Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL6768

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-03-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
09-903
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA; loondoorbetalingverplichting werkgever; verweerder had niet zonder nader onderzoek op basis van actueel oordeel mogen concluderren dat een re-integratiekans is gemist; rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 09/903 WIA

Uitspraak in het geschil tussen

Tandtechnisch Laboratorium van der Burg B.V., gevestigd te Groningen, eiseres,

gemachtigde mr. M. Tracey,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juni 2009. In dit besluit is het bezwaar van eiseres tegen de oplegging van een loondoorbetalingverplichting, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 2 december 2009.

Namens eiseres zijn [naam] en de gemachtigde verschenen.

Namens verweerder is mr. J.H.J. van Gastel verschenen.

De rechtbank heeft op 2 december 2009 de behandeling ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen het bestreden besluit op basis van nadere medische gegevens nogmaals te overwegen. Op 23 december 2009 heeft verweerder laten weten niet op haar standpunt terug te komen. Vervolgens heeft de rechtbank, nadat beide partijen hiertoe toestemming hebben verleend, het onderzoek ter terechtzitting zonder nadere zitting gesloten.

3. Overwegingen

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De heer M.P.T. Keuning (hierna: de werknemer) was sinds 1 augustus 1970 in de hoedanigheid van tandtechniker werkzaam bij eiseres. Op 20 maart 2007 blijkt hij niet meer in staat zijn werkzaamheden te verrichten in verband met hartklachten en psychische klachten.

Op 13 augustus 2007 heeft arbo-arts L. Oosterhuis een rapportage opgemaakt waarin is opgenomen dat de werknemer nu geen benutbare mogelijkheden heeft, maar in de toekomst wel.

Op 10 december 2007 is een trajectplan opgesteld bij P.A.G.H. Bogers, arbeidsdeskundige. Onder het kopje ‘arbeidsintegratieplan’ is opgenomen, voor zover van belang:,

‘Aan de andere kant dient te worden opgemerkt dat er momenteel mogelijk zelfs sprake is van geen duurzame benutbare mogelijkheden, maar de Wet Verbetering poortwachter gebiedt zowel aan werkgever als werknemer om externe oriëntatie in te zetten.’

In de eerstejaarseveluatie van het plan van aanpak van 10 december 2008 is opgenomen dat de heer Keuning sinds 1 december 2007 2.5 uur per week werkt in zijn eigen functie.

Dit is later uitgebreid naar halve dagen.

In de Functionele Mogelijkheden Lijst van 25 april 2008, opgesteld door arbo-arts

R. Elzinga, is onder andere opgenomen dat de werknemer is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines op produktiepieken.

In de arbeidsdeskundige rapportage van 4 juli 2008 van arbeidsdeskundige

I.E.C. Bruggenkamp is opgenomen, voor zover relevant,:

‘De werkzaamheden als tandtechniker in de volle omvang, overschrijden de belastbaarheid van werknemer ten aanzien van aanwezige werkdruk en deadlines (produktiepieken) en langdurig zitten. (…)

De werkzaamheden zijn als niet passend te beschouwen. Ook als betrokkene op termijn wel 8 uur per dag inzetbaar zou zijn is het niet mogelijk om hem in zijn eigen functie te laten hervatten. De aanwezige werkdruk is gerelateerd aan de functie. Er zijn geen voorzieningen te bedenken om hem passend te maken.’

In augustus 2008 is de echtgenote van de werknemer overleden. Hierna is hij geheel uitgevallen voor zijn werkzaamheden.

Dr. B.R. Woudstra, arbo-arts, heeft op 15 december 2008 op het formulier “Actueel oordeel bij de probleemanalyse WIA” ingevuld, voor zover van belang:

‘zou redelijkerwijs eigen functie kunnen doen: 2 mogelijke beperkingen: werken in stof en werken onder tempodruk.’

