Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL7198

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
104072
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BY9339, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De burgemeester van Groningen heeft in 2007 op basis van een Bibob-advies de exploitatievergunning van een prositutie-inrichting ingetrokken wegens veronderstelde betrokkenheid van de eigenaar bij vrouwenhandel, illegaal wapenbezit en belastingontduiking. In een bestuursrechtelijke procedure (met als laatste instantie de Raad van State) wordt het besluit vernietigd. Betrokkene vordert in een civiele procedure jegens de Staat (vanwege de verantwoordelijkheid voor Bureau Bibob) en de gemeente schadevergoeding, bestaande uit kosten in verband met de diverse procedures en immateriele schade. Slechts de laatstgenoemde schade acht de rechtbank, tot een aanzienlijk lager bedrag dan gevorderd, toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 104072 / HA ZA 08-668

Vonnis van 10 maart 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.R. van der Velde,

tegen

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. de Groot,

2. DE GEMEENTE GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

advocaat mr. J.D. Leerink.

Partijen zullen hierna [eiser], de Staat der Nederlanden c.s.worden genoemd.

1. De gang van zaken

Bij dagvaarding van 16 juli respectievelijk 10 juli 2008 heeft eiser de Staat en de Gemeente gedagvaard en gevorderd - zakelijk weergegeven - hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan hem te voldoen EUR 100.537,79, alsmede veroordeling van de Staat om aan hem te betalen EUR 70.059,34, beide bedragen te vermeerderen met rente.

Bij akte van 27 augustus 2008 heeft eiser producties in het geding gebracht

Op 19 november 2008 hebben gedaagden, ieder voor zich, bij conclusie van antwoord de vordering gemotiveerd weersproken.

Bij haar antwoord had de Gemeente als productie 20 gevoegd een verzameling stukken waarvan, volgens de gemeente, - naar analogie van art. 8:29 Awb - slechts de rechter kennis zou mogen nemen. Na dienaangaande het gevoelen van de andere partijen te hebben ingewonnen, heeft de rechtbank op 28 januari 2009 geoordeeld dat het niet verenigbaar is met het burgerlijk procesrecht dat de rechter kennis neemt van en beslist op door één partij overgelegde stukken waar een andere partij niet op heeft kunnen reageren; om die reden is productie 20 ongelezen geretourneerd aan de Gemeente.

Reeds bij vonnis van 3 december 2008 had een rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2009, waarvan proces-verbaal.

Voorafgaande aan de comparitie had eiser aan de wederpartijen en de rechtbank een concept-akte gezonden, waarin verwoord een aanvulling van de grondslag van de vordering. De Gemeente heeft bezwaar gemaakte tegen het op deze wijze veranderen of vermeerderen van de eis.

Ter zitting heeft de rechter beslist dat de akte niet kon worden genomen en dat de op bedoelde akte gegeven (schriftelijke) toelichting geen deel uitmaakt van het procesdossier. Eiser werd in de gelegenheid gesteld bij conclusie na comparitie zijn vordering nader te omschrijven en onderbouwen.

Op 4 maart 2009 heeft eiser een conclusie na comparitie, tevens houdende wijziging van eis genomen.

Op 29 april 2009 hebben de Staat zowel als de Gemeente een antwoordconclusie na comparitie genomen.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiser is eigenaar van een aantal panden in de [straat] in de binnenstad van [woonplaats]. In die panden worden prostitutie-inrichtingen geëxploiteerd. Eiser is daarbij betrokken in die zin dat hij de kamers verhuurt aan prostituees. Eiser beschikt over de daarvoor benodigde exploitatievergunningen.

2.2. De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, hierna te noemen: Wet Bibob, biedt bestuursorganen de mogelijkheid om een vergunning, subsidie of overheidsopdracht te weigeren of te beëindigen indien er een ernstige mate van gevaar bestaat dat het goedvinden of de steun van de overheid wordt misbruikt om - kort gezegd - strafbare feiten te plegen of het plegen daarvan te vergemakkelijken. Het toepassingsbereik van de wet is voorshands beperkt tot kwetsbaar geachte sectoren, waaronder de prostitutie en seksinrichtingen.

