Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL6535

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/489
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot opheffing van last onder dwangsom. Artikel 5:34 Awb is niet slechts van toepassing zijn als de overtreder niet aan de last heeft voldaan en de dwangsom nog niet volledig is verbeurd. De rechtbank deelt niet het standpunt dat een eenmaal verbeurde dwangsom niet met terugwerkende kracht kan worden opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/839 WW44 V12

Uitspraak in het geschil tussen

de besloten vennootschap Borgeld Holding BV, gevestigd te Stadskanaal,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.W. Brouwer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr.drs. I. Simonides.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 april 2009. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het besluit van 12 november 2008, waarbij een verzoek om opheffing van een last onder dwangsom is afgewezen, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 7 oktober 2009.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door G. Borgeld.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

3. Rechtsoverwegingen

3.1 Feiten en standpunten van partijen

Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder eiseres gesommeerd vóór 15 juni 2007 de voorgevel van het pand Oude Ebbingestraat 26 te Groningen in de oorspronkelijke staat terug te brengen, onder oplegging van een dwangsom van € 250,- per dag tot een maximum van

€ 5.000,- tot de dag dat de voorgevel in de oorspronkelijke staat is teruggebracht.

Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend.

Bij brief van 29 juni 2009 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat op 27 juni 2007 een dwangsom is verbeurd van € 3.000,-.

Bij brief van 29 juni 2009 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij op 24 juli 2007 het resterende deel van de dwangsom ter hoogte van € 2.000,- heeft verbeurd.

Op 19 mei 2008 heeft een gerechtsdeurwaarder namens verweerder een dwangbevel tegen eiseres uitgevaardigd ter betaling van de dwangsom.

Op 12 juni 2008 heeft eiseres verweerder verzocht het besluit van 14 februari 2007 te herzien.

Bij brief van 18 juni 2008 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld geen aanleiding te zien van de invordering van de dwangsom af te zien.

Op 16 oktober 2008 heeft eiseres, onder verwijzing naar artikel 5:34 Algemene wet bestuursrecht (Awb), verweerder verzocht de last onder dwangsom op te heffen.

Bij besluit van 12 november 2008 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 9 december 2008 bezwaar gemaakt.

Op 22 januari 2009 heeft de algemene bezwaarschriftencommissie (commissie) een hoorzitting gehouden. Bij advies van 26 maart 2009 heeft de commissie geadviseerd het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten.

De commissie heeft hierbij overwogen dat van de bevoegdheid van artikel 5:34 Awb slechts gebruik kan worden gemaakt indien de overtreder niet aan de last heeft voldaan en de dwangsom nog niet volledig is verbeurd. Deze situatie doet zich niet voor en naar het oordeel van de commissie kan een eenmaal verbeurde dwangsom niet met terugwerkende kracht worden opgeheven op grond van artikel 5:34 Awb.

Verder heeft de commissie overwogen dat het besluit van 14 februari 2007 formele rechtskracht heeft gekregen en dat slechts op grond van zeer bijzondere omstandigheden een inbreuk hierop kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de commissie is hiervan geen sprake.

In het bestreden besluit van 20 april 2009 heeft verweerder, overeenkomstig en onder overneming van het advies van de commissie, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft de toelichting gegeven dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn van na de oplegging van de last onder dwangsom op basis waarvan de last dient te worden ingetrokken.

Eiseres heeft op 28 mei 2009 beroep aangetekend. Eiseres heeft, samengevat, de volgende gronden aangevoerd.

Eiseres is sinds augustus 2004 geen eigenaar van het pand Oude Ebbingestraat 26 te Groningen zodat zij bevoegd noch in staat was om de overtreding ongedaan te maken. Juist artikel 5:34 Awb ziet op dit soort gevallen. Ten onrechte stelt verweerder dat van de bevoegdheid van dit artikel slechts gebruik kan worden gemaakt als de overtreder niet aan de last heeft voldaan en de dwangsom nog niet volledig is verbeurd. Betwist wordt dat een eenmaal verbeurde dwangsom niet met terugwerkende kracht kan worden opgeheven.

In het bestreden besluit is buiten beschouwing gelaten dat verweerder wist dan wel had kunnen weten dat eiseres niet eigenaar van het pand was.

Verweerder heeft op 3 augustus 2009 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden.

3.2 Beoordeling van het beroep

Artikel 5:1, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) definieert het begrip overtreder als degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Ingevolge artikel 5:34, eerste lid, Awb kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte het standpunt ingenomen dat artikel 5:34 Awb slechts van toepassing kan zijn als de overtreder niet aan de last heeft voldaan en de dwangsom nog niet volledig is verbeurd. Evenmin deelt de rechtbank het standpunt dat een eenmaal verbeurde dwangsom niet met terugwerkende kracht kan worden opgeheven. Noch de tekst van genoemd artikel noch de wetsgeschiedenis geeft hiervoor aanknopingspunten.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder op onjuiste gronden het verzoek van eiser heeft afgewezen. Het beroep is gegrond wegens schending van artikel 5:34 Awb en artikel 7:12, eerste lid, Awb.

De rechtbank zal vervolgens in ogenschouw nemen of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Zoals hierboven reeds is vermeld, heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van 14 februari 2007 waarbij de dwangsom in kwestie is opgelegd. Dit besluit staat dus in rechte vast.

Eiseres stelt bij haar verzoek op grond van artikel 5:34, eerste lid, Awb dat zij bevoegd noch in staat is de overtreding ongedaan te maken. Eiseres onderbouwt deze stelling door erop te wijzen dat zij sinds augustus 2004 geen eigenaar meer is van het pand. De rechtbank overweegt dat eiseres zich beroept op een wijziging van omstandigheden die zich zou hebben voorgedaan voorafgaand aan het besluit van 14 februari 2007. Nu dit besluit in rechte vaststaat, kan een eerdere gebeurtenis geen grond vormen voor toewijzing van het verzoek op grond van artikel 5:34, eerste lid, Awb.

Voorts heeft eiseres niet gesteld dat zich na het besluit van 14 februari 2007 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die grond zou kunnen vormen om het verzoek op grond van artikel 5:34, eerste lid, Awb toe te wijzen. Om die reden zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te blijven.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen. Er is grond verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op € 644,- (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het bijwonen van de zitting) wegens kosten van een door een derde beroepsmatig geleverde bijstand.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 297,- aan eiseres dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiseres ad € 644,- dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 21 januari 2010 in tegenwoordigheid van mr. drs. H.A. Hulst als griffier.

w.g. De griffier, w.g. De rechter,

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.