Op 12 januari 2009 is er een rapportage “beoordeling re-integratieverslag” opgesteld door arbeidsdeskundige E.J. Brink. Hierin is opgenomen, voor zover van belang,:

‘4.1. Re-integratie-inspanningen werkgever

De re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn onvoldoende. De werkgever heeft geen deugdelijke grond voor het afzien van voldoende re-integratie-inspanningen, omdat het niet heeft gehandeld conform de visie van de arboarts in zijn actueel oordeel. Er is verlenging van de loondoorbetalingsverplichting aan de orde met een maximum van 52 weken’.

Bij besluit van 15 januari 2009 heeft verweerder aan eiseres een loondoorbetalingverplichting opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Eiseres heeft op 23 februari 2009 bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit.

Op 5 juni 2009 is een rapportage opgemaakt door bezwaararbeidsdeskundige, H.G. Coerts. Hierin wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het arbeidskundige oordeel van 12 januari 2009.

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Op 24 juni 2009 heeft een arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek plaatsgevonden. In de rapportage is onder het kopje ‘arbeidsdeskundige beschouwing’ opgenomen, voor zover relevant:

‘De werkzaamheden als tandtechniker in de volle omvang, overschrijden de belastbaarheid van werknemer ten aanzien van aanwezige werkdruk en deadlines (produktiepieken) en langdurig zitten. (…)De werkzaamheden zijn als niet passend te beschouwen. Ook als betrokkene op termijn wel 8 uur per dag inzetbaar zou zijn is het niet mogelijk om hem in zijn eigen functie te laten hervatten. De aanwezige werkdruk is gerelateerd aan de functie. Er zijn geen voorzieningen te bedenken om de functie passend te maken.’

Onder het kopje ‘conclusie’ is voorts opgenomen:

‘Het eigen werk is niet passend te noemen. Er zijn wel mogelijkheden voor passend werk bij de eigen werkgever aanwezig, maar werknemer kan door zijn beperkingen niet volledig in deze werkzaamheden re-integreren.’

Standpunten van partijen

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het actueel oordeel van 15 december 2008 kan worden afgeleid dat de werknemer redelijkerwijs zijn eigen functie zou kunnen doen terwijl vaststaat dat de werknemer niet zijn eigen werk heeft hervat. Verweerder concludeert op grond daarvan dat eiseres zich niet voldoende heeft ingespannen om de werknemer te laten hervatten in eigen werk, danwel werk binnen het eigen bedrijf, terwijl een deugdelijke grond hiervoor ontbreekt.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht en er geen re-integratiekansen zijn gemist. Ten onrechte heeft verweerder alleen het actueel oordeel in haar beoordeling betrokken in plaats van te kijken naar de gehele periode van begeleiding.

Wettelijk kader

Artikel 25, eerste tot en met derde lid, van de Wet WIA luiden als volgt:

“1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een re-integratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.”

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

Ingevolge artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, geeft het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid uiterlijk zes weken voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23.

Artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA luidt als volgt:

“Indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, meldt hij dit aan het UWV, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.”

Ingevolge artikel 25, dertiende lid, van de Wet WIA geeft het UWV de beschikking waarin wordt vastgesteld of de tekortkoming, bedoeld in het negende lid, is hersteld binnen drie weken na de ontvangst van de melding, bedoeld in het twaalfde lid. Ingevolge het veertiende lid, voor zover hier van belang, eindigt het tijdvak, bedoeld in het negende lid, zes weken nadat het UWV heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken.

Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt, kort gezegd, dat het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

In de ministeriële Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar is nader uitwerking gegeven aan artikel 25, eerste, tweede, en derde lid, van de Wet WIA.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter is bepaald dat het UWV bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA, het beoordelingskader hanteert, zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.