2.3. Bureau Bibob is onderdeel van het Ministerie van Justitie en ingesteld krachtens de Wet Bibob.

Bureau Bibob heeft tot taak om desgevraagd (en dan ook verplicht) advies uit te brengen over de vraag of er gevaar bestaat dat van overheidswege verleende beschikkingen (mede) worden gebruikt om strafbare feiten te plegen; bureau Bibob heeft met het oog daarop toegang tot gegevens die voor anderen, bijvoorbeeld de burgemeester, niet toegankelijk zijn.

Het Bibob-advies geeft de mate van gevaar aan; het bestuursorgaan betrekt dit advies bij zijn besluit.

2.4. Op verzoek van de burgemeester van de gemeente Groningen heeft bureau Bibob op 7 december 2006 over eiser een advies uitgebracht. De conclusie van bureau Bibob luidde dat er ernstig gevaar bestond dat aan eiser verleende exploitatievergunningen mede gebruikt zouden worden om strafbare feiten te plegen; in het bijzonder werd daarbij gerefereerd aan betrokkenheid van eiser bij vrouwenhandel, illegaal wapenbezit en belastingontduiking.

Bij brief van 2 januari 2007 heeft de burgemeester aan eiser zijn voornemen bekend gemaakt om de aan eiser verleende exploitatievergunning in te trekken; consequentie van zulke intrekking zou zijn dat eiser zijn inkomsten uit de verhuur van kamers aan prostituees zou verliezen.

2.5. Tijdens een zienswijzegesprek op 17 januari 2007 heeft een advocaat voor eiser bezwaar gemaakt tegen het voornemen. Naar aanleiding daarvan heeft de burgemeester aanvullende vragen gesteld aan bureau Bibob, dat deze vragen bij brief van 31 januari heeft beantwoord; bureau Bibob is daarbij gebleven bij zijn eerdere bevindingen wat betreft het gevaar.

Bij besluit van 21 februari 2007 heeft de burgemeester de exploitatievergunningen van eiser ingetrokken.

Dezelfde dag heeft de burgemeester tijdens een persconferentie bekendgemaakt dat hij in de [straat] vijf prostitutiepanden zou sluiten; hoewel eiser niet met name werd genoemd, was voor insiders na te gaan wie het betrof. De naam van eiser en de aan zijn adres geuite beschuldigingen zijn nadien met enige regelmaat in de plaatselijke media verschenen.

2.6. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit en heeft tezelfdertijd de bestuursrechter verzocht het intrekkingsbesluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 17 april 2007 het besluit geschorst; tevens werd bepaald dat de gemeente het griffierecht en de forfaitair vastgestelde proceskosten aan eiser diende te vergoeden.

Vervolgens heeft de burgemeester opnieuw aanvullende vragen gesteld aan bureau Bibob, die bij brief van 23 mei 2007 werden beantwoord; andermaal is bureau Bibob daarbij gebleven bij zijn eerdere conclusie wat betreft het gevaar.

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2.7. Tegen het besluit op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld.

Bij (bodem)uitspraak van 10 augustus 2007 heeft de bestuursrechter het besluit van 11 juli 2007 vernietigd; tevens werd daarbij (wederom) het besluit van 21 februari 2007 geschorst. De rechter heeft daarbij bepaald dat de gemeente het griffierecht en de forfaitair vastgestelde proceskosten aan eiser diende te vergoeden.

Tegen de beschikking van 10 augustus 2007 heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 februari 2008 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Bij zijn beslissing veroordeelde de Raad van State de burgemeester tot vergoeding van de (forfaitair vastgestelde) proceskosten van eiser in hoger beroep.

In zijn uitspraak overwoog de Raad van State onder meer: "Zoals werd overwogen [in een eerdere uitspraak van de Afdeling] mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau [bureau Bibob, rechtbank], in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is en dat de feiten de conclusie kunnen dragen. (...) Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het advies van het Bureau, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het Bureau en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan".

Wat betreft het vermoeden van betrokkenheid van eiser bij vrouwenhandel overwoog de Raad van State dat de daaraan ten grondslag liggende CIE-informatie (gegevens afkomstig van de Criminele Inlichtingen Eenheid) geen "voldoende bevestiging" in andere gegevens vond.

