Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM3955

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
115449 / FA RK 10-76
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen hebben het gezamenlijk gezag over hun beide minderjarige kinderen. In geschil is het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen, het verlenen van vervangende toestemming voor de wijziging van school, de informatieplicht van verweerster jegens verzoekster en het verlenen van vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort dan wel identiteitskaart.

Ten aanzien van het gezag ziet de rechtbank in het gebrek aan communicatie tussen partijen onvoldoende aanleiding verweerster te belasten met het eenhoofdige ouderlijk gezag over de kinderen. De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag in stand laten. De rechtbank wijst het verzoek tot het vaststellen van een regeling tot co-ouderschap af. Hoewel het hoofdverblijf van de kinderen naar het oordeel van de rechtbank bij zowel verzoekster als verweerster bepaald zou kunnen worden, bepaalt de rechtbank dat het hoofdverblijf van de kinderen zal zijn bij verweerster. Reden hiervoor is dat verweerster in tijd meer beschikbaar is voor de kinderen, nu zij 24 uren per week werkt en verzoekster 38 uren per week. Ook ten tijde van de relatie werkte verweerster minder dan verzoekster en had zij een groter aandeel in de praktische verzorging van de kinderen. In aansluiting hierop zal de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen vaststellen bij verweerster. De rechtbank stelt een uitgebreide omgangsregeling vast tussen de kinderen en verzoekster. De rechtbank verleent geen vervangende toestemming voor de wijziging van de school, nu de noodzaak van een schoolwijziging van de kinderen niet aannemelijk is gemaakt.

De rechtbank legt verweerster een informatieplicht op. Verder verleent de rechtbank verzoekster vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart voor de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 115449/ FA RK 10-76

beschikking d.d. 6 april 2010

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen [verzoekster],

advocaat mr. E. Leentjes,

en

[verweerster],

wonende te [adres],

verweerster,

hierna te noemen [verweerster],

advocaat mr. L.G. Mellens-Schrage.

PROCESVERLOOP

[verzoekster] heeft op 11 januari 2010 een verzoekschrift ingediend, waarin zij vraagt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. een verdeling vast te stellen van de zorg- en opvoedingstaken waarbij de minderjarige kinderen [kind 1], geboren [in 2001], en [kind 2], geboren [in 2003] om de week bij [verzoekster] verblijven van maandagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

b. te bepalen dat het hoofdverblijf van [kind 1] dan wel [kind 2] bij [verzoekster] zal zijn;

c. [verweerster] te verplichten [verzoekster] te informeren en te raadplegen over gewichtige aangelegenheden die de persoon en het vermogen van de kinderen aangaan, zoals in ieder geval bij ziekte, deelname aan schoolse en buitenschoolse activiteiten, zoals sport en aanverwante zaken en te bepalen dat partijen beslissingen van enig gewicht samen zullen nemen waaronder in ieder geval schoolkeuze, beroepsopleiding, medische behandelingen en ingrepen, verblijf in het buitenland voor langere tijd en verhuizing;

d. een dwangsom op te leggen aan [verweerster] van € 50,- voor iedere keer dat zij niet voldoet aan hetgeen onder a, b en c is verzocht;

e. [verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[verweerster] heeft op 5 maart 2010 een verweerschrift ingediend, waarin zij vraagt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van [verzoekster] af te wijzen en als zelfstandig verzoek, heeft verzocht te bepalen:

a. dat [verweerster] eenzijdig wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen [kind 1 en kind 2];

b. te bepalen dat het hoofdverblijf van [kind 1 en kind 2] bij [verweerster] zijn;

c. [verweerster] vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van paspoorten voor [kind 1 en kind 2];

d. althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie vermoge te behagen;

e. met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van dit geding.