Uit paragraaf 3 van de bij de Beleidsregels horende bijlage “Kader voor inzet en beoordeling van re-integratie-inspanningen” blijkt dat allereerst beoordeeld wordt of een bevredigend resultaat is bereikt. Hiervan is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) structurele werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden. Van een bevredigend resultaat is ook sprake indien de werknemer tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingperiode is ingeschakeld in arbeid waarvan de loonwaarde tenminste 65% bedraagt van het loon dat hij verdiende voor het intreden van de ziekte. Als er volgens het UWV geen bevredigend resultaat is bereikt, beoordeelt het UWV of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn en, zo nee, of daarvoor een deugdelijke grond aanwezig is.

Beoordeling

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en een loondoorbetalingverplichting heeft opgelegd.

Niet in geschil is dat de re-integratie-inspanningen niet hebben geleid tot een bevredigend resultaat aangezien de werknemer ten tijde van het einde van de wachttijd geheel geen werkzaamheden meer verrichte. Derhalve dient verweerder te beoordelen of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen zoals deze zijn verricht.

De rechtbank constateert dat verweerder haar oordeel dat er onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht uitsluitend heeft gebaseerd op het actueel oordeel van

15 december 2008 van de arbo-arts Woudstra. In het actueel oordeel staat dat de werknemer in redelijkheid in staat moet worden geacht zijn eigen werkzaamheden te hervatten. Tevens zijn in het actueel oordeel twee beperkingen opgenomen, namelijk het werken onder tijdsdruk en het werken in stof.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zonder meer op basis van het actueel oordeel had mogen concluderen dat er een re-integratiekans gemist is. Immers enerzijds geeft het actueel oordeel aan dat terugkeer in de eigen functie in redelijkheid mogelijk is, anderzijds worden er toch twee beperkingen benoemd. Verweerder had op basis hiervan dienen te onderzoeken of in dit specifieke geval de genoemde beperkingen in de weg staan aan een feitelijke terugkeer naar de eigen functie. Dit geldt des te meer nu verweerder bekend was met de conclusie van arbeidsdeskundige Bruggenkamp dat de aanwezige werkdruk is gerelateerd aan de functie van tandtechniker.

Nu uit de stukken niet blijkt van enig nader onderzoek naar de invloed van de genoemde beperkingen op de passendheid van de eigen functie concludeert de rechtbank dat het besluit van 23 juni 2009 niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid en berust op een onvoldoende draagkrachtige motivering. De rechtbank zal het bestreden besluit derhalve vernietigen.

De rechtbank ziet aanleiding om in de onderhavige zaak zelf in de zaak te voorzien nu, gelet op het arbeidsdeskundig onderzoek van 24 juni 2009, thans voldoende inhoudelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar de beperkingen van de werknemer in relatie tot de passendheid van de eigen functie. Gelet op de overige zich in het dossier bevindende documentatie beschikt de rechtbank over voldoende informatie om te kunnen beoordelen of werknemer en werkgever in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen zoals deze zijn verricht tijdens de gehele ziekteperiode.

Allereerst overweegt de rechtbank dat nu uit het arbeidsdeskundig onderzoek van 24 juni 2009 blijkt dat de aanwezige werkdruk gerelateerd is aan de functie en er geen voorzieningen zijn te bedenken om de functie passend te maken, er op dit punt geen relevante re-integratiemogelijkheden zijn gemist.

Gelet op alle re-integratie-inspanningen zoals deze blijken uit het dossier is de rechtbank van oordeel dat, gezien de aard en het grillige verloop van het ziekteproces van de werknemer, niet anders geconcludeerd kan worden dan dat werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen zoals deze zijn verricht. Er is dus geen grond voor het opleggen van een loondoorbetalingverplichting.

De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien, en bepalen dat het besluit van 15 januari 2009 wordt herroepen, als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Voorts bepaalt de rechtbank dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat verweerder geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van eiseres.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 23 juni 2009;

- herroept het besluit van 15 januari 2009 en bepaalt dat deze uitspraak hiervoor in de plaats treedt;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van

EUR 297,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van EUR 644,00, te betalen aan eiseres.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 1 maart 2010 in tegenwoordigheid van mr. N. Stahlmecke, griffier.

w.g. De griffier,

w.g. De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.