Wat betreft het vermoeden van belastingontduiking overwoog de Raad van State dat de gerapporteerde bevindingen van het bureau Bibob "geen enkel aanknopingspunt" boden.

Wat betreft het vermoeden van betrokkenheid bij wapenhandel oordeelde de Raad van State dat "de bevindingen (...) niet van een zodanig gewicht [zijn] dat zij het besluit zelfstandig kunnen dragen".

De Raad van State concludeerde als volgt:

"Op grond van het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de bevindingen van het Bureau zoals ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit, onvoldoende steun bieden voor de conclusie dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Het besluit had daarom niet op de adviezen van het Bureau mogen worden gebaseerd".

2.8. Bij brief van 18 maart 2008 heeft de burgemeester het intrekkingsbesluit van

21 februari 2007 ingetrokken.

2.9. De verhuur door eiser van kamers aan prostituees is in de periode van 2 januari 2007 tot 18 maart 2008 niet belemmerd geweest.

2.10. In het medio 2008 afgedrukte verslag van een vraaggesprek dat een journalist van het tijdschrift Nieuwe Revu in verband met de vergunningskwestie met eiser voerde, wordt eiser met naam en toenaam genoemd, is zijn foto afgebeeld en staat onder meer te lezen: "Dat [eiser] vroeger geen lekkerdje was, daar windt hij geen doekjes om. <<ik was die wilde Joegoslaaf, hè. Ik zat in de kickbokswereld en heb een roerig verleden>>. In 1992 kwam hij voor het laatst met Justitie in aanraking. Een jaar later werd hij in hoger beroep veroordeeld wegens onder andere geweldpleging en wapenbezit tot drieënhalf jaar gevangenisstraf".

3. De vordering van eiser

3.1. Eiser vordert hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan hem te betalen

EUR 100.537,39 (vermeerderd met rente), alsmede veroordeling van de Staat om aan hem daarenboven te voldoen EUR 66.706,84 (vermeerderd met rente), onder veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2. Eiser stelt dat gedaagden jegens hem aldus onrechtmatig hebben gehandeld:

I. de Staat door het onjuist gebleken Bibob-advies uit te brengen en daarin de conclusie neer te leggen dat er een ernstige mate van gevaar is voor gebruik van de vergunningen voor het plegen van strafbare feiten, en nadien te volharden in deze conclusie,

II. de gemeente door het overnemen van bedoelde conclusie in de voornemensbrief

van 2 januari 2007 en het op basis daarvan starten en doorzetten van de intrekkingsprocedure, en te volharden in deze conclusie ook na uitspraken van de voorzieningenrechter; de gemeente tevens door het zonder noodzaak publiekelijk bekend maken van het intrekkingsbesluit op de wijze waarop dat is geschied.

De beschuldigingen aan het adres van eiser bleken ongefundeerd; dat gold al voor de beweerdelijke betrokkenheid bij vrouwenhandel en het veronderstelde illegale wapenbezit, maar dat gold zeker wat betreft de beschuldiging van belastingontduiking.

Het onrechtmatig handelen van de Staat en de burgemeester heeft eiser schade toegebracht.

De door eiser geleden schade is het rechtstreeks gevolg van de gedragingen van de burgemeester. De aansprakelijkheid van de gemeente is daarmee gegeven.

Voor Bureau Bibob was voorzienbaar dat een advies met deze conclusie door de burgemeester zou worden overgenomen, omdat Bibob-adviezen nu eenmaal in verreweg de meeste gevallen worden overgenomen. Dat maakt ook de Staat schadeplichtig.

3.3. Eiser baseert zijn vordering, zoals verwoord in de conclusie van 4 maart 2009, houdende wijziging van eis, op de volgende schadeposten:

(a) kosten van rechtsbijstand in de voorbereidingsfase, tussen bekendmaking voornemen op 2 januari 2007 en intrekkingsbesluit op 21 februari 2007: EUR 11.075,79, alsmede kosten van fiscaal advies in deze voorbereidingsfase: EUR 7.920,00, in totaal EUR 18.995,79;

(b) kosten van rechtsbijstand in verband met bezwaar, beroep en hoger beroep: EUR 43.791,354, alsmede kosten van fiscaal advies in verband met deze procedures: EUR 26.268,00; totaal: EUR 70.059,34, verminderd met hetgeen eiser uit hoofde van proceskostenveroordelingen heeft ontvangen, te weten

EUR 3.352,50, zodat resteert in totaal EUR 66.706,84;

(c) immateriële schade ten bedrage van EUR 80.000,00 en

(d) buitengerechtelijke kosten ad EUR 1.542,00.