Op 8 maart 2010 heeft [verzoekster] een akte houdende wijziging van verzoek genomen, waarin zij verzoekt, om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

1. te bepalen dat de minderjarige kinderen [kind 1 en kind 2] hun basisonderwijs zullen blijven volgen op de [***]school te [***], totdat zij naar de middelbare school gaan en [verweerster] te veroordelen haar medewerking daaraan te verlenen;

2. Primair:

a. te bepalen dat het hoofdverblijf van [kind 1 en kind 2] bij [verzoekster] zal zijn;

b. een verdeling vast te stellen van de zorg- en opvoedingstaken waarbij [kind 1 en kind 2] om de week bij [verzoekster] verblijven van maandagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

c. [verweerster] te verplichten [verzoekster] te informeren en te raadplegen over gewichtige aangelegenheden die de persoon en het vermogen van de kinderen aangaan, zoals in ieder geval bij ziekte, deelname aan schoolse en buitenschoolse activiteiten, zoals sport en aanverwante zaken en te bepalen dat partijen beslissingen van enig gewicht samen zullen nemen waaronder in ieder geval schoolkeuze, beroepsopleiding, medische behandelingen en ingrepen, verblijf in het buitenland voor langere tijd en verhuizing;

Subsidiair:

a. te bepalen dat het hoofdverblijf van [kind 1 en kind 2] bij [verzoekster] zal zijn;

b. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij [kind 1 en kind 2] een keer in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school bij [verweerster] verblijven en de overige dagen bij [verzoekster];

3. de vakanties en de feestdagen te verdelen als is vermeld onder punt 3 van het verzoekschrift;

4. aan [verweerster] een dwangsom op te leggen van € 250,- voor iedere dag of deel daarvan, dan wel iedere keer dat zij niet voldoet aan hetgeen de rechtbank in de beschikking ten aanzien van de verzoeken onder 1, 2 en 3 zal bepalen;

5. [verweerster] te veroordelen in de kosten van dit geding.

Ter griffie is op 10 maart 2010 een faxbericht van mr. Leentjes binnengekomen.

De rechtbank heeft op 16 maart 2010 de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat, gehoord.

RECHTSOVERWEGINGEN

Standpunt [verzoekster]

Partijen hebben samen de kinderen gekregen. [verzoekster] was betrokken bij beide zwangerschappen en heeft na de geboorte van beide kinderen ouderschapsverlof opgenomen om een deel van de verzorging en opvoeding van de kinderen voor haar rekening te nemen. Bij de hobby's en activiteiten rondom het huis die door [verzoekster] werden ondernomen werden [verweerster] en de kinderen betrokken. Er werd samen met de kinderen getuinierd, waarbij de kinderen ook een eigen stukje tuin hadden en nu nog hebben. Nu [verzoekster] de kinderen zo weinig ziet, bezoekt zij het schoolzwemmen en de paardrijlessen van [kind 2]. Dit zijn openbare aangelegenheden waarbij de ouders welkom zijn. De kinderen reageren ook enthousiast op [verzoekster]. [verzoekster] is ten onrechte afgeschilderd als iemand met psychiatrische problemen. Zij is met succes behandeld voor de problemen in haar jeugd. Voorts heeft zij vanuit haar werk gesprekken gevoerd met een psycholoog in verband met problemen op haar werk. Van een zware depressie is geen sprake geweest.

Tijdens de relatie heeft [verzoekster] volledig geparticipeerd in de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken en wijdde zij zich met zorg en liefde aan de kinderen in de weekenden en de vakanties. Die rol als gelijkwaardige ouder ten tijde van de relatie brengt met zich dat zij die rol ook nu, na het uiteengaan van partijen, moet kunnen vervullen. Een gelijkwaardige verzorging is dat de kinderen de helft van de tijd bij [verzoekster] doorbrengen, zodat ook zij in de gelegenheid is de kinderen te verzorgen en op te voeden, betrokken te blijven bij de kinderen en bij school en hun buitenschoolse activiteiten, hetgeen ook in het belang van de ontwikkeling van de kinderen is. Voorts dienen beide ouders betrokken te zijn bij het nemen van beslissingen ten aanzien van de kinderen. [verweerster] dient [verzoekster] te informeren over de zaken die de kinderen betreffen, maar zij wil niet met [verzoekster] communiceren en neemt eenzijdig beslissingen over de kinderen. Dit dient echter niet tot gevolg te hebben dat [verweerster] met het eenhoofdige gezag wordt belast. [verzoekster] stelt dat indien sprake is van een regeling van co-ouderschap deze communicatieproblemen het minst een rol zullen spelen, omdat beide ouders gelijk betrokken zijn bij school en buitenschoolse activiteiten.

