Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL5267

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
parketnummer: 18/676006-07 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit verklaringen van verdachte en dhr. X, bezien in onderling verband en in samenhang met verklaringen van derden en onderzoeksgegevens van feitelijke aard acht de rechtbank bewezen dat dhr. X zijn hoofdverblijf bij verdachte had en dat er tussen verdachte en dhr. X sprake was van wederzijdse verzorging en mitsdien van "samenwoning". Verdachte heeft dit niet op Inkomstenopgaveformulieren Anw-gerechtigden vermeld en zich daarmee schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht). Ook heeft verdachte anderszins het uitkeringsorgaan niet van deze situatie op de hoogte gebracht en zich daarmee schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken aan het uitkeringsorgaan (artikel 227b Wetboek van Strafrecht). Mede gelet op de leeftijd van verdachte acht de rechtbank een (voorwaardelijke) gevangenisstraf niet op z'n plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/676006-07 (promis)

datum uitspraak: 8 februari 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. G. Bakker

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2010.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 augustus 1997

tot en met 30 juni 2000 te [woonplaats verdachte], in de gemeente [gemeente],

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

(telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen - te weten:

a) een formulier van de Sociale Verzekeringsbank, namelijk het

Inkomstenopgaveformulier Anw-gerechtigden, gedagtekend op 11 augustus 1997

(zie bijlage 24), waarop (onder meer) de volgende vraag moest worden

beantwoord:"Bent u de enige bewoner van het adres, waarop u op dit moment

feitelijk woont? (vraag 5)", althans een vraag van soortgelijke aard en/of

strekking - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers

heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) valselijk als antwoord op

de vraag "Bent u de enige bewoner van het adres, waarop u op dit moment

feitelijk woont? (vraag 5)" een kruisje gezet in het hokje "Ja", terwijl

zij, verdachte, niet de enige bewoonster was van het adres alwaar zij

feitelijk woonde en/of

b) een formulier van de Sociale Verzekeringsbank, namelijk het

Inkomensopgaveformulier in verband met de inkomensafhankelijke

nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, gedagtekend

op 21 december 1998 (zie bijlage 26) waarop (onder meer) betreffende de

woonsituatie de volgende vraag moest worden beantwoord:"Zo ja, wie woont er

nog meer op dit adres? (vraag 1)", althans een vraag van soortgelijke aard

en/of strekking - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers

heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) valselijk als antwoord op

de vraag: "Zo ja, wie woont er nog meer op dit adres? (vraag 1)" alleen de

naam van [getuige 3], geboren [geboortedatum] vermeld, terwijl (tevens) op het

adres alwaar zij, verdachte, feitelijk woonde ook [medeverdachte] woonde

en/of (telkens) dat/die formulier(en) ondertekend, zulks met het oogmerk om

dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2000 tot

en met 9 augustus 2007 te [woonplaats verdachte], in de gemeente [gemeente], in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, (telkens) in strijd met een hem/haar/hun bij of krachtens wettelijk

voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op

grond van artikel 35 van de Algemene nabestaandewet, opzettelijk heeft/hebben

nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit

kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij,

verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van

belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een

verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar, verdachtes, recht op een

uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet, dan wel voor de hoogte of de

duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte en/of

haar mededader(s) (telkens) niet opgegeven dat zij, verdachte, samenwoonde met [medeverdachte], dan wel met die [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerde;

