Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL7230

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
AWB 09-906 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor het veranderen en vergroten van een woning.

Wijziging bestemmingsplan brengt niet met zich dat bij de heroverweging in bezwaar afgeweken dient te worden van het beginsel dat ex nunc wordt getoetst. Gelet op het gewijzigde bestemmingsplan was verweerder niet meer bevoegd om ontheffingen op grond van de Bouwverordening te verlenen. Wel wordt aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand te laten.

Verweerder heeft doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan het nadere advies van de welstandscommissie, ondanks een deskundig tegenadvies van Hus en Hiem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 09/906 WW44

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te Bedum, eiser,

gemachtigde: mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bedum, verweerder

gemachtigde: mw. I. Zuidema, werkzaam bij de gemeente.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft op 14 september 2009 beroep ingesteld tegen het besluit van 3 augustus 2009. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 18 januari 2007 gegrond verklaard en dit besluit herzien, in die zin dat bouwvergunning is verleend aan R. Zeldenrust (hierna: de vergunninghouder) onder het verlenen van ontheffing op grond van artikel 2.5.29, tweede lid aanhef en onder c, van de bouwverordening voor overschrijding van de achtergevelrooilijn en op grond van artikel 2.5.15, derde lid aanhef en onder a, van de bouwverordening voor de afwezigheid van het voorgeschreven achtererf.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 8 februari 2009.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde en W. Steur

Als vergunninghouders zijn verschenen [belanghebbende], bijgestaan door hun gemachtigde mr. M.A. de Boer.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en procesverloop

Bij aanvraag van 26 oktober 2006 hebben vergunninghouders aan verweerder verzocht hen vergunning te verlenen voor het veranderen en vergroten van de woning Grotestraat 12 te Bedum.

Op 17 november 2006 heeft de welstandscommissie Libau verweerder medegedeeld dat het bouwplan niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Wel wordt geadviseerd voor de betimmering een verfijnd houten profiel te kiezen. Een voorstel hiervoor wordt ter beoordeling tegemoet gezien.

Op grond van de door verweerder ingediende aanvullende gegevens heeft de welstands-commissie verweerder op 13 december 2008 positief geadviseerd.

Bij primair besluit van 18 januari 2007 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 februari 2007 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 23 maart 2007 heeft eiser bij verweerder de in zijn opdracht door 'Hûs en Hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg', uitgebrachte second opinion van 23 maart 2007 met betrekking tot de welstand ingediend.

Het bezwaarschrift van eiser is behandeld ter hoorzitting van 10 april 2007.

Naar aanleiding van een door vergunninghouder gewijzigde aanvraag om bouwvergunning heeft de welstandscommissie op 4 juli 2007 aan verweerder medegedeeld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Bij besluit van 10 juli 2007 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en alsnog vrijstelling verleend van het bepaalde in artikel 2.5.12 van de bouwverordening voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 augustus 2007 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 1 juli 2008, verzonden op 10 juli 2008, heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 10 juli 2007 vernietigd.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder de welstandscommissie opnieuw om advies gevraagd met betrekking tot het voorliggende bouwplan, teneinde gemotiveerd te kunnen reageren op de second opinion van Hûs en Hiem.

De welstandscommissie heeft in een advies van 25 februari 2009, na onderzoek ter plaatse, aangegeven dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Verweerder heeft in een brief van 19 maart 2009, verzonden op 20 maart 2009, aan eiser en vergunninghouder aangegeven dat in principe besloten is om ontheffingen te verlenen op grond van artikel 2.5.29 van de bouwverordening voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn en voor het toestaan van een kleiner erf dan is voorgeschreven in artikel 2.5.15 van de bouwverordening. Voorts heeft verweerder in deze brief aangegeven dat het ontwerpbesluit en de op de zaak betrekking hebbende stukken van 26 maart tot en met 6 mei 2009 ter inzage liggen. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden schriftelijk of mondeling zienswijzen indienen.