Voor zover geen regeling van co-ouderschap wordt vastgelegd wenst [verzoekster] dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar zal zijn. Zij is bereid om [verweerster] te informeren en consulteren over zaken die de kinderen aangaan.

De huidige omgangsregeling verloopt redelijk. Bij de overdracht voelen de kinderen de spanning tussen partijen en hebben zij buikpijnklachten. Die verdwijnen meteen als de kinderen bij [verzoekster] zijn.

[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een identiteitsbewijs, waarbij uitdrukkelijk wordt bepaald dat [verweerster] deze afgeeft aan [verzoekster] als de kinderen bij [verzoekster] zijn.

Standpunt [verweerster]

[verweerster] is in de relatie met [verzoekster] degene geweest die een kinderwens had. Zij is zwanger geworden, waarbij de biologische vader de ex-vriend van [verweerster] is. [verweerster] heeft altijd de volledige verzorging en opvoeding van de kinderen op zich genomen. [verzoekster] heeft nimmer een moederrol vervuld, zij werkte of werd in beslag genomen door hobby's en andere activiteiten. De adoptie van de kinderen door [verzoekster] werd vooral ingegeven door de juridische status ervan, zonder dat [verzoekster] de zorgtaken feitelijk op zich wilde nemen. Het door [verzoekster] genoten verlof heeft zij vooral benut om met haar hobby's bezig te zijn. Gelet hierop dient [verweerster] met het eenzijdige ouderlijke gezag over de kinderen te worden belast. Tussen partijen is geen enkele communicatie meer mogelijk, waardoor er een reële kans aanwezig is dat de kinderen klem en verloren raken tussen partijen. In het mediationtraject werd de mediator door [verzoekster] bedolven onder stukken. Er was geen enkele ruimte voor inbreng van [verweerster]. Er was geen gelijkwaardige communicatie mogelijk. Om deze reden heeft [verweerster] de mediation beëindigd. [verweerster] heeft geen enkel vertrouwen meer in [verzoekster]. [verzoekster] heeft geen aansluiting bij de belevingswereld van de kinderen. [verzoekster] heeft te kampen met psychische problemen, hetgeen een grote mate van onrust oplevert bij [verweerster]. Dit heeft grote weerslag op haar en de kinderen. [verweerster] heeft vooral rust nodig. [verzoekster] dient haar de ruimte te geven om haar leven met de kinderen te leiden. Het hoofdverblijf van de kinderen dient te worden bepaald bij [verweerster]. [verweerster] is voornemens om te verhuizen met de kinderen naar [***]. [verweerster] staat open voor contact tussen de kinderen en [verzoekster], maar niet voor langere perioden. [verweerster] wenst dat een weekendregeling wordt vastgesteld en dat de kinderen een deel van de vakanties bij [verzoekster] verblijven, echter een periode van korter dan drie weken. De kinderen zien volgens [verweerster] op tegen de omgang met [verzoekster]; zij hebben buikpijnklachten. Na de scheiding gaat het beter met de kinderen, ook op school.

[verweerster] heeft de rechtbank vervangende toestemming verzocht voor het aanvragen van een paspoort voor de kinderen.

Beoordeling

Bij de beslissing neemt de rechtbank de volgende feiten in aanmerking.

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad uit welke relatie de volgende minderjarige kinderen zijn geboren:

* [kind 1], geboren [in 2001] in de gemeente [***], en

* [kind 2], geboren [in 2003] in de gemeente [***].

- Bij beschikking van 8 mei 2001 van deze rechtbank is de adoptie uitgesproken van [kind 1] door [verzoekster], waarbij tevens is gelast wijziging van de geslachtsnaam van [kind 1] in [de naam van verzoekster].

- Bij beschikking van 19 juni 2003 is de adoptie uitgesproken van [kind 2] door [verzoekster], waarbij [kind 2] door de adoptie en de naamskeuze de geslachtsnaam [van verzoekster] draagt.

