Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM2390

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
426345 CV EXPL 09-16528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding gevorderd op grond van een gestelde en betwiste tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Niet tot bewijs van de tekortkoming toegelaten, omdat het voor schadevergoeding vereiste causale verband niet, dan wel onvoldoende is gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 426345 CV EXPL 09-16528

Vonnis d.d. 22 april 2010

inzake

de vennootschap onder firma De Hollandsche Manege V.O.F.,

gevestigd en kantoorhoudende te (1054 GT) Amsterdam, Vondelstraat 140,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna de Hollandsche Manege te noemen,

gemachtigde: mr. N.K. Visscher, werkzaam bij ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Leusden (postbus 230, 3830 AE),

tegen

Q.,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna Q. te noemen,

gemachtigde: mr. M.L. Blackstone, advocaat te Leeuwarden (Willemskade 25, 9811 AX).

PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 24 december 2009 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, die is gehouden op 22 maart 2010. Partijen (de Hollandsche Manege deugdelijk vertegenwoordigd) zijn verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigden. Door de griffier is aantekening gehouden van het verhandelde ter zitting. Nadat beide partijen te kennen hebben gegeven geen behoefte te hebben aan het nemen van nadere aktes, is (nader) vonnis bepaald. De uitspraak van het vonnis is vastgesteld op heden.

OVERWEGINGEN

1. De vaststaande feiten

In conventie

1.1. De Hollandsche Manege heeft in het jaar 2006 haar merrie Halona laten dekken door de hengst Kasparow die in eigendom toebehoort aan Q. Daarna heeft Q. de merrie in opdracht en voor rekening van de Hollandsche Manege op haar toenmalige bedrijf in Westbeemster gestald en de zorg voor de merrie op zich genomen.

1.2. In juli 2007 is het veulen Krispeijn geboren. Na de geboorte heeft Q. de zorg voor het veulen op zich genomen. Nadat het veulen eerst met een leeftijdsgenoot is gestald en in een grotere groep heeft gespeeld om groepsgedrag te leren, is het veulen in het weideseizoen in een grotere groep leeftijdsgenoten ondergebracht in een weiland in Westbeemster nabij het bedrijf van Q.

1.3. In verband met de overdracht van haar bedrijf heeft Q. op 19 april 2008 telefonisch contact opgenomen met de Hollandsche Manege. Daarbij is aan de Hollandsche Manege te kennen gegeven dat de jaarlingen, waaronder Krispeijn, in het komende weideseizoen elders moesten worden ondergebracht.

1.4. Op 6 mei 2008 is Krispeijn voor het weideseizoen overgeplaatst naar Z. in Nigtevecht.

1.5. Op 16 mei 2008 is Krispeijn met een gebroken been gevonden in het weiland, waarna de dierenarts hem heeft laten inslapen.

In reconventie

1.6. De Hollandsche Manege heeft een factuur d.d. 7 april 2008 van € 420,00 ter zake van de opfok van Krispeijn en een factuur d.d. 27 juli 2007 van € 535,50 ter zake van (de tweede deelbetaling van) het dekgeld van Q. ontvangen. De facturen zijn niet betaald.

2. In conventie

Het standpunt van De Hollandsche Manege

2.1. Zij heeft er voor gekozen om Krispeijn toe te vertrouwen aan Q., speciaal omdat zij paarden in kleine koppels weidt en goed toezicht op de paarden garandeert. In het telefoongesprek van 19 april 2008 heeft Q. haar laten weten dat Krispeijn samen met de vijf voor hem bekende jaarlingen in een ander weiland in Middenbeemster, vlakbij het weiland van Q., zou worden ondergebracht. Aangezien Q. zelf toezicht zou blijven houden, het weiland vlakbij Q. was gelegen en Krispeijn in een kleine groep paarden geweid zou worden heeft de Hollandsche Manege met de overplaatsing ingestemd.

