit vuurwapen die dag omstreeks 17.54 uur inbeslaggenomen was op de locatie [adres] te Rotterdam. Dit vuurwapen werd aangetroffen in een kast op de slaapkamer in deze woning. Het vuurwapen betreft een Walther, kleur zwart/zilver, met opschrift CARL WALTHER, MODEL PP CAL. 9 MM K BF27733 MADE IN

W. GERMANY.

- een proces-verbaal d.d. 28 januari 2010, opgenomen op blz. 163 e.v. in het politiedossier, inhoudende een verklaring van verdachte:

Het wapen dat op 27 januari 2010 inbeslaggenomen is lag thuis in Rotterdam in mijn kledingkast. Ik bewaar dat wapen daar zo vanaf 2008.

Met betrekking tot het schietincident en de daarover ingenomen standpunten zoals hierboven weergegeven, overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend het vuurwapen als schietwapen te hebben gehanteerd en heeft verklaard, samengevat: dat [betrokkene 1] hem toeriep dat zijn vriend was betrokken bij een vechtpartij, dat hij hierop van de Grote Markt in de richting van de vechtpartij in de Poelestraat is gelopen en dat hij, de plaats van de vechtpartij naderende , het pistool uit zijn zak heeft gehaald, ervan uitgaande dat de belagers van zijn vriend hiervoor wel “respect” zouden hebben en het vechten zouden staken. Volgens verdachte heeft hij het pistool “als een kei” in zijn rechterhand genomen - dus niet bij de kolf of de loop gevat, maar met de volle hand vastgepakt - en hiermee vervolgens in horizontale richting bewegend, het slachtoffer geslagen, waarbij tot zijn verrassing het wapen is afgegaan. Het slachtoffer bevond zich volgens verdachte op dat moment staande tegenover hem.

De rechtbank acht dit relaas van verdachte grotendeels niet geloofwaardig. Ter terechtzitting heeft de rechtbank bij het bekijken van de al genoemde beelden van de beveiligingscamera`s in de Poelestraat en op de Grote Markt waargenomen, dat een persoon inderdaad vanaf de Grote Markt naar de vechtpartij die plaatsvond in de Poelestraat is gelopen. Te zien is vervolgens dat die persoon, aangekomen bij de vechtende personen onmiddellijk twee maal met zijn rechterarm een slaande beweging, telkens eindigend in een gestrekte arm, maakt in de richting van de plaats waar personen aan het vechten waren, waarna deze persoon zich terstond verwijdert van de plek. Deze slaande bewegingen hadden een verticale (van boven naar beneden) richting. Van enige horizontaal gerichte beweging van die persoon met zijn rechterarm in de richting van een staande persoon is op de beelden geen sprake. Uit de verklaringen van verdachte en van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] leidt de rechtbank af dat “de persoon” hier telkens verdachte betreft. Het door de genoemde deskundige vastgestelde kogeltraject ( via de hals / nek link in, vervolgens via strottenhoofd , rechterlong, middenrif, dwars door de lever en daaronder in rechter buikhelft) en daarbij veroorzaakte letsel, past niet bij het hanteren van het pistool op de door verdachte omschreven wijze tegenover een slachtoffer in rechtop staande positie, maar duidt er veeleer op dat het slachtoffer zich in een lagere positie tegenover verdachte moet hebben bevonden. Dit laatste strookt ook met de verklaring van het slachtoffer dat hij zich liggend of op één knie bovenop een ander ([betrokkene 2], een vriend van verdachte) bevond toen hij een klap op zijn hoofd voelde en daarna een knal hoorde. Dat verdachte het wapen “als een kei” in zijn hand heeft genomen strookt ten slotte ook niet met de verklaring van verdachte zelf dat hij het wapen tevoorschijn had gehaald om de belagers van zijn vriend “respect af te dwingen”. Aangenomen moet immers worden dat verdachte met dat doel voor ogen het wapen als zodanig zal hebben getoond aan de omstanders door dit op “de gebruikelijke” manier, als wapen kenbaar voor omstanders, in de hand te houden en niet “als een kei”.

