Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BM1402

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
115469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstekzaak. Onredelijk bezwarend boetebeding in algemene voorwaarden creditcardmaatschappij. Ambtshalve toetsing. Europees Consumentenrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvC 2010, afl. 5, p. 218 met annotatie van prof. mr. M.B.M. Loos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 115469 / HA ZA 10-45

Vonnis van 31 maart 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V. h.o.d.n. VISA CARD SERVICES,

statutair gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. P.E. Mazel,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 februari 2010

- de akte overlegging producties aan de zijde van eiseres.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De beoordeling

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in genoemd tussenvonnis.

Eiseres heeft bij akte producties overgelegd, zoals is opgedragen in gemeld tussenvonnis. De rechtbank is thans voldoende geïnformeerd en zal eindvonnis wijzen.

Eiseres vordert - onder meer - gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 2.622,00, uit hoofde van een tussen partijen overeengekomen boetebeding.

Art. 13.3 sub c van de toepasselijke algemene voorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt:

" de Cardhouder is verplicht op eerste verzoek daartoe de ANWB Visa Gold Card in vier gedeelten geknipt retour te zenden aan International Card Services. Bij gebreke hiervan is de Card-houder een boete verschuldigd van ff23,- voor iedere dag dat de Card-houder de ANWB Visa Gold Card niet heeft teruggezonden;"

De rechtbank overweegt in dit kader dat bovenstaand boetebeding moet worden aangemerkt als een onredelijk bezwarend beding als bedoeld in art. 6:233 sub a BW. De rechtbank heeft hierbij gelet op het bepaalde in art. 3 lid 1 jo. lid 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn), in samenhang met het bepaalde in onderdeel e op de bij de Richtlijn gevoegde indicatieve lijst (de zogenaamde 'blauwe' lijst). Als oneerlijk in de zin van de Richtlijn kan worden aangemerkt "een beding dat tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenis niet nakomt een onevenredige hoge schadevergoeding op te leggen". In casu is sprake van een dergelijk beding, nu eiseres aan de boete geen maximum heeft gesteld en de boete derhalve ongelimiteerd kan oplopen. Zoals vermeld in het Rapport van de LOVCK werkgroep Ambtshalve toetsing van februari 2010, getiteld "Ambtshalve toepassing van Europees Consumentenrecht" (hierna: het Rapport), dienen dergelijke bedingen ambtshalve door de rechtbank te worden getoetst en zonodig te worden vernietigd. Gelet op de overgangsregeling als genoemd in het Rapport, zal de rechtbank echter in het kalenderjaar 2010 nog niet overgaan tot vernietiging, maar bedingen die tot een hogere boete dan

EUR 1.000,00 leiden, matigen tot een bedrag van EUR 1000,00. De gevorderde boete zal derhalve slechts tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts vordert eiseres contractuele rente over het verschuldigde boetebedrag. Nu niet is gesteld dat de verschuldigdheid van contractuele rente over het boetebedrag is overeengekomen, zal de rechtbank de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW toewijzen.

Eiseres vordert tevens gedaagde te veroordelen tot afgifte van de creditcard, met veroordeling van gedaagde tot betaling van de contractuele boete van EUR 23,00 per dag, voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft met afgifte van de creditcard. Deze vordering zal worden afgewezen voor zover het gaat om betaling van de contractuele boete, nu de rechtbank reeds het maximale bedrag van EUR 1000,00 aan boete heeft toegewezen. De vordering tot afgifte van de creditcard zelf is wel toewijsbaar.

Nu niet gesteld of voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten behoeve van eiseres werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan is aanbevolen in het rapport Voor-werk II, zal de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden ambtshalve worden gematigd tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde EUR 768,00.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

Het gevorderde komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding EUR 94,48

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 313,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 452,00 (1,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 859,48

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 6.327,90 (zesduizenddriehonderdzevenentwintig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 31 december 2009 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 1000,00 (duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag, vanaf 31 december 2009 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagde tot afgifte van de creditcard aan eiseres,

veroordeelt gedaagde in de buitengerechtelijke kosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op EUR 768,00,

veroordeelt gedaagde in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat,

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op EUR 859,48,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Boekaar en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2010.??

Als bij dit vonnis een vordering tegen u is toegewezen, kunt u bij de rechtbank daartegen in verzet komen. Het verzet moet namens u door een advocaat worden ingesteld. Voor het instellen van dit rechtsmiddel geldt slechts een korte termijn. Als u in verzet wilt komen, dient u zich dus zo spoedig mogelijk tot een advocaat te wenden.

Mocht u op grond van onvoldoende financiële draagkracht niet in staat zijn de kosten daarvan te dragen, dan kunt u wellicht aanspraak maken op toevoeging van een bij de raad voor rechtsbijstand ingeschreven advocaat. Inlichtingen daarover zijn te verkrijgen bij het Juridisch Loket. Over de adressen en spreekuren van het Juridisch Loket zijn inlichtingen te verkrijgen bij de griffies van rechtbanken.

N.B. Zolang op het verzet niet is beslist, blijft het vonnis van kracht en zal het in het algemeen ook door de deurwaarder ten uitvoer kunnen worden gelegd.

type: 7.16.99

coll: ccs

??

??

4

115469 / HA ZA 10-45

31 maart 2010