2.2. Na het ongeval dat heeft geleid tot de beenbreuk van Krispeijn op 16 mei 2008 is de Hollandsche Manege gebleken dat Krispeijn in een voor hem onbekende omgeving bij een bedrijf in Nigtevecht is ingeschaard. Bovendien is hij in een grotere groep geplaatst. De groep had een omvang van negentien paarden met leeftijden tussen de 10 maanden en twee jaar, waarvan veertien paarden onbekend waren voor Krispeijn. Door Krispeijn in een voor hem onbekende grote koppel te plaatsen met oudere dieren, werd de kans aanzienlijk groter dat hij beschadigd zou worden doordat de rangorde tussen de dieren opnieuw uitgevochten moest worden. Hij liep hierdoor dus beduidend meer risico.

2.3. De Hollandsche Manege stelt dat de afspraak was dat Krispeijn in een kleine en in de hem bekende kleine groep zou worden geweid en dat Q. zelf toezicht zou houden. Door Krispeijn in strijd met die afspraak en zonder toestemming van de Hollandsche Manege in te scharen in een grote koppel met oudere paarden op een vreemd bedrijf heeft zij die afspraak geschonden. Op grond van deze wanprestatie is Q. aansprakelijk voor de schade die de Hollandsche Manege heeft geleden door het overlijden van Krispeijn. De schade is door een door de Hollandsche Manege ingeschakelde taxateur vastgesteld op € 5.000,00.

Het standpunt van Q.

2.4. Op het moment dat het weideseizoen in 2008 aanbrak heeft Q. met alle eigenaren van de bij haar gestalde dieren contact opgenomen, omdat de veulens wegens de voorgenomen overdracht van haar bedrijf niet meer bij haar in Westbeemster konden worden ondergebracht. Q. had een uitstekend bedrijf gevonden in Nigtevegt dat een vergelijkbare opfok kon bieden, met zeer goede grond, goede grassoorten, goed toezicht en veilige afrastering. De Hollandsche Manege is, nadat zij hierover duidelijk door Q. was geïnformeerd, akkoord gegaan met de voorgenomen verhuizing van Krispeijn naar Nigtevecht.

2.5. Krispeijn is vervolgens samen met zijn eigen groep jaarlingen overgebracht naar Nigtevecht en pas daarna op een grote oppervlakte ingeschaard met meer leeftijdsgenoten, allen geboren in de periode maart - juli 2007. Q. heeft daarbij zorgvuldig gehandeld. Zij betwist uitdrukkelijk dat Krispeijn is ondergebracht in een groep paarden van verschillende leeftijden.

2.6. Q. betwist gelet op het voorgaande in de eerste plaats dat sprake is geweest van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst met de Hollandsche Manege. Bovendien merkt zij op dat de Hollandsche Manege de factuur van Z. in mei 2008 zonder protest heeft behouden.

2.7. Daarnaast betwist Q. dat Krispeijn zijn been heeft gebroken als gevolg van de vermeende tekortkoming. Er is geen causaal verband tussen de verplaatsing naar Nigtevecht en het ongeluk van Krispeijn. Ieder paard, ongeacht leeftijd, kan op ieder moment en onder alle omstandigheden zijn been breken.

2.8. Tot slot betwist Q. de door de Hollandsche Manege gestelde waarde van Krispeijn. Q. stelt dat de waarde van Krispeijn maximaal € 1000,00 à € 1.500,00 is geweest.

3. In reconventie

Het standpunt van Q.

3.1. Zowel de factuur van 7 april 2008 als de factuur van 27 juli 2007 heeft de Hollandsche Manege onbetaald gelaten. Zij stelt dan ook aanspraak te kunnen maken op betaling hiervan. Nu de betalingstermijn van veertien dagen ruimschoots is verstreken, stelt zij tevens aanspraak te kunnen maken op de wettelijke handelsrente.