- Bij beschikking van 19 juni 2003 heeft de rechtbank voorts bepaald dat partijen het gezag over [kind 1 en kind 2] gezamenlijk uitoefenen.

- Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 december 2009 is -onder meer- beslist dat [verzoekster] gerechtigd is de minderjarige kinderen [kind 1 en kind 2] met ingang van vrijdag 15 januari 2010 een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot maandagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij zich te ontvangen.

Voorts gaat de rechtbank uit van het volgende juridische kader.

Ingevolge artikel 1:247, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW) omvat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

Ingevolge het vierde lid behoudt een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen na het beëindigen van de samenleving recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

Op grond van artikel 1:247a BW stellen ouders die het gezamenlijk gezag uitoefenen een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, indien zij hun samenleving beëindigen.

Ingevolge artikel 1:253a, eerste en tweede lid, BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.

Op grond van het vierde lid van dit artikel zijn de artikelen 377a, vierde lid, 377e en 377g van overeenkomstige toepassing. Daar waar in deze bepalingen gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling wordt in plaats daarvan gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Artikel 1:377a, eerste lid, BW schrijft voor -voor zover hier van belang- dat het kind het recht op omgang heeft met zijn ouders.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

Op grond van het derde lid ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Op grond van artikel 815, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevat het verzoekschrift een ouderschapsplan ten aanzien van:

a. hun gezamenlijke minderjarige kinderen over wie de echtgenoten al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen;

b. de minderjarige kinderen over wie de echtgenoten ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag gezamenlijk uitoefenen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het ouderschapsplan in ieder geval afspraken opgenomen over:

a. de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken, bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, verdelen of het recht en de verplichting tot omgang, bedoeld in artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vormgeven;

b. de wijze waarop de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen;

c. de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.

Voorts bepaalt het zesde lid dat indien het ouderschapsplan, bedoeld in het tweede lid, redelijkerwijs niet kan worden overgelegd, volstaan kan worden met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.

Ontvankelijkheid

Het verzoek van [verzoekster] bevat geen ouderschapsplan ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen. De rechtbank stelt vast dat daardoor niet is voldaan aan het in artikel 815, tweede en derde lid, Rv neergelegde vereiste.

Uit de overgelegde stukken alsook uit hetgeen naar voren is gebracht ter zitting is de rechtbank gebleken dat de communicatie tussen partijen slecht verloopt. Partijen hebben een mediator ingeschakeld, teneinde tot overeenstemming te komen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De gesprekken met de mediator zijn echter beëindigd zonder dat partijen overeenstemming hebben bereikt.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate is aangetoond dat het voor partijen niet mogelijk is geweest om tot afspraken over hun minderjarige kinderen te komen. De rechtbank acht dan ook de uitzonderingssituatie zoals omschreven in artikel 815, zesde lid, Rv van toepassing. Het verzoek van [verzoekster] kan dan ook ontvankelijk worden geacht, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan.

Ouderlijk gezag

Na verbreking van de relatie blijven ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen, tenzij er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [verweerster] heeft verzocht om haar alleen met het gezag te belasten. Zij heeft haar verzoek onderbouwd door te stellen dat sprake is van een gebrek aan communicatie en vertrouwen tussen partijen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer met zich mee dat in het belang van de kinderen het ouderlijk gezag aan een van de ouders moet worden toegekend. Dit geldt in het bijzonder in de periode na het uiteengaan van partijen. De rechtbank heeft de indruk dat het gebrek aan communicatie tussen de ouders vooral te maken heeft met hun relatie als ex-partners en met name van de zijde van [verweerster] lijkt te komen. De rechtbank constateert dat bij [verweerster] sprake is van heftige, onverwerkte emoties, die de communicatie met [verzoekster] als ouder belemmeren. De rechtbank ziet hierin onvoldoende aanleiding - in tegendeel zelfs - om [verweerster] te belasten met het eenhoofdige ouderlijk gezag over de kinderen. De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag in stand laten.