4. Het verweer

Gedaagden hebben ieder voor zich de vordering weersproken.

4.1. Het primaire verweer van de Staat komt er in essentie op neer dat het uitbrengen van een Bibob-advies niet onrechtmatig kan zijn; het bestuursorgaan - hier: de burgemeester - bepaalt of en in welke mate het dit advies aan zijn besluit ten grondslag legt. Niet alleen in geval van een onjuiste afweging van belangen, maar ook in geval van een onjuist advies is - blijkens de wetsgeschiedenis - het bestuursorgaan aansprakelijk voor schade. Ten hoogste zou aansprakelijkheid van de Staat jegens een derde als eiser kunnen worden aangenomen indien het Bureau Bibob niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur jegens deze derde heeft gehandeld, maar dat laatste is hier niet aan de orde geweest.

4.2. De gemeente voert primair aan dat er voor de burgemeester feitelijk en juridisch geen andere keuze was dan het advies van Bureau Bibob op te volgen, door de voornemenprocedure te starten en vervolgens de verleende vergunningen in te trekken. In de onderhavige uitspraak van de Raad van Staat is overwogen "dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de bronneninformatie door het Bureau en de daaraan gegeven kwalificaties mag afgaan". De burgemeester heeft, toen hij aldus er niet onderuit kon om de verleende vergunningen in te trekken, prudent gehandeld door de tijd te nemen voor de procedure en terughoudend te zijn in de publiciteit.

4.3. De subsidiair gevoerde verweren van Staat en gemeente komen nader aan de orde bij de bespreking van de afzonderlijke posten.

5. Beoordeling

5.1. Algemeen

5.1.1. Zodra de bestuursrechter een beroep gegrond heeft geacht en hij het besluit van een bestuursorgaan heeft vernietigd, staat volgens Nederlands recht daarmee (in beginsel) ook de onrechtmatigheid als bedoeld in art. 6:162 BW vast wat betreft het door het bestuursorgaan nemen van dat besluit.

Een bijzonderheid in het onderhavige geval is dat de adviseur Bureau Bibob (anders dan gewoonlijk het geval is bij advisering op de voet van art. 3:5 Awb e.v.) ten opzichte van het bestuursorgaan burgemeester een bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat de adviseur over informatiebronnen beschikt waar de burgemeester geen toegang toe heeft, zodat deze in zeer vergaande mate afhankelijk is van de kwaliteit van het advies. Verwezen moge mede worden naar de onder 2.7 geciteerde overwegingen van de Raad van State.

De Wet Bibop brengt adviseur en bestuursorgaan bijeen als waren zij een Siamese tweeling; gedragingen van de één bepalen de rechtspositie van de ander.

Het komt de rechtbank daarom voor dat bij vernietiging van een besluit dat in overwegende mate is gebaseerd op een advies van Bureau Bibob, zoals zich hier voordeed, de gedragingen van Staat en burgemeester het predicaat onrechtmatig handelen moeten delen. Dit derhalve in afwijking van andere gevallen van een vernietigd besluit dat mede is gebaseerd op een ingewonnen advies, waar immers onrechtmatigheid aan de zijde van de adviseur louter omdat is geadviseerd zoals nadien ook beslist, niet kan worden aangenomen.

Gelet op de bijzondere posities van geadviseerde en adviseur in dit geval, is onrechtmatigheid - anders dan de Staat meent - dan ook niet slechts aan te nemen indien bureau Bibob zich niet heeft gedragen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur.

