Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM2242

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
114305 / JE RK 09-1065
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst af het verzoek tot vervallen verklaring van een schriftelijke aanwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 114305 / JE RK 09-1065

beschikking kinderrechter d.d. 17 februari 2010

in het verzoek van

[moeder],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen: moeder,

advocaat mr. M.R. Holthinrichs,

tegen

William Schrikker Groep,

zetelende te 1112 XC Diemen, Dalsteindreef 69,

hierna te noemen: WSG,

vertegenwoordigd door mevrouw A. Wijnsma,

strekkende tot het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing.

PROCESGANG

Op 9 november 2009 heeft de WSG een schriftelijke aanwijzing gegeven met betrekking tot de omgang tussen moeder en het minderjarige kind:

* [de minderjarige], geboren in de gemeente [***] [in 1996],

Op 23 november 2009 heeft moeder een verzoek, gedateerd 20 november 2009, ingediend tot vervallenverklaring van eerdergenoemde aanwijzing en is verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen de vrouw en [de minderjarige] van ieder weekend van vrijdag tot en met zondag, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.

Op 9 december 2009 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: ouders, bijgestaan door mr. M.R. Holtinrichs, mevrouw

H. Bijkers, namens Meerzorg, mevrouw P.L. Nomden, namens Driever's Dale en mevrouw

A. Wijnsma, namens WSG. [de minderjarige] is afzonderlijk door de kinderrechter gehoord.

De beslissing op het verzoek is vanwege de onduidelijkheid die er tijdens het horen van partijen ter zitting was over het standpunt van Driever's Dale inzake de (on)mogelijkheid tot uitbreiding van de omgangsregeling aangehouden, teneinde mr. Holthinrichs in de gelegenheid te stellen een overleg tussen moeder, de WSG en Driever's Dale te organiseren en de kinderrechter over de uitkomsten van dit overleg schriftelijk te informeren.

Op 19 januari 2010 is een faxbericht van mr. M.R. Holthinrichs dienaangaande ontvangen.

OVERWEGINGEN

Vaststaande feiten:

- moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige;

- bij beschikking van 18 augustus 2009 is de ondertoezichtstelling ten aanzien van [de minderjarige] verlengd, voor de duur van een jaar, tot 24 augustus 2010; voorts is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor dag- en nachtopvang verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

- op 9 november 2009 heeft de WSG een aanwijzing vaststelling bezoekregeling gegeven waarin de volgende omgangsregeling is vastgesteld:

*[de minderjarige] gaat in 2009 in de oneven weken en in 2010 in de even weken in het weekend bij zijn moeder en stiefvader logeren, waarbij hij op vrijdagmiddag tussen 15:00 uur en 15:30 uur door zijn moeder op Driever's Dale wordt opgehaald en hij zondagavond om ongeveer 19:00 uur weer wordt teruggebracht;

* Voor de kerstvakantie 2009 zijn de volgende afspraken gemaakt:

- donderdag 13:00 uur wordt [de minderjarige] opgehaald, zondag 27 december wordt

[de minderjarige] rond 19:00 uur teruggebracht;

- donderdag 31 december wordt [de minderjarige] om 10:00 uur opgehaald en op zondag

3 januari wordt [de minderjarige] rond 19:00 uur teruggebracht.

Beoordeling

Nu de in de aanwijzing opgenomen data gedeeltelijk zijn verstreken, zal de kinderechter moeder ten aanzien van deze data niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

Uit artikel 1:263a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vloeit voort dat de gezinsvoogdij-instelling, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind kan beperken. Een dergelijke beslissing geldt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel als een aanwijzing, zodat de met het gezag belaste ouders de kinderrechter kunnen verzoeken de beperking vervallen te verklaren, hetgeen moeder in casu heeft verzocht.

Op grond van artikel 1:258, eerste lid, BW dient een schriftelijke aanwijzing te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hieruit volgt dat de vraag beantwoord dient te worden of de aanwijzing van

9 november 2009 volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. De kinderrechter kan daarbij de aanwijzing slechts marginaal toetsen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt, dat [de minderjarige] sinds juli 2007 uit huis is geplaatst en in Driever's Dale woont. De WSG heeft onweersproken gesteld, dat zijn gedrag en ontwikkeling in deze instelling goed begeleid worden en dat de consequente structuur, regels en grenzen die [de minderjarige] hier ontvangt een positief effect op hem hebben. Voorts blijkt dat [de minderjarige] één keer per veertien dagen een weekend bij moeder en zijn stiefvader logeert. Deze omgangsfrequentie heeft de WSG vastgelegd in de thans door moeder bestreden aanwijzing.