Namens eiser is bij brief van 7 april 2009 een zienswijze tegen dit ontwerpbesluit bij verweerder ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder gegrondverklaring van het bezwaarschrift van eiser, het primaire besluit van 18 januari 2007 herzien in die zin dat bouwvergunning is verleend aan vergunninghouder onder het verlenen van ontheffing op grond van artikel 2.5.29, tweede lid aanhef en onder c, van de bouwverordening voor overschrijding van de achtergevelrooilijn en op grond van artikel 2.5.15, derde lid aanhef en onder a, van de bouwverordening voor de afwezigheid van het voorgeschreven achtererf.

3.2 Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 40, eerste lid, Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid aanhef en onder b, van de Ww mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts geweigerd worden, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ww mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts geweigerd worden, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Artikel 2.5.12 van de gemeentelijke bouwverordening bepaalt dat het verboden is bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Artikel 2.5.15, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening bepaalt dat bij een woning of een woongebouw een erf aanwezig moet zijn dat ten minste een strook grond omvat die:

a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en

b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.

Ingevolge artikel 2.5.15, derde lid aanhef en onder c, van de gemeentelijke bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is.

Ingevolge artikel 2.5.29, eerste lid, van de gemeentelijke bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte.

Ingevolge artikel 2.5.29, tweede lid aanhef en onder c, van de gemeentelijke bouwverordening kan de in het eerste lid bedoelde ontheffing door burgemeester en wethouders worden verleend, indien het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.

3.3 Rechtsoverwegingen

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder terecht en op juiste gronden een bouwvergunning voor het veranderen en vergroten van een woning op het voornoemde perceel onder ontheffingen van de bouwverordening heeft verleend. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

De rechtbank stelt voorop dat bij uitspraak van 1 juli 2008 het beroep van eiser gegrond is verklaard en het besluit op bezwaar van 10 juli 2007 vernietigd is. Partijen hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen de uitspraak, zodat deze in kracht van gewijsde is gegaan.

Vervolgens ligt ter beantwoording van de rechtbank de rechtsvraag voor of verweerder met het thans bestreden besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de voornoemde uitspraak.

Partijen worden in het onderhavige geval verdeeld gehouden door de vraag of het bouwplan in het onderhavige geval voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Onder verwijzing naar een advies van 25 februari 2009 van de welstandscommissie stelt verweerder zich op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het voornoemde advies van de welstandscommissie onzorgvuldig tot stand is gekomen, aangezien ten onrechte en ongemotiveerd een uitzondering op de welstandsnota toestaat.

De rechtbank stelt vast dat in de ‘welstandsnota gemeente Bedum’ (hierna: de welstandsnota) met betrekking tot het gebied waarop het bouwplan betrekking heeft, is aangegeven dat bij de onderdelen ruimte en plaatsing ingezet wordt op handhaven. Voor de onderdelen hoofdvorm van de gebouwen, aanzichten en opmaak wordt gekozen voor respecteren.

Met betrekking tot het aspect ‘hoofdvorm van de gebouwen’ wordt het navolgende aangegeven in de welstandsnota:

- één tot twee bouwlagen met een hellend dak;

- gevelritmiek (gevelbreedte) wordt bepaald door de breedte van de oorspronkelijke percelen;

- bijgebouwen dienen te zijn voorzien van een hellend dak.

Met betrekking tot het aspect ‘aanzichten en opmaak gebouw’ wordt in de welstandsnota onder meer het aangegeven:

- aanpassingen en veranderingen aan het bouwblok dienen het karakter van het bebouwingsbeeld te respecteren;

- kleur, materiaal en detaillering dienen in overeenstemming te zijn met de bouwstijl van het hoofdgebouw; voor de gevels van het hoofdgebouw rode bakstenen, hout voor de kozijnen (kleurstelling wit, blauw, groen, oker) en gebakken pannen (in aardtinten) voor het dak;

- witte en lichtgele steen zijn niet toegestaan;

- bij vrijstaande bijgebouwen mag in plaats van metselwerk ook hout voor de wanden (mits donker dekkend geschilderd) en voor de daken in plaats van pannen, singels, golf- of dakpanplaten (zwart of aardtinten) worden toegepast.