5.1.2. Gelet op art. 6:102 BW rust, indien de rechtbank te vergoeden schade aanwezig acht, een hoofdelijke schadevergoedingsplicht op de Staat en de gemeente. Bij gebreke van een andere maatstaf voor dit bijzondere geval van gedeelde verantwoordelijkheid (en - gelet op het vertrouwelijke karakter van de bronnen van Bureau Bibob - de onmogelijkheid om toerekening anders te funderen), zou het mogelijk voor de hand liggen om wat betreft de onderlinge draagplicht de schade (op de voet van het tweede lid van art. 6:102 BW, gelezen in samenhang met het eerste lid van art. 6:101 BW) aldus te verdelen dat Staat zowel als gemeente de helft bijdragen. Een beslissing aangaande de onderlinge draagplicht is in deze procedure evenwel niet gevorderd en derhalve niet aan de orde.

5.2. Schadeposten.

5.2.1. Bij door gedaagden te vergoeden schade aan de zijde van eiser, zou als eerste gedacht kunnen worden aan inkomensderving doordat de ondernemer verplicht is geweest zijn bedrijfsmatige activiteiten te staken; in rechtsoverweging 2.9 is verwoord dat het besluit van de burgemeester nimmer is geëffectueerd en de onderneming van eiser geen dag inactief is geweest, zodat hierin geen schade is gelegen.

Wat betreft de door eiser wél opgevoerde schadeposten overweegt de rechtbank als volgt.

Ad (a): Kosten in de voorbereidingsfase

5.2.2. Eiser stelt dat het alleszins redelijk is dat hij zich in de voorbereidingsfase liet bijstaan door deskundige adviseurs, in verband waarmee hij op een vergoeding van

EUR 18.995,79 aanspraak maakt. Staat en gemeente zijn hoofdelijk aansprakelijk ter zake van deze schuld.

De Staat heeft als 'derde' te gelden, jegens wie deze kosten kunnen worden beschouwd als kosten ter voorkoming en beperking van schade en vaststelling van aansprakelijkheid

(art. 6:96 BW); de kosten zijn een rechtstreeks gevolg van het Bibob-advies.

Wat betreft de gemeente is er aanleiding een uitzondering te maken op de regel dat voorfase-kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen nu het bestuursrechtelijk oordeel luidt dat het Bibob-advies ondeugdelijk is geweest en de burgemeester dit kritiekloos heeft overgenomen.

Tot de kosten behoren die van fiscaal advies, nu de fiscale positie van eiser complex was.

5.2.3. De Staat voert aan dat de kosten van een voorbereidingsprocedure in beginsel voor rekening van de inbrenger van zienswijzen of bedenkingen dienen te blijven; de wetgever heeft beoogd (zoals ook blijkt uit de artikelen 7:15 Awb en 8:75 Awb) dat deze kosten niet via een actie uit onrechtmatige daad tot vergoeding komen, ook niet jegens derden zoals in dit geval de Staat. Proceskosten worden vergoed door de in de (eventueel volgende) bestuursrechtelijke procedure in het ongelijk gestelde partij, aan de hand van de wettelijke forfaitaire regeling. Meer subsidiair voert de Staat aan dat causaal verband ontbreekt (de kosten zijn het rechtstreeks gevolg van het voorgenomen besluit van de burgemeester, niet van het advies), alsmede dat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd en niet als redelijk kunnen worden aangemerkt.

5.2.4. De gemeente weerspreekt eveneens dat eiser aanspraak kan maken op vergoeding van kosten die hij heeft gemaakt in de zienswijzefase. De enkele vernietiging van het later genomen besluit is ontreikend om onrechtmatigheid van het handelen van de burgemeester aan te nemen, daargelaten dat de burgemeester op basis van het Bibob-advies eigenlijk niets anders kon dan het besluit - en dus ook het voornemensbesluit - te nemen zoals hij dat deed. Meer subsidiair weerspreekt de gemeente dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt, wat in het bijzonder geldt voor de kosten van fiscaal advies.