De rechtbank benadrukt dat in het belang van de kinderen beide ouders zich dienen in te zetten - eventueel opnieuw via inschakeling van een mediator of het algemeen maatschappelijk werk - voor een behoorlijke communicatie over de belangrijke aangelegenheden die de kinderen betreffen.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijf

Allereerst stelt de rechtbank vast dat door de adoptie [verzoekster] in familierechtelijke betrekking tot [kind 1 en kind 2] is komen te staan. Voorts is bij beschikking van 19 juni 2003 bepaald dat partijen het gezag over [kind 1 en kind 2] gezamenlijk uitoefenen. Partijen zijn derhalve beiden verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Zij dragen allebei de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van hun kinderen, alsmede voor het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Daarbij komt dat in artikel 1:247, derde lid, BW uitdrukkelijk is bepaald dat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder omvat om de ontwikkeling van de banden van zijn kinderen met de andere ouder te bevorderen.

Partijen verschillen van mening over de rol van [verzoekster] ten tijde van de relatie tussen partijen. [verweerster] heeft gesteld dat daar waar zij altijd voor de kinderen klaar staat, [verzoekster] prioriteit geeft aan haar werk en niet aan haar gezin. [verzoekster] heeft gesteld dat zij een deel van de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich heeft genomen en zich altijd betrokken heeft gevoeld en getoond bij de kinderen.

Beide partijen werkten ten tijde van hun relatie. [verweerster] werkte gedurende 24 uren per week. [verzoekster] heeft gesteld, en dit is door [verweerster] niet weersproken, dat zij na de geboorte van [kind 1] vier dagen is gaan werken. Vanaf 1 september 2003 totdat beide kinderen naar de basisschool gingen werkte [verzoekster] drie dagen per week en daarna is zij weer vier dagen per week gaan werken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verweerster] weliswaar minder werkte dan [verzoekster], maar dat [verzoekster] wel degelijk structureel een deel van de dagelijkse verzorging van de kinderen voor haar rekening heeft genomen. Voorts is onweersproken gesteld dat [verzoekster] betrokken was en is bij de school van de kinderen, alsook de buitenschoolse activiteiten. Dat [verweerster] wellicht meer zorgtaken op zich nam tijdens de relatie, brengt naar het oordeel van de rechtbank voorts niet met zich dat ook de opvoedingstaken meer bij haar lagen, niet ten tijde de relatie en ook niet in de toekomst. De kinderen hebben twee ouders, met ieder hun eigen rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Ondanks dat partijen wellicht een verschillende rol hadden in de verzorging en opvoeding van de kinderen is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat zij niet een gelijkwaardige rol hebben gehad. Beide partijen hebben een deel van de verzorging en opvoeding op zich genomen en zich betrokken getoond bij de kinderen.

Uitgangspunt bij de verdeling van de verzorging en opvoedingstaken tussen [verweerster] en [verzoekster] is dat [kind 1 en kind 2] het recht behouden op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Overeenkomstig de uitspraak van 18 augustus 2009 van het Gerechtshof Amsterdam (LJN: BJ5563) overweegt de rechtbank dat hiermee echter niet is beoogd de norm in conflictsituaties uit te leggen als een verplicht co-ouderschap, als een 50-50% verdeling, waarop alleen praktische belemmeringen een uitzondering kunnen vormen. Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en het belang van de kinderen zal de rechter genoodzaakt kunnen zijn op verzoek een zorgregeling vast te stellen, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis.

In het onderhavige geval is de communicatie tussen partijen thans ernstig verstoord. Voor een regeling van co-ouderschap is daarom naar het oordeel van de rechtbank op dit moment onvoldoende basis. Een intensieve co-ouderschapsregeling vereist wel degelijk een goede communicatie tussen de beide ouders. Een dergelijke regeling heeft bovendien slechts kans van slagen indien beide ouders achter een gelijke zorgverdeling staan. Gebleken is dat [verweerster] geen medewerking wenst te verlenen aan co-ouderschap. Voorts is gebleken dat partijen thans niet in staat zijn om op juiste en doeltreffende wijze met elkaar te communiceren.