Zoals de ABRS eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009, LJN: BI2952) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, in beginsel aan het advies doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende (vgl. een uitspraak van 16 september 2009, LJN: BJ7774).

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het welstandsadvies van 25 februari 2009 in strijd komt met de gebiedsgerichte criteria van de welstandsnota, waarbij eiser verwijst naar een deskundig tegenadvies van Hûs en Hiemvan 23 maart 2007 .

In het tegenadvies wordt aangegeven dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, wegens strijdigheid met de gebiedsgerichte criteria van de welstandsnota. In dit verband wordt door Hus en Hiem aangegeven dat met het vergroten van het volume het bestaande omgevingsbeeld onvoldoende wordt gerespecteerd en dat de kapvorm niet in overeenstemming is met de richtlijn voor bijgebouwen in dit gebied. Voorts wordt aangegeven dat kleur, materiaal en detaillering niet in overeenstemming zijn met het hoofdgebouw.

De rechtbank stelt vast dat naar aanleiding van de eerdere uitspraak de welstandscommissie op verzoek van verweerder een nader advies hebben uitgebracht, waarbij de leden van de welstandscommissie ter plekke zijn geweest om de daadwerkelijke situatie in ogenschouw te nemen. Vervolgens heeft de welstandscommissie in een nader advies gemotiveerd aangegeven dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Voor wat betreft de hoofdvorm van de gebouwen heeft de welstandscommissie in dit advies aangegeven dat het onderhavige bouwplan gesitueerd is tussen twee, in positie en hiërarchie, vergelijkbare gebouwdelen met een platte afdekking. Eén van deze gebouwdelen maakt bovendien onderdeel uit van een plat afgedekt gebouw in drie bouwlagen. De welstandsnota geeft in gevallen, waarbij de criteria ontoereikend zijn, de mogelijkheid terug te grijpen op meer algemene criteria. De welstandscommissie stelt bij het te beoordelen bouwplan vast dat op het aspect hoofdvorm weliswaar niet wordt voldaan aan de gebiedsgerichte criteria, maar dat het eindresultaat niet onder de maat blijft en dat geen schade wordt toegebracht aan de omgeving. Om die reden adviseert de welstandscommissie om af te wijken van de bedoelde criteria van de welstandsnota. Voor wat betreft de aspecten aanzicht en opmaak merkt de welstandscommissie in het nadere advies op dat de aanvraag past binnen de gebiedsgerichte criteria van de welstandsnota. Naar de mening van de welstandscommissie wordt het karakter van het bebouwingsbeeld van de omgeving voldoende gerespecteerd.

Aangezien de welstandscommissie naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd is ingegaan op de afwijking van de gebiedsgerichte criteria van de welstandsnota, en ook overigens niet is gebleken dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel inhoudelijk niet consistent is, heeft verweerder dit advies aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. In zoverre kan het beroep van eiser dan ook niet slagen.

Tussen partijen is voorts in geschil of verweerder bevoegd was om ontheffing op grond van artikel 2.5.15, derde lid aanhef en onder c, en artikel 2.5.29, tweede lid aanhef en onder c, van de bouwverordening te verlenen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van vergunninghouders aangegeven dat het bestemmingsplan ‘Bedum Kern’ per 2 april 2009 onherroepelijk is geworden. Voordien was voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan van kracht. In het bestemmingsplan heeft het perceel van vergunninghouders de bestemming ‘Centrumvoorzieningen C1’. Binnen deze bestemming zijn woningen toegestaan. Het bouwwerk valt binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak. Ter plaatse mogen gebouwen worden opgericht met een maximale goothoogte van 7 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Bij afdekking met een plat dak mag de bouwhoogte 7 meter bedragen. Het bouwplan voorziet in het vergroten van de bestaande dakopbouw. Het bestaande dak, met een nokhoogte van ongeveer 5,3 meter, is vervangen door een nieuwe kapconstructie met een totale hoogte van ongeveer 6,4 meter. Aangezien het bestreden besluit dateert van 3 augustus 2009 had verweerder naar de mening van vergunninghouders het gewijzigde recht moeten toepassen. In de visie van vergunninghouders is ontheffingverlening dan niet meer aan de orde.