5.2.5. De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie met name zijn arrest van 26 november 1999, NJ 2000, 561) volgt dat vernietiging van een besluit niet impliceert dat ook de in het kader van de voorbereiding door het bestuursorgaan verrichte handelingen onrechtmatig zijn; de burgerlijke rechter moet deze handelingen zelfstandig beoordelen, waarbij hij (voor zover daar een beroep op is gedaan) in het bijzonder aandacht dient te besteden aan de in de uitspraak van de bestuursrechter gegeven oordelen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid en toerekenbaarheid van handelingen die deel uitmaken van de voorbereidingsfase. De kosten die een belanghebbende maakt om in de voorbereidingsprocedure zijn standpunt aan het bestuursorgaan kenbaar te maken, aldus de Hoge Raad, moeten in de regel voor zijn rekening blijven; dat is slechts anders indien (a) het bestuursorgaan niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem mocht worden gevergd met het oog op de belangen van betrokkene en (b) bedoelde kosten behoren tot de door dat handelen veroorzaakte schade.

In verband met aldus omschreven criterium - er is slechts aansprakelijkheid voor kosten die de belanghebbende heeft gemaakt indien het bestuursorgaan niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem mocht worden gevergd met het oog op de belangen van betrokkene - heeft de Hoge Raad in het aangehaalde arrest overwogen dat een voorbereidingsfase er (mede) toe strekt om het bestuursorgaan informatie te verschaffen om onjuiste inzichten die aan zijn kant mochten bestaan, te corrigeren.

Uit dit laatste, zo overweegt de rechtbank, volgt dat het aanvankelijk door het bestuursorgaan koesteren van onjuiste inzichten en het op grond daarvan starten van een voorbereidingsprocedure niet onrechtmatig is. Naar het oordeel van de rechtbank is het starten van een voorbereidingsprocedure alleen dan onrechtmatig te achten indien het bestuursorgaan zich baseert op gegevens waarvan zij weet dat deze onjuist zijn, dan wel het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het beginnen van de procedure gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend, dan wel het bestuursorgaan zich ervan bewust is dat de gegevens waarop hij zich baseert evident ontoereikend zijn om het voorgenomen besluit op te gronden, dan wel een andere zich voordoende omstandigheid die strijd met de door de overheid in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur impliceert.

Niet gesteld of gebleken is dat de burgemeester en/of de Staat binnen de aldus nauwer omschreven grenzen zich onzorgvuldig jegens eiser hebben gedragen. De burgemeester mocht advies van het bureau Bibob inwinnen, dat bureau mocht de gegevens presenteren aan het bestuursorgaan zoals zij dat deed (omdat ook voor dat bureau gold dat de fase van correctie van onjuiste gegevens nog zou kunnen volgen) en de burgemeester mocht op basis van het niet evident ontoereikende advies zijn voornemen aan eiser kenbaar maken.

Dit onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen om de hiervoor weergegeven reden; in hoeverre de geclaimde, zeer aanzienlijke kosten door eiser voldoende zijn onderbouwd en als redelijk kunnen worden aangemerkt, kan de rechtbank dan ook verder in het midden laten.

Ad (b): Kosten in relatie tot bezwaar, beroep en hoger beroep

5.2.6. Eiser onderkent dat in relatie tot de (burgemeester van de) gemeente deze kosten vallen onder het forfaitaire tarief, wat er aan in de weg staat dat hij vergoeding ervan van de gemeente vordert. Dat geldt evenwel niet jegens de Staat; deze kosten zijn het rechtstreeks en voorzienbaar gevolg van het onjuiste Bibob-advies.

5.2.7. De Staat voert aan dat de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep die niet worden gedekt door de forfaitaire vergoeding die de bestuursrechter toekent, voor rekening van de burger dienen te blijven; dat geldt ook jegens een derde als de Staat. Voor dit verweer wordt verder verwezen naar hetgeen is vermeld onder 5.2.3.

5.2.8. De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie met name HR 17 december 2004, NJ 2005, 361) volgt dat bij een op de wet gebaseerde forfaitaire regeling van de proceskosten slechts in zeer bijzondere gevallen grond bestaat om de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij als gevolg van het voeren van de procedure heeft geleden. Nu eiser een dergelijk 'zeer bijzonder geval' in relatie tot de gemeente kennelijk niet aanwezig acht, moet dit gezien de verbondenheid van de Staat als adviseur en de burgemeester als geadviseerde (zie hiervoor, onder 5.1.1) geacht worden óók niet aan de orde te zijn wat betreft de Staat.

