Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL9559

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
18/652200-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Aangeefster kon zich door de setting moeilijk aan de handelingen van verdachte onttrekken. Zij had slechts een beperkte bewegingsruimte. Daarnaast speelt ook een rol het grote leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte, het feit dat aangeefster een minderjarig meisjes was en verdachte een volwassen man alsmede de werkgever-werknemer relatie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen de ontuchtige handelingen te dulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/652200-09 (promis)

datum uitspraak: 25 maart 2010

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. M.R.M. Schaap

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 maart 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 30 november 2007, althans in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 11 mei 2008, in de gemeente De Marne, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten en/of strelen en/of aanraken van de

borst(en) van die [aangeefster] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het in een winkelwagen klem zetten van die [aangeefster] tussen een toonbank en twee schotten en/of het met zijn, verdachtes, lichaam aandrukken van die [aangeefster] tegen een toonbank en/of met die [aangeefster] een werkgever/werknemer-relatie had, ten gevolge waarvan die [aangeefster] zich in meer of mindere mate in een afhankelijke positie ten opzichte van verdachte bevond en/of zich vanuit die afhankelijke positie ten opzichte van verdachte belemmerd voelde om zich tegen de bovenomschreven handeling(en) te verzetten;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 30 november 2007, althans in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 11 mei 2008, in de gemeente De Marne, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig bediende en/of ondergeschikte, [aangeefster], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht hierin dat hij de (blote) borst(en) van die [aangeefster] heeft betast, gestreeld en/of aangeraakt.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair tenlastegelegde feit op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat er geen sprake was van opzet en onvermijdbaarheid. Hierdoor kan het bestanddeel dwang niet bewezen worden. Het subsidiair tenlastegelegde feit kan wel worden bewezen.

Beoordeling

De rechtbank leidt uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting ten aanzien van het tenlastegelegde het volgende af.

Aangeefster werkte als hulp voor verdachte in de winkelwagen van verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte in november 2007 aan het lunchen waren in de winkelwagen op een plek tussen [naamplaats] en [naamplaats] in de gemeente De Marne. Aangeefster stond ter hoogte van de toonbank. Naast de toonbank stonden twee schotten. Verdachte gaf aangeefster tijdens deze pauze een massage. Hierbij stond verdachte achter aangeefster. Tijdens de massage ging verdachte met zijn handen onder de trui van aangeefster. Omdat aangeefster dit niet wilde klemde ze haar armen tegen haar lichaam. Het lukte verdachte toch om met zijn handen tussen het lichaam en de armen van aangeefster door te komen. Verdachte heeft de borsten van aangeefster aangeraakt en gestreeld. Aangeefster kon, doordat ze tussen de toonbank, de twee schotten en verdachte in stond geen weerstand bieden. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster heeft gemasseerd en dat hij daarbij achter aangeefster stond. Aangeefster stond tijdens de massage voor de toonbank. De winkelwagen was volgens verdachte zo’n twee meter breed. Tegenover de toonbank stond een beschuitenkist. Verdachte heeft bekend dat hij tijdens de massage de blote borsten van aangeefster heeft aangeraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij daarbij zijn handen onder de armen van aangeefster door deed. Ook heeft verdachte verklaard dat de ruimte tussen de toonbank en de overzijde ongeveer één meter is.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft wel degelijk door een feitelijkheid, te weten door het in de winkelwagen achter aangeefster gaan staan en aangeefster daardoor tussen de toonbank, twee schotten en zijn, verdachtes, lichaam, in te zetten, aangeefster gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen bestaande uit het aanraken, betasten en strelen van de borsten van aangeefster.

