Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM3987

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
115983 / JE RK 10-79
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(Vervolg op uitspraak met LJN-nummer BM3991) De kinderen zijn (3,5 maand later) met spoed uit huis geplaatst. Bij de voorbereiding van de zitting (suhp) bleek dat de WSG bij haar verzoek slechts het rapport Raadsonderzoek van de Raad van de Kinderbescherming -dat ten grondslag lag aan het eerdere verzoek tot ondertoezichtstelling- had overgelegd.

De griffier heeft voorafgaande aan de zitting per mail bij de WSG een plan van aanpak, een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en de bijbehorende indicatiebesluiten opgevraagd. Eerst ter zitting is een verslag van de ondertoezichtstelling en de indicatiebesluiten overgelegd.

Ter zitting is de indruk ontstaan dat door de WSG tot het aantreden van de huidige gezinsvoogd, geen adequate acties zijn ondernomen om aan het gezin hulp en ondersteuning te bieden. Ook is onbekend welke doelen er zijn nagestreefd.

Gelet ook op het ontbreken van een plan van aanpak, acht de kinderrechter het wenselijk dat de WSG nadere informatie verstrekt. Mede omdat ook de indruk wordt gewekt dat de WSG thans ook van mening is dat een terugkeer van de kinderen naar huis niet meer tot de mogelijkheden behoort.

De kinderrechter merkt daarbij tevens op dat als de WSG reeds thans van mening is dat ook op termijn een terugkeer van de kinderen naar huis niet aan de orde kan zijn, de vraag beantwoord dient te worden of een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing de geëigende maatregelen zijn. De suhp is bekrachtigd en iedere verdere beslissing is aangehouden teneinde WSG in de gelegenheid te stellen hetgeen door de kinderrechter is verzocht over te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 115983 / JE RK 10-79

beschikking kinderrechter d.d. 17 februari 2010

inzake

* [minderjarige 1], geboren in de gemeente [***] [in 1996],

* [minderjarige 2], geboren in de gemeente [***] [in 2001]

* [minderjarige 3], geboren in de gemeente [***] [in 2007],

* [minderjarige 4], geboren in de gemeente [***] [in 2007],

kinderen van:

[de vader],

wonende te [adres]

en

[de moeder],

wonende op een geheim adres.

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarigen.

PROCESGANG

De kinderrechter heeft op 3 februari 2010 een beschikking gegeven.

Op 17 februari 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij moeder, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.M. Mok, mevrouw N. Buijs, namens de WSG en mevrouw [***], namens het algemeen maatschappelijk werk.

De kinderrechter heeft de minderjarige [minderjarige 1] afzonderlijk gehoord.

Ter zitting is namens de WSG nadere informatie overgelegd.

Op 19 februari 2010 heeft de WSG het plan van aanpak, alsmede het verloop van de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen, overgelegd.

Op 22 februari 2010 heeft de WSG de indicatiebesluiten betreffende de crisisplaatsingen van de minderjarige kinderen, alsmede het verzoek aan bjz Groningen, om reguliere plaatsing van de minderjarige kinderen te indiceren, overgelegd.

OVERWEGINGEN

De kinderrechter heeft ambtshalve als belanghebbende aangemerkt de vader.

Bij beschikking van 28 oktober 2009 is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verleend voor de duur van 6 maanden, derhalve tot 28 april 2010.

Standpunt van WSG

De kinderen gaan regelmatig niet naar school en met name [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben een grote leerachterstand. De kinderen worden niet gemotiveerd in gestimuleerd in hun ontwikkeling. Moeder kan zich niet inleven in de belevingswereld van de kinderen. [minderjarige 2] heeft in het weekend van 23-24 januari 2010 na een ruzie met haar broer een mes gepakt en gezegd dat zij zichzelf wat aan zal doen. [minderjarige 1] gaat niet naar school omdat hij wil zorgen dat het thuis goed gaat. Er is vaak geen eten in huis. Als er wel eten in huis is, ontbreekt het aan essentiële voedingsstoffen. De kinderen leven met name op witbrood. [minderjarige 2] is erg bang voor vader. Moeder houdt zich niet aan de afspraak dat vader de kinderen niet zonder begeleiding mag zien. Moeder heeft een IO van 53 en blijkt ondanks intensieve hulpverlening niet leerbaar. Er is geen duidelijk dag en nacht ritme/structuur. De kinderen hebben geen vaste slaapplek. De kinderen maken overdag een erg vermoeide indruk. Moeder is erg beïnvloedbaar door mensen van buitenaf en brengt hierdoor de kinderen in onveilige situaties. De neef van vader logeert al een tijd bij moeder. Deze neef heeft zelf psychiatrische problemen. De behandelaar van de neef heeft moeder gebeld, dat de neef niet alleen met de kinderen mag zijn. Moeder neemt dit advies niet serieus en laat de neef wel alleen met de kinderen. De gezinsvoogd heeft moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven.