In reactie hierop heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangegeven dat het uitgangspunt dat bij een heroverweging ten tijde van de bezwaarfase uitgegaan dient te worden van een ‘ex nunc’-toetsing in het onderhavige geval verlaten dient te worden in verband met de eerdere uitspraak van de rechtbank in dit geschil.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeit dat een heroverweging ten tijde van de bezwaarfase in beginsel dient te geschieden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. Ook wanneer na een vernietiging door de rechter een nieuwe beslissing op bezwaar moet worden genomen, dient in beginsel ex nunc te worden besloten. Onder verwijzing naar een uitspraak van 15 augustus 2001 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), kenbaar uit LJN: AD3478, is de rechtbank van oordeel dat het uitgangspunt van een volledige heroverweging met zich brengt dat in beginsel bij de heroverweging getoetst dient te worden aan de wettelijke voorschriften, zoals die op dat moment luiden. Dit geldt uiteraard slechts indien de wijziging van de wettelijke voorschriften onmiddellijke werking heeft, niet indien in overgangsrechtelijke bepalingen is voorzien. Voorts kan de rechtszekerheid met zich brengen dat aan het oude recht dient te worden getoetst, wanneer dit voor de belanghebbenden duidelijk gunstiger is.

Gelet op het vorenstaande overweegt de rechtbank dat verweerder ten tijde van de heroverweging in de bezwaarfase in het onderhavige geval de planvoorschriften van het in werking getreden bestemmingsplan ‘Bedum Kern’ bij deze heroverweging had dienen te betrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat het thans bestreden besluit voortvloeit uit de eerdere uitspraak van de rechtbank en dat nagelaten is ten tijde van de daaropvolgende heroverweging om de planvoorschriften van het voornoemde bestemmingsplan daarbij te betrekken. Wel is bij de belangenafweging die heeft plaatsgevonden in het kader van de ontheffing van de bouwverordening van belang geweest dat het bouwplan past in het recentelijk van kracht geworden bestemmingsplan. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het onderhavige bouwplan van vergunninghouders past binnen de planvoorschriften van het voornoemde bestemmingsplan. Voor een aanvullende regeling als in de bouwverordening is gegeven, is dan geen plaats meer.

Hieruit volgt dat verweerder ten tijde van de heroverweging in de bezwaarfase niet meer bevoegd was om ontheffingen op grond van de Bouwverordening te verlenen. Om die reden is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Vervolgens ligt ter beoordeling van de rechtbank voor of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven.

De rechtbank beantwoordt de voornoemde rechtsvraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Zoals reeds eerder overwogen, is het onderhavige bouwplan van vergunninghouders in overeenstemming met het voornoemde bestemmingsplan. Onder die omstandigheden had verweerder na een heroverweging in de bezwaarfase tot de conclusie moeten komen dat de bouwvergunning, gelet op het imperatief bepaalde in artikel 44, eerste lid aanhef en onder c, van de Woningwet, verleend had moeten worden. Nu verweerder echter op andere gronden ook tot het verlenen van een bouwvergunning voor het onderhavige bouwplan is gekomen, kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit naar het oordeel van de rechtbank dan ook gedeeltelijk in stand blijven, voor zover bouwvergunning is verleend naar aanleiding van de ingediende aanvraag.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 648,--, waarvan € 644,-- in verband met beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde en € 4,--, zijnde de reiskosten van eiser. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 150,-- aan hem dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand blijven, voor zover het betrekking heeft op het verlenen van bouwvergunning;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 648,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten alsmede het door eiser betaalde griffierecht ad € 150,-- aan hem dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H.J. Bastin, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 18 februari 2010 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag

Afschrift verzonden op:

typ: hvk