Aangeefster wilde niet dat verdachte haar borsten zou aanraken en heeft daarom ook haar armen tegen haar lichaam aangedrukt. Verdachte is echter toch met zijn handen onder haar armen door gegaan. Aangeefster kon zich door de setting moeilijk aan de handelingen van verdachte onttrekken. De winkelwagen was niet breed, aangeefster stond tegen de toonbank en tussen twee schotten en verdachte in en doordat verdachte zijn armen om aangeefster heen had, had zij slechts een beperkte bewegingsruimte. Het is de rechtbank dan ook onvoldoende gebleken dat aangeefster zich aan de handelingen van verdachte kon onttrekken. Daarbij speelt ook een rol het grote leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte, het feit dat aangeefster een minderjarig meisje was en verdachte een volwassen man alsmede de werkgever-werknemer relatie. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen de ontuchtige handelingen te dulden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 november 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente De Marne, door een feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het betasten en/of strelen en/of aanraken van de

borsten van die [aangeefster] en bestaande die feitelijkheid uit het in een winkelwagen klem zetten van die [aangeefster] tussen een toonbank en twee schotten en zijn, verdachtes, lichaam

ten gevolge waarvan die [aangeefster] zich ten opzichte van verdachte belemmerd voelde om zich tegen de bovenomschreven handelingen te verzetten.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Primair feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake het primair tenlastegelegde feit gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te koppelen, waarbij de voorschriften en aanwijzingen ook een behandeling bij de AFPN mogen inhouden.

De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de impact van het feit op het slachtoffer, de houding van verdachte en de persoonlijke omstandigheden en blanco documentatie van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het een oud feit uit 2007 betreft en dat verdachte lange tijd niets van de zaak heeft gehoord en daardoor lange tijd in spanning heeft gezeten. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een man op leeftijd is die nog nooit met justitie in aanraking is geweest. De houding van verdachte op de zitting is te wijten aan het feit dat hij nerveus is en moeite heeft met de setting van de rechtszitting. Verdachte ziet niet de meerwaarde in van de hulp van de AFPN. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank daar rekening mee te houden. Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de omvang van de straf in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte heeft het slachtoffer gedwongen ontuchtige handelingen te dulden. Door aldus te handelen heeft verdach¬te een ernstige in¬breuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlij¬ke levenssfeer van het slachtoffer. Door zijn handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, alsmede van het overwicht dat hij als volwassen man en werkgever op aangeefster had. Ook vanwege de setting van de winkelwagen rekent de rechtbank de ontuchtige handelingen verdachte zeer aan.

Verdachte heeft bij het slachtoffer gevoelens van angst en onzekerheid veroorzaakt.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer nog steeds lijdt onder de psychische gevolgen die het feit teweeg hebben gebracht.

Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat het feit in 2007 is gepleegd. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom verdachte niet eerder door het Openbaar Ministerie ter zake dit feit is vervolgd. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte blijkens het uittreksel uit de Justitiële documentatie d.d. 16 juli 2009 niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd, bestaande uit een werkstraf en bestaande uit een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk deel.

De reclassering heeft in haar advies d.d. 24 februari 2010 aangegeven dat een inschatting van het recidiverisico niet mogelijk is, omdat een heldere delictsanalyse ontbreekt. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarde contact bij de AFPN.

De rechtbank acht het in de huidige situatie niet noodzakelijk dat aan verdachte de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact wordt opgelegd met de door de officier van justitie genoemde voorwaarde van behandeling bij de AFPN. De rechtbank gaat ervan uit dat het door verdachte gepleegde feit een incident is geweest. Verdachte is hiertoe bovendien niet gemotiveerd.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [aangeefster], wonende te [woonplaats].

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 728,70 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 637,22.

De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade van € 500,00 voldoende is onderbouwd en dat deel van de vordering zal dan ook volledig worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de materiële schade een bedrag van € 137,22 (60% van de vordering) naar redelijkheid en billijkheid dient te worden toegewezen, omdat de kleding in augustus 2007 is gekocht en derhalve niet meer de nieuwwaarde vertegenwoordigde ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering voor het overige deel afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten, omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 246 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 40 (veertig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster], wonende te [woonplaats], gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 637,22 (zegge zeshonderdzevenendertig euro en tweeëntwintig eurocent).

Wijst het overige deel van de vordering af.

Veroordeelt de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 637,22 (zegge zeshonderdzevenendertig euro en tweeëntwintig eurocent) ten behoeve van de benadeelde partij [aangeefster], wonende te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 637,22 (zegge zeshonderdzevenendertig euro en tweeëntwintig eurocent) ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mrs. G. Eelsing en

K.R. Bosker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Offerein-Hulshoff, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2010.