Nadat de ondertoezichtstelling door de kinderrechter is uitgesproken is de hulpverlening geïntensiveerd. Er is op het gebied van de financiën extra begeleiding gekomen. De hulpverlening van de NOVO is ingezet voor de directe hulp en begeleiding van moeder. Er is tenminste gedurende 3 keer per week hulp ingezet. Moeder was regelmatig niet thuis of wilde geen hulp. De huidige gezinsvoogd is op 1 januari 2010 in een crisis situatie terechtgekomen. Er was nog geen plan van aanpak. De gezinsvoogd heeft haar tijd besteed aan de crisissituatie en het organiseren en goed laten verlopen van de uithuisplaatsing, met als gevolg dat het administratieve deel onvoldoende op orde is. De gezinsvoogd heeft onvoldoende gelegenheid gehad om het plan helemaal af te maken. Komende vrijdag wordt het plan bij de inhoudelijk manager aangeleverd en wordt het zo spoedig mogelijk nagezonden.

Het is niet juist dat er geen doelen zijn gesteld. De hulpverlening heeft de doelen van NOVO met moeder besproken.

Ten aanzien van het verzoek van de advocaat van moeder om haar te laten onderzoeken stelt de WSG zich in beginsel op het standpunt dat een nader onderzoek niet nodig is omdat moeder reeds minder dan twee jaar geleden is onderzocht.

Standpunt van moeder

De kinderrechter heeft in de beschikking, waarbij de ondertoezichtstelling is uitgesproken, overwogen dat er onmiddellijk hulp moest worden ingezet, of in ieder geval moest worden geïntensiveerd. Er is niets met moeder besproken. Moeder heeft niet de kans gehad om te laten zien dat zij in staat is, met hulp, de kinderen te verzorgen en opvoeden. Moeder is absoluut bereid tot samenwerking met de hulpverlening.

Het incident met het mes heeft betrekking op een plastic speelgoedmesje, waarmee werd gespeeld.

Het verhaal over de vader en de neef bestrijdt moeder. De kinderen hebben allen via telefoon en de computer contact gehad met hun vader. De behandelaar van de neef heeft geen contact met moeder opgenomen. Jaren geleden had hij een psychose.

Ook de melding van het schoolverzuim van [minderjarige 2] is niet juist. Zij is twee dagen niet naar school geweest. [minderjarige 1] gaat naar een school ver van huis. Moeder moest kiezen tussen eten of [minderjarige 1] naar school laten gaan. Er was geen geld voor openbaar vervoer of reparatie van zijn fiets.

Er is sprake van plaatsing in een perspectief biedend pleeggezin. Dat betekent dat de kinderen niet meer thuis komen wonen. Dat is voor moeder heel ingrijpend, maar ook voor de kinderen. Een dergelijke plaatsing is een stap te ver. Terugplaatsing moet het primaire doel zijn. Onderzocht moet worden welke opvoedingscapaciteiten moeder heeft. Onderzoek door het NIFP is gerechtvaardigd.

De WSG heeft niet voortvarend genoeg gehandeld.

Standpunt van mevrouw [***]

[minderjarige 1] was bij de uithuisplaatsing erg moe. Hij heeft de eerste dagen na de uithuisplaatsing erg veel geslapen. Hij houdt iedereen op afstand.

Standpunt van [minderjarige 1]

[minderjarige 1] wil terug naar huis. Volgens hem verliep het goed thuis. Moeder kookt regelmatig eten voor hem en zijn broertjes en zusje. Er was geen geld om naar school te gaan.