Samenvattend komt de rechtbank, het voorgaande overziend, tot het oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat verdachte het vuurwapen op de “gebruikelijke wijze” bij de kolf in zijn hand heeft gehad en dat toen hij daarmee slaande bewegingen maakte (van gebogen naar strekkende arm) naar het slachtoffer dat zich een stuk lager bevond ten opzichte van verdachte, het wapen is afgegaan doordat verdachte de trekker op enigerlei wijze heeft overgehaald / gehanteerd. Indien de verdachte al niet opzettelijk daarbij de trekker heeft overgehaald, dan heeft hij in elk geval door aldus met een vuurwapen in zijn hand het slachtoffer te slaan, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer de dood zou vinden. Dat in rechte niet is komen vast te staan dat het wapen ten tijde van het incident was voorzien van een magazijn, al dan niet gevuld met munitie, doet hieraan niet af, immers heeft verdachte verklaard dat hij het wapen de bewuste nacht van een derde in bewaring heeft gekregen en dat hij vooraf noch tijdens het schietincident heeft gecontroleerd of en zo ja op welke wijze het wapen van munitie was voozien.

De conclusie is dat de rechtbank poging tot doodslag bewezen acht. Voor voorbedachten rade aan de zijde van verdachte acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 13 november 2009 in de gemeente Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in de nek/hals van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 januari 2010, in de gemeente Rotterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool, serienummer BF27733, voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht hetgeen onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen acht levert de volgende strafbare feiten op:

1 primair:

Poging tot doodslag.

2:

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van verdachte

Namens verdachte heeft de raadsman, naar de rechtbank begrijpt, bedoeld aan te voeren dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Het mishandelen van de vriend van verdachte door het latere slachtoffer heeft verdachte genoopt tot ingrijpen en redden.

De officier van justitie is van mening dat geen sprake kan zijn van noodweer of noodweerexces, omdat verdachte’s handelen niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het beroep op noodweer moet worden verworpen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte heeft gereageerd op geroep van een derde dat er een probleem was met de vriend van verdachte. Verdachte is toen naar de plek waar deze vriend zich - in een worsteling met een ander verwikkeld - bevond gelopen en heeft vervolgens met het pistool geschoten op de persoon met wie zijn vriend in een worsteling was verwikkeld. Omdat dit door verdachte gehanteerde middel naar het oordeel van de rechtbank niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kan verdachte niet met vrucht een beroep doen op noodweer. Ook een beroep op noodweerexces faalt, omdat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen het gevolg zou zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Motivering strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de onder 1 primair (doodslag) en 2 ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. Daarbij heeft hij met name aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde sprake is van een ernstig feit waarbij verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Standpunt verdediging

Namens verdachte is verwezen naar de reclasseringsrapportage en betoogd dat verdachte zijn leven op een goed spoor gezet lijkt te hebben. Bij bewezenverklaring verdient het daarom de voorkeur dat een vrijheidsstraf gedeeltelijk voorwaardelijk wordt opgelegd, zodat verdachte de ingezette verbetering van zijn leven met steun van de diverse daartoe aangewezen instanties verder vorm kan geven.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een pistool op het slachtoffer te schieten. Deze is door de kogel in de nek geraakt, waarna het projectiel zich een weg heeft gebaand door het lichaam (longen, middenrif en lever) van het slachtoffer en uiteindelijk tussen de darmen is blijven steken. Er is derhalve sprake van een ernstig delict dat heel gemakkelijk, blijkens de rapportering van de forensisch geneeskundige, dodelijk had kunnen aflopen. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat de lichamelijke gevolgen niet ernstiger zijn, is geenszins de verdienste van verdachte. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven als het onderhavige daarvan ook lange tijd op psychisch vlak negatieve gevolgen ondervinden.

Door dergelijke feiten, het schieten met een vuurwapen op de openbare weg in de vroege ochtend waarop veel mensen op straat zijn, op weg naar hun werk, is de rechtsorde geschokt.

Voor een feit zoals onder 1 bewezen verklaard is een langdurige vrijheidsstraf in beginsel de enig passende sanctie.

De rechtbank houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het over hem uitgebrachte reclasseringsrapport en het onderzoek ter terechtzitting. Tevens houdt de rechtbank rekening met de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte recent wegens bedreiging is veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur moet worden opgelegd.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een grijze pet met opdruk ‘dc’, moet worden teruggegeven aan verdachte.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

onder parketnummer: 10/652367-09

De officier van justitie heeft op grond van het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 12 juni 2009 gevorderd dat door deze rechtbank een last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven.

Veroordeelde is bij voormeld vonnis veroordeeld tot een week gevangenisstraf met aftrek, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Blijkens in genoemde vordering vermeld dossier onder parketnummer 18/630048-10 heeft de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, waarvoor nu een veroordeling volgt.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, alsnog tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 primair en onder 2 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VIJF JAREN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van:

een grijze pet met opdruk dc aan veroordeelde.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 12 juni 2009 onder parketnummer 10/652367-09, voor zover betreft de toen voorwaardelijk opgelegde een week gevangenisstraf.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, P.H.M. Smeets en J.M.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2010.