Dit onderdeel van de vordering dient derhalve om deze reden te worden afgewezen; in hoeverre de geclaimde, zeer aanzienlijke kosten door eiser voldoende zijn onderbouwd en als redelijk kunnen worden aangemerkt, kan de rechtbank dan ook verder in het midden laten.

Ad (c): Immateriële schade

5.2.9. Eiser stelt dat hij gedurende lange tijd zich tegen ernstige, onterechte beschuldigingen (vrouwenhandel, wapenbezit, belastingontduiking) moest verweren, waardoor zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid, alsmede zijn eer en goede naam zijn aangetast. Het door de burgemeester publiekelijk bekend maken van zijn besluit heeft de reputatie van eiser geschaad. Eiser begroot zijn immateriële schade op EUR 80.000,00.

Staat en gemeente dienen deze schade te vergoeden.

5.2.10. De Staat stelt dat uit het op vertrouwelijke wijze aanleveren van gegevens aan de gemeente geen aantasting van de eer en goede naam kan zijn voortgevloeid, alsmede dat de gestelde overige schade onvoldoende is onderbouwd.

5.2.11. De gemeente weerspreekt dat de gestelde schade voldoende is onderbouwd om tot toewijzing van dit onderdeel van de vordering te komen.

5.2.12. De rechtbank overweegt dat eiser wat betreft de gestelde aantasting van zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid geen andere gegevens heeft aangedragen dan

(a) bij dagvaarding een verklaring die zou zijn opgesteld door een arts, omtrent welke verklaring door de gedaagden bij antwoord vragen zijn opgeworpen waar eiser nadien niet meer op is ingegaan en

(b) bij conclusie van repliek een in Servië in mei 2007 (voordat de burgemeester zijn besluit had genomen) in de medische sfeer opgemaakt stuk, waaruit evenwel niet blijkt dat zich in de vier maanden daarvoor een ontwikkeling in negatieve zin had voorgedaan wat betreft de lichamelijke conditie van eiser.

Met deze twee stukken is de door eiser gestelde - maar niet nader omschreven - aantasting van de lichamelijke gezondheid onvoldoende aangeduid om daar in rechte nader op in te gaan.

5.2.13. Er is voor de rechtbank, gelet op het verloop van de gebeurtenissen in 2007 en 2008, grond om enige aantasting van de eer en goede naam van eiser aanwezig te achten. Vooropgesteld zij dat er aan de zijde van het openbaar bestuur alle aanleiding was om met wantrouwen naar eiser te kijken, gelet op de branche waarin eiser werkzaam is zowel als diens persoonlijke voorgeschiedenis. Uiteindelijk is er evenwel, zo moet worden vastgesteld na de uitspraak van de Raad van State, geen relevante bezwarende informatie aangetroffen.

Aan de bedenkingen die bestonden bij het doen en laten van eiser is door de burgemeester in een vroeg stadium ruchtbaarheid gegeven, zodat de reputatie van eiser wat betreft zijn levenswandel nádat hij zijn straf had uitgezeten, is bezoedeld. Hierbij past enige financiële tegemoetkoming.

Naar redelijkheid en billijkheid bepaalt de rechtbank de schadevergoeding in dezen op EUR 2.500,00.

Uit hetgeen hiervoor onder 5.1.1. en 5.1.2 is overwogen vloeit voort dat Staat en gemeente ter zake daarvan als hoofdelijk aansprakelijk zijn aan te merken.

Ad (d): Buitengerechtelijke kosten

Gelet op de omstandigheid dat het thans toegewezen bedrag in het niet valt bij de claim die eiser voorafgaande aan deze procedure bij Staat en gemeente legde, is er onvoldoende grond om ter zake van gemaakte buitengerechtelijke kosten een vergoeding aan eiser toe te kennen.

5.3. Conclusie; proceskosten

De vordering is toewijsbaar tot een bedrag van EUR 2.500,00.

Met deze beslissing zijn partijen aan te merken als over een weer ten dele in het ongelijk gesteld; daarbij past dat zij elk de eigen proceskosten moeten dragen.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan eiser te betalen een bedrag groot EUR 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2008 tot de dag van betaling,

6.2. compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt,

6.3. wijst af het meer of anders gevorderde,

6.4. verklaart de beslissing onder 6.1 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op

10 maart 2010.