Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM3995

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
115983 / JE RK 10-79
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(vervolg op uitspraken met LJN-nummers BM3991 en BM3987). Door de kinderrechter is eerder haar zorg uitgesproken over de ernst van de aanwezige problematiek rondom moeder en de kinderen. De kinderrechter was er toen, mede gelet op de verstandelijke beperking van moeder (IQ van 53) en gelet op het feit dat moeder sinds kort zelfstandig woonde, onvoldoende van overtuigd dat de veiligheid van de kinderen voldoende gewaarborgd was. Om die reden en vanwege het feit dat er geen verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing lag, heeft de kinderrechter in haar beschikking uitdrukkelijk aangegeven het van belang te achten dat er per direct meer hulp en ondersteuning zou worden ingezet. Daarbij diende te worden onderzocht, zoals ook toen met de Raad ter zitting besproken, in hoeverre de veiligheid van de kinderen voldoende gewaarborgd was.

Uit de thans (nader) overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er geen tot nauwelijks uitvoering aan de ondertoezichtstelling is gegeven. Eerst bij het aanstellen van een gezinsvoogd per 1 januari 2010 is er een risico taxatielijst opgemaakt met als gevolg dat er een spoedmachtiging uithuisplaatsing is verzocht en ook is verleend.

Het huidige verzoek tot het verlenen van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing van de kinderen is in wezen (grotendeels) gegrond op de reeds aanwezige zorgen op grond waarvan ook het verzoek tot ondertoezichtstelling is verleend.

De kinderrechter stelt vast dat moeder een zodanige intensieve begeleiding nodig heeft dat het niet realistisch is om er van uit te gaan dat voldoende begeleiding voor opvoedingsondersteuning in de thuissituatie geboden kan worden. Een ondertoezichtstelling is dan ook onvoldoende om de ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen af te wenden. Dat er feitelijk nog geen uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling, en zoals de raadsman betoogt aan moeder derhalve nog geen eerlijke kans is gegeven, maakt de beoordeling van de kinderrechter, hoe spijtig het verloop van de ondertoezichtstelling ook is geweest, niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 115983 / JE RK 10-79

beschikking kinderrechter d.d. 2 maart 2010

inzake

* [minderjarige 1], geboren in de gemeente [***] [in 1996],

* [minderjarige 2], geboren in de gemeente [***] [in 2001],

* [minderjarige 3], geboren in de gemeente [***] [in 2007],

* [minderjarige 4], geboren in de gemeente [***] [in 2007],

kinderen van:

[de vader],

wonende te [adres],

en

[de moeder],

wonende op een geheim adres.

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarigen.

PROCESGANG

De kinderrechter heeft op 3 februari 2010 en 17 februari 2010 beschikkingen gegeven.

Naar aanleiding van laatstgenoemde beschikking heeft de William Schrikker Groep Jeugdbescherming (WSG), nadere stukken overgelegd en informatie verstrekt.

Op 25 februari 2010 is een brief, met bijlage, binnengekomen van mr. M.M. Mok, advocaat van moeder.

De kinderrechter heeft de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting met gesloten deuren op 2 maart 2010. Gehoord zijn daarbij: moeder, bijgestaan door haar raadsman, voornoemd, mevrouw N. Buijs, namens de WSG en de heer R.C.M. Wouters, namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad), regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen.

OVERWEGINGEN

De kinderrechter neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist bij beschikking d.d. 17 februari 2010.

Beoordeling van de kinderrechter

Bij beschikking d.d. 28 oktober 2009, waarin de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige kinderen is uitgesproken, is door de kinderrechter haar zorg uitgesproken over de ernst van de aanwezige problematiek rondom moeder en de kinderen. De kinderrechter was er toen, mede gelet op de verstandelijke beperking van moeder (IQ van 53) en gelet op het feit dat moeder sinds kort zelfstandig woonde, onvoldoende van overtuigd dat de veiligheid van de kinderen voldoende gewaarborgd was. Om die reden en vanwege het feit dat er geen verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing lag, heeft de kinderrechter in haar beschikking uitdrukkelijk aangegeven het van belang te achten dat er per direct meer hulp en ondersteuning zou worden ingezet. Daarbij diende te worden onderzocht, zoals ook toen met de Raad ter zitting besproken, in hoeverre de veiligheid van de kinderen voldoende gewaarborgd was.

Uit de thans (nader) overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er geen tot nauwelijks uitvoering aan de ondertoezichtstelling is gegeven. Eerst bij het aanstellen van een gezinsvoogd per 1 januari 2010 is er een risico taxatielijst opgemaakt met als gevolg dat er een spoedmachtiging uithuisplaatsing is verzocht en ook is verleend (beschikking 3 februari 2010).

Het huidige verzoek tot het verlenen van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing van de kinderen is in wezen (grotendeels) gegrond op de reeds aanwezige zorgen op grond waarvan ook het verzoek tot ondertoezichtstelling is verleend.

De raadsman van moeder heeft terecht naar voren gebracht dat de WSG thans niet alle stukken zoals verzocht door de kinderrechter bij beschikking van 17 februari 2010 heeft overgelegd. De kinderrechter is er evenwel op grond van de wel aanwezige informatie voldoende van overtuigd dat een uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk is.

De kinderrechter heeft bij deze beoordeling de bevindingen van het psychologisch onderzoek ter bepaling van het niveau van functioneren van moeder en haar emotionele ontwikkeling, in combinatie met de ervaringen die zijn opgedaan met de reeds aan moeder verleende hulp, zwaar laten wegen. Uit dit onderzoek is gebleken dat moeder met een totaal IQ van 53 op een matig verstandelijk gehandicapt niveau functioneert waarbij wordt geschat dat zij op sociaal emotioneel gebied gemiddeld op het niveau van 1,5 à 3 jaar functioneert. Vanuit de hulpverlening is aangegeven dat er onvoldoende invloed op moeder en haar gezin kan worden uitgeoefend. Daar komt bij dat er sprake is van grote financiële problematiek en er geen of nauwelijks een netwerk aanwezig is.

De Raad heeft geconcludeerd dat moeder 24-uurs begeleiding nodig heeft.

De kinderrechter stelt vast dat moeder een zodanige intensieve begeleiding nodig heeft dat het niet realistisch is om er van uit te gaan dat een dergelijke begeleiding voor opvoedingsondersteuning in de thuissituatie geboden kan worden. Een ondertoezichtstelling is dan ook onvoldoende om de ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen af te wenden. Dat er feitelijk nog geen uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling, en zoals de raadsman betoogt aan moeder derhalve nog geen eerlijke kans is gegeven, maakt de beoordeling van de kinderrechter, hoe spijtig het verloop van de ondertoezichtstelling ook is geweest, niet anders.

Ter zitting heeft de raadsman van moeder de kinderrechter verzocht een nader psychologisch onderzoek van moeder te gelasten. De kinderrechter wijst dit verzoek af omdat zij er niet, althans onvoldoende van overtuigd is geraakt dat een dergelijk onderzoek mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. Onder de overgelegde gedingstukken bevindt zich een psychologisch rapport van een onderzoek van moeder dat nog geen twee jaar geleden heeft plaatsgevonden. De kinderrechter heeft geen aanleiding om de bevindingen in dat rapport in twijfel te trekken.

BESLISSING

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg en [minderjarige 1] in een 24-uurs opvang, met ingang van heden voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 28 april 2010;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2010.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.