Blijkens het na de zitting namens moeder overgelegde faxbericht van 19 januari 2010 acht Driever's Dale een uitbreiding van de in de aanwijzing vastgelegde omgangsregeling niet wenselijk. De kinderrechter leidt hieruit af dat Driever's Dale de huidige omgangsregeling kennelijk in het belang van [de minderjarige] acht.

Moeder acht de huidige omgangregeling te beperkt en wenst dat [de minderjarige] ieder weekend bij haar verblijft. Zij is van mening dat zij en stiefvader met begeleiding van Meerzorg in staat zijn om de regels die [de minderjarige] gewend is bij Driever's Dale in de weekenden bij hun thuis door te voeren, zodat [de minderjarige] alsdan de structuur en duidelijkheid krijgt die hij nodig heeft. Moeder woont op dit moment samen met stiefvader in een woning van Meerzorg Groningen en krijgt vijf etmalen per week begeleiding. Sinds zij hier wonen is er meer rust. In de weekenden die [de minderjarige] bij hen verblijft, kan er volgens moeder begeleiding van Meerzorg komen die ook ziet op het aanbrengen van regels en structuur ten behoeve van [de minderjarige].

Ter zitting heeft mevrouw H. Bijkers, werkzaam bij Meerzorg, desgevraagd verklaard dat de Meerzorg niet alleen ondersteuning geeft aan volwassenen, maar ook begeleiding aan kinderen. Mevrouw Bijkers denkt dat moeder met begeleiding van Meerzorg in staat zou zijn om [de minderjarige] gedurende weekendbezoeken het opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft.

De WSG acht een verruiming van de omgangsregeling niet in het belang van [de minderjarige] en heeft hiervoor de volgende gronden aangevoerd. Het gedrag en de beperkingen van [de minderjarige] (verstandelijke beperking, ADHD en ODD) vragen een deskundige en gestructureerde begeleiding en omgeving. Zelfs voor deskundigen is het moeilijk om adequaat om te gaan met de problematiek van [de minderjarige]. Moeder en stiefvader zijn niet in staat [de minderjarige] de begeleiding en omgeving te bieden die hij behoeft. Zij hebben zelf ondersteuning nodig in hun dagelijks functioneren. De hulpverlening die zij daarbij ontvangen beschikt niet over de specifieke deskundigheid die vereist is in de opvoeding van [de minderjarige] en is derhalve niet toereikend.

De WSG heeft daarnaast aangevoerd dat [de minderjarige] bij terugkomst op Driever's Dale vaak moeite heeft om zich weer aan te passen aan de structuur van de groep. De in de aanwijzing vastgelegde bezoekfrequentie acht de WSG dan ook passend bij het belang van [de minderjarige] en zijn behoefte aan een deskundige en gestructureerde begeleiding en omgeving. In de schoolvakanties kunnen deze weekenden in onderling overleg met de gezinsvoogd wellicht worden verlengd, maar het is in de ogen van de WSG voor de ontwikkeling van [de minderjarige] niet gewenst hem voor een langere periode uit het pedagogisch klimaat van de instelling te halen.

De kinderrechter is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat, de WSG de schriftelijke aanwijzing omtrent de vaststelling van een omgangsregeling deugdelijk heeft gemotiveerd en na afweging van alle betrokken belangen op goede gronden tot de bij de aanwijzing vastgestelde omgangsregeling is gekomen. De WSG heeft gemotiveerd aangegeven waarom zij deze omgangsregeling met de daarin bepaalde frequentie in het belang van [de minderjarige] acht. Een regeling die door Driever's Dale kennelijk ook in zijn belang wordt geacht. Het is niet in het belang van [de minderjarige] om het verlofbeleid van Driever's Dale te doorkruisen. Hetgeen door moeder en mevrouw H. Bijkers naar voren is gebracht ten aanzien van de begeleiding van Meerzorg leidt niet tot een ander oordeel. Een en ander neemt niet weg dat het van belang blijft dat er blijvend aandacht is voor mogelijkheden van uitbreiding van de contacten. De kinderrechter kan zich daarbij voorstellen dat Meerzorg bij het onderzoeken van die mogelijkheden wordt betrokken.

De kinderrechter heeft op grond van de stukken en de verklaringen ter zitting derhalve geen aanleiding gevonden om de bestreden aanwijzing vervallen te verklaren en zal dan ook het verzoek van moeder daartoe afwijzen.

BESLISSING

verklaart moeder ten aanzien van de data gelegen voor de datum van deze beschikking niet-ontvankelijk in het verzoek;

wijst het verzoek van moeder voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven te Groningen op 17 februari 2010 door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

WJD