Het standpunt van de Hollandsche Manege

3.2. De factuur van 27 juli 2007 ter hoogte van het bedrag € 535,50 stelt de Hollandsche Manege te hebben voldaan. Zij heeft de betaling van de factuur van 7 april 2008 opgeschort tot het moment dat Q. de geleden schade als gevolg van de wanprestatie heeft vergoed.

4. De beoordeling

In conventie

4.1. De Hollandsche Manege heeft haar vordering tot schadevergoeding gebaseerd op een tekortkoming van Q. in de nakoming van de tussen hen bestaande overeenkomst. De tekortkoming zou volgens de Hollandsche Manege daarin zijn gelegen dat Q. Krispeijn tegen de afspraak in met een grotere en vreemde groep oudere paarden zou hebben ingeschaard. Nu dit door Q. nadrukkelijk is betwist, rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingen de bewijslast op de Hollandsche Manege. De kantonrechter ziet echter geen aanleiding om de Hollandsche Manege tot dat bewijs toe te laten. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.2. Een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis geeft - zo volgt uit artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek - slechts recht op schadevergoeding voor zover er sprake is van een causaal verband tussen die tekortkoming en de geleden schade. In dit concrete geval komt dat erop neer dat vast moet komen te staan dat de beenbreuk van Krispeijn is veroorzaakt door de gestelde (en betwiste) omstandigheid dat hij met vreemde en oudere paarden was gegroepeerd. Nu de Hollandsche Manege zich op het standpunt stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van die gestelde tekortkoming, dient zij naast die tekortkoming tevens te bewijzen dat er sprake is van voormeld causaal verband. Waar zij in haar conclusie dit verband enkel heeft verondersteld, heeft de Hollandsche Manege ter comparitie te kennen gegeven dat niemand heeft gezien hoe het incident dat heeft geleid tot de beenbreuk heeft plaatsgevonden. Daardoor valt niet uit te sluiten, zo de tekortkoming al zou komen vast te staan, dat de beenbreuk op een andere wijze is ontstaan dan als gevolg van een tekortkoming, bijvoorbeeld een (mislukte) sprong over de sloot of een ander ongeluk. De Hollandsche Manege heeft ten aanzien van de oorzaak van de beenbreuk dan ook onvoldoende feiten gesteld, zodat zij niet tot bewijslevering kan worden toegelaten.

4.3. Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de vordering inclusief nevenvorderingen zal worden afgewezen, waarbij de Hollandsche Manege als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

In reconventie

4.4. Met betrekking tot de factuur van 7 april 2008 overweegt de kantonrechter dat de uitkomst van het geschil in conventie meebrengt dat de grond voor opschorting is komen te ontvallen. Nu de Hollandsche Manege overigens geen verweer heeft gevoerd tegen deze factuur, zal de vordering ter zake worden toegewezen.

4.5. Voor zover de Hollandsche Manege heeft gesteld dat zij de factuur van 27 juli 2007 reeds heeft voldaan, had het op haar weg gelegen die stelling te onderbouwen met een betalingsbewijs. Nu zij dit niet heeft gedaan, zal de kantonrechter haar stelling als onvoldoende onderbouwd passeren. Dit betekent dat ook de vordering die ziet op deze factuur zal worden toegewezen.

4.6. De over de factuurbedragen meegevorderde rente zal eveneens worden toegewezen, omdat de Hollandsche Manege met de betaling in verzuim is en bovendien geen verweer is gevoerd op dit punt.

4.7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Hollandsche Manege ten slotte worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie

- ontzegt de Hollandsche Manege haar vordering;

- veroordeelt de Hollandsche Manege in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Q. tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 400,00 voor salaris van de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

- veroordeelt de Hollandsche Manege om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Q. te betalen een bedrag van € 955,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke verzuimdata tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de Hollandsche Manege tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van Q. tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 100,00 voor salaris van de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort, kantonrechter, en op 22 april 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: mb