Beoordeling door de kinderrechter

De kinderrechter heeft in haar beschikking van 28 oktober 2009 aangegeven dat zij van oordeel is dat er, gelet op de beperkingen van moeder en de zorgelijke ontwikkeling van de kinderen, per direct meer hulp en ondersteuning diende te worden ingezet. Daarbij is aangegeven dat tevens dient te worden onderzocht, in hoeverre de veiligheid van de kinderen voldoende is gewaarborgd. Ten einde zicht te houden op de situatie heeft de kinderrechter de minderjarigen voor een duur van zes maanden ondertoezicht gesteld en het meer verzochte afgewezen.

Op 3 februari 2010 heeft de kinderrechter met ingang van dezelfde datum een machtiging tot spoeduithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken, waarbij [minderjarige 1], de verzoeker en de overige belanghebbenden in staat zijn gesteld te worden gehoord op de zitting van

17 februari 2010.

Bij de voorbereiding van de zitting bleek dat de WSG bij haar verzoek slechts het rapport Raadsonderzoek van de Raad van de Kinderbescherming -dat ten grondslag lag aan het eerdere verzoek tot ondertoezichtstelling- had overgelegd.

De griffier heeft voorafgaande aan de zitting per mail bij de WSG een plan van aanpak, een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en de bijbehorende indicatiebesluiten opgevraagd. Eerst ter zitting is een verslag van de ondertoezichtstelling en de indicatiebesluiten voor [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] overgelegd. Daarbij is aangegeven dat de CIZ-indicatie voor [minderjarige 1] mondeling is afgegeven.

Ingevolge artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is het de taak van het bureau jeugdzorg om toezicht te houden op de minderjarigen en de met het gezag belaste ouder hulp en steun te bieden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden. Ingevolge het tweede lid dient de hulp en steun erop gericht te zijn de met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding zoveel mogelijk te laten behouden.

Ingevolge artikel 43, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg is het bureau jeugdzorg gehouden om uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan van aanpak vast te stellen.

Voorts dient op grond van artikel 44, eerste lid, binnen vijf dagen een gezinsvoogdijmedewerker te worden aangewezen.

Ter zitting is de indruk ontstaan dat door de WSG tot het aantreden van de huidige gezinsvoogd, geen adequate acties zijn ondernomen om aan het gezin de hulp en ondersteuning te bieden als voornoemd. Onduidelijk is per wanneer er een gezinsvoogd is aangewezen en onduidelijk is welke hulp en steun aan moeder is geboden. Ook is onbekend welke doelen er zijn nagestreefd.

De moeder bestrijdt dat er aan haar drie maal per week hulpverlening is geboden en bestrijdt dat zij niet heeft mee willen werken.

Gelet ook op het ontbreken van een plan van aanpak, acht de kinderrechter het wenselijk dat de WSG nadere informatie verstrekt. Mede omdat ook de indruk wordt gewekt dat de WSG thans ook van mening is dat een terugkeer van de kinderen naar huis niet meer tot de mogelijkheden behoort.

De kinderrechter verzoekt de WSG duidelijkheid te verschaffen over en/of -waar mogelijk - de navolgende stukken over te leggen:

1. de contactmomenten met moeder sedert de ondertoezichtstelling;

2. de aard van de hulpverlening sedert de ondertoezichtstelling; wie, wanneer, met welk doel, en het verloop, inclusief de al dan niet nagekomen afspraken;

3. de opgestelde risico taxatie lijst;

4. het verslag van de gedragswetenschapper van NOVO;

5. de informatie en/of zorgsignalen van school;

6. de informatie en/of zorgsignalen van de crèche;

7. de informatie en/of zorgsignalen van de BSO;

8. het rapport van het psychologisch onderzoek van moeder.

De kinderrechter merkt daarbij tevens op dat als de WSG reeds thans van mening is dat ook op termijn een terugkeer van de kinderen naar huis niet aan de orde kan zijn, de vraag beantwoord dient te worden of een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing de geëigende maatregelen zijn.

Het verzoek van de WSG zal, gelet op het voorgaande, worden aangehouden tot de hierna vermelde zitting, om de WSG in de gelegenheid te stellen hetgeen door de kinderrechter is verzocht uiterlijk op 1 maart 2010 aan de kinderrechter en overige belanghebbenden over te leggen.

BESLISSING

bekrachtigt de beschikking van 3 februari 2010;

houdt iedere overige beslissing aan en bepaalt dat de behandeling zal worden voortgezet ter zitting met gesloten deuren op dinsdag 2 maart 2010 om 8.45 uur;

een nadere oproeping daartoe zal niet worden verzonden.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.