De rechtbank zal daarom het verzoek van [verzoekster] om een regeling van co-ouderschap vast te stellen afwijzen. De uit de regeling van co-ouderschap voortvloeiende verdeling van het hoofdverblijf, in zin dat één van beide kinderen haar hoofdverblijf bij [verzoekster] heeft en de ander haar hoofdverblijf bij [verweerster] zal de rechtbank eveneens afwijzen.

Hoewel het hoofdverblijf van de kinderen naar het oordeel van de rechtbank bij zowel [verzoekster] als [verweerster] bepaald zou kunnen worden, zal de rechtbank bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij [verweerster] zal zijn. Reden hiervoor is dat [verweerster] in tijd meer beschikbaar is voor de kinderen, nu zij 24 uren per week werkt en [verzoekster] 38 uren per week. Ook ten tijde van de relatie werkte [verweerster] minder dan [verzoekster] en had zij een groter aandeel in de praktische verzorging van de kinderen. In aansluiting hierop zal de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen vaststellen bij [verweerster].

De rechtbank merkt hierbij op dat indien één partij een goede onderlinge communicatie in de weg staat, dit in de toekomst gevolgen kan hebben voor het hoofdverblijf van de kinderen en het gezamenlijk gezag van partijen.

De rechtbank zal voorts een omgangsregeling vaststellen tussen de kinderen en [verzoekster]. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de opbouw zoals de voorzieningenrechter reeds bij vonnis van 21 december 2009 heeft bepaald. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het belang van de kinderen en voorts op hetgeen hiervoor is overwogen [verzoekster] in ieder geval gerechtigd is om de kinderen eens per veertien dagen van woensdag uit school tot maandag naar school bij zich te ontvangen. Partijen kunnen, indien mogelijk, in onderling overleg tot een uitbreiding van de omgangsregeling komen.

Ten aanzien van de vakantieregeling heeft [verweerster] niet onderbouwd waarom de kinderen niet voor een periode van drie weken bij [verzoekster] zouden kunnen verblijven. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen, zoals is verzocht door [verzoekster]. De rechtbank zal bepalen dat [verzoekster] gerechtigd is de kinderen gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen bij zich te ontvangen, zoals weergegeven onder de beslissing.

Wijziging school

De kinderen bezoeken vanaf hun vierde jaar de [***]school te [***]. [verweerster] is voornemens te verhuizen naar [***] en zij wil de kinderen laten inschrijven bij de [basisschool] te [***]. Nu partijen gezamenlijk gezag uitoefenen over de kinderen is [verweerster] niet gerechtigd om eenzijdig de kinderen van hun school in [***] te halen en hen naar een nieuwe school in [***] te laten gaan. Zij heeft hiervoor de instemming van [verzoekster] nodig.

[verzoekster] heeft gesteld geen toestemming te willen geven voor de wijziging van de school van de kinderen. Zij acht het in het belang van de kinderen dat zij in [***] naar school blijven gaan.

De rechtbank dient op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW te beoordelen of zij vervangende toestemming zal verlenen aan [verweerster] om de kinderen van de school in [***] naar een school in [***] te laten gaan of niet. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat [verweerster] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij genoodzaakt is om te verhuizen naar [***]. De noodzaak van een schoolwijziging van de kinderen is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Nu de kinderen in een kort tijdsbestek te maken hebben gehad met grote veranderingen, acht de rechtbank het in het belang van de kinderen om, indien mogelijk, in de hun vertrouwde omgeving te blijven en naar hun vertrouwde school te blijven gaan. De rechtbank acht het voorts niet in het belang van de kinderen dat zij tijdens het schooljaar van school wisselen. De rechtbank zal daarom geen vervangende toestemming verlenen aan [verweerster] om de kinderen naar de school in [***] te laten gaan en het verzoek van [verweerster] hiertoe afwijzen.

Informatieplicht

[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om met betrekking tot de kinderen een informatieplicht op te leggen. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, onder c, BW kan de rechtbank een regeling vaststellen omtrent de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen van partijen wordt verschaft aan [verzoekster] dan wel de wijze waarop [verzoekster] over deze aangelegenheden wordt geraadpleegd. Uit de wet vloeit voort dat de ene ouder de andere ouder informeert omtrent gewichtige aangelegenheden betreffende de kinderen en dat zij gezamenlijk beslissingen nemen ten aanzien van deze aangelegenheden. De rechtbank acht het verzoek van [verzoekster] dan ook toewijsbaar en zal [verweerster] een informatieplicht opleggen als hierna te melden. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding om aan deze verplichting een dwangsom te verbinden.

Vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort of identiteitsbewijs

[verweerster] heeft vervangende toestemming gevraagd voor het aanvragen van paspoorten voor de kinderen. [verzoekster] wil vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart en heeft daarnaast verzocht te bepalen dat zij het identiteitsbewijs afgeeft aan verzoekster iedere keer als de kinderen bij verzoekster zijn en andersom.

Niet gebleken is dat de kinderen een paspoort nodig hebben, zodat kan worden volstaan met een identiteitskaart. De rechtbank zal aan [verzoekster] vervangende toestemming verlenen voor het aanvragen van een identiteitskaart voor de kinderen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de kinderen de identiteitskaart bij zich houden, dat wil zeggen dat het identiteitsbewijs met de kinderen meereist van [verzoekster] naar [verweerster] en andersom.

Proceskostenveroordeling

Partijen hebben verzocht de tegenpartij te veroordelen in de proceskosten. Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.

BESLISSING

bepaalt dat het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen van partijen [kind 1 en kind 2] bij [verweerster] is;

stelt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:

- [verzoekster] is gerechtigd om de minderjarige kinderen van partijen [kind 1 en kind 2] eens per veertien dagen van woensdag uit school tot maandag naar school bij zich te ontvangen;

- de kinderen verblijven gedurende de vakanties en de feestdagen bij [verweerster] dan wel [verzoekster] volgens het volgende schema:

Verdeling vakanties

2010

- meivakantie: [verzoekster]

- zomervakantie: eerste drie weken bij [verzoekster], laatste drie weken bij [verweerster]

- herfstvakantie: [verweerster]

- kerstvakantie: eerste week bij [verzoekster], tweede week bij [verweerster];

2011

- voorjaarsvakantie: [verzoekster]

- meivakantie: [verweerster]

- zomervakantie: eerste drie weken bij [verweerster], laatste drie weken bij [verzoekster]

- herfstvakantie: [verzoekster]

- kerstvakantie: eerste week bij [verweerster], tweede week bij [verzoekster];

2012

- voorjaarsvakantie: [verweerster]

- en zo verder, zie 2010;

Verdeling feestdagen

2010: Paasweekend, Hemelvaart en Sint Maarten: [verweerster]

Pinksteren: [verzoekster]

2011: Paasweekend, Hemelvaart en Sint Maarten: [verzoekster]

Pinksteren: [verweerster]

en zo verder;

Verjaardagen

2010: [kind 2]: [verweerster],

[kind 1]: [verzoekster]

moederdag: [verweerster]

2011: [kind 2]: [verzoekster]

[kind 1]: [verweerster]

moederdag: [verzoekster]

en zo verder;

verjaardag [verweerster] en verjaardagen opa's en oma's aan de zijde van [verweerster]: [verweerster]

verjaardag [verzoekster] en verjaardagen grootouders aan de zijde van [verzoekster]: [verzoekster];

bepaalt dat [verweerster] [verzoekster] zal informeren betreffende gewichtige aangelegenheden aangaande [kind 1 en kind 2], zoals bij ziekte, deelname aan schoolse en buitenschoolse activiteiten, sport, muziek en aanverwante zaken;

bepaalt dat partijen beslissingen ten aanzien van gewichtige aangelegenheden aangaande [kind 1 en kind 2], zoals schoolkeuze, beroepsopleiding, medische behandelingen en ingrepen, verblijf in het buitenland voor langere tijd en verhuizing gezamenlijk dienen te nemen;

verleent toestemming aan [verzoekster] om voor de minderjarige kinderen van partijen [kind 1 en kind 2] een identiteitskaart aan te vragen;

bepaalt dat de kinderen de identiteitskaart bij zich houden, in die zin dat het identiteitsbewijs met de kinderen meereist van [verzoekster] naar [verweerster] en andersom;

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. Flinterman en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 6 april 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

aw

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.