art 227b Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie baseert dit op de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte], het proces-verbaal van signaleringen, de verklaringen van camping- en buurtbewoners en de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Uit de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] komt het beeld naar voren dat ook de familie van verdachte en [medeverdachte] van een relatie en samenwonen uit gaat. In ieder geval wordt de suggestie gewekt dat men wist wat er aan de hand was. Daarnaast is komen vast te staan dat verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk pinnen. Ze hebben beiden een testament opgemaakt, waarbij ze elkaar als begunstigde hebben aangewezen. Dat de samenwoning in 1996 is beëindigd wordt niet ondersteund door een andere verklaring. Verdachte en [medeverdachte] hebben, zo verklaren zij, hun relatie beëindigd toen de stukken door de Sociale Verzekeringsbank zijn verzonden en samenwoning gevolgen zou hebben voor hun uitkeringen. Hieruit blijkt dat ze wisten dat ze strafbaar waren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak. Verdachte was in 1997 en 1998 alleenstaande en er was geen sprake van samenwoning met [medeverdachte], zodat zij correct de vragen heeft beantwoord. Er kan dan ook geen sprake zijn van valsheid in geschrifte. Met betrekking tot feit 2 is uitdrukkelijk aangegeven dat [medeverdachte] voor 15 november 2006 zijn hoofdverblijf niet had in de woning van verdachte. Tot dat moment is ook geen enkel onderzoek uitgevoerd naar de woonsituatie van verdachte en in het dossier is ook geen enkel bewijs te vinden dat tot 15 november 2006 [medeverdachte] hoofdverblijf had in de woning van verdachte. Ook is er geen financiële verstrengeling. Verdachte en [medeverdachte] hebben hun financiële gegevens strikt gescheiden gehouden. Er kan derhalve geen sprake zijn van opzettelijk achterhouden van gegevens.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wettig bewijs is, dan is er geen overtuigend bewijs dat verdachte opzettelijk informatie heeft achtergehouden c.q. het oogmerk had de Sociale Verzekeringsbank te benadelen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen. Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Een geschrift, te weten een Inkomstenopgaveformulier Anw-gerechtigden, opgenomen als bijlage 24 in dossier nr. OI 0887/000014964 d.d. 13 december 2007.

Het formulier is gedagtekend op 11 augustus 1997 en bevat de gegevens [naam verdachte], [adres verdachte], [woonplaats verdachte].

Bij vraag 5 op dit formulier wordt gevraagd naar de woonsituatie. Bij de vraag “Bent u de enige bewoner van het adres, waarop u op dit moment feitelijk woont” staat een kruisje in het hokje “Ja”.

Een geschrift, te weten een Inkomstenopgaveformulier in verband met de inkomens-afhankelijke nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, opgenomen als bijlage 26 in voormeld dossier.

Het formulier is gedagtekend op 21 december 1998 en bevat de gegevens [naam verdachte], [adres verdachte], [woonplaats verdachte].

Bij vraag 1 op dit formulier wordt gevraagd naar de woonsituatie. Bij de vraag “Wonen er meer personen op het adres waarop u op dit moment feitelijk woont?” staat een kruisje in het hokje “Ja”. De vraag “Zo ja, wie woont er nog meer op dit adres?” is beantwoord met

“[getuige 3]”, geboren “[geboortedatum getuige 3]”.

Een proces-verbaal d.d. 10 augustus 2007, opgenomen als bijlage 2 in voormeld dossier, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

(pag. 4) Ik verblijf in het seizoen een keer of twee à drie in de caravan van [medeverdachte] op de camping. Ik pin op verzoek van de heer [medeverdachte] wel eens geld bij de pinautomaat, wanneer hij geld nodig heeft. Andersom neemt de heer [medeverdachte] ook wel eens geld voor mij op, wanneer ik geld nodig heb. Dat is niet alleen zo vanaf november 2006, maar dat gebeurde ook in de periode daarvoor.

In mijn testament staat dat, wanneer ik eerder als de heer [medeverdachte] kom te overlijden, de heer [medeverdachte] in mijn woning mag blijven wonen. In het testament van [medeverdachte] staat dat, wanneer hij eerder dan ik kom te overlijden, zijn bezittingen aan mij toekomen.

Ik was de kleding van de heer [medeverdachte]. Verder verzorg ik ook het eten voor hem. Ik kook altijd. Als de heer [medeverdachte] er is, eten wij gezamenlijk. Ik verzorg hem tijdens ziekte.

De heer [medeverdachte] knapt voor mij wel klusjes in en rond het huis op. Hieronder valt onder andere de tuin. Wanneer er boodschappen gedaan moeten worden, dan gebeurt dat wel met de auto van de heer [medeverdachte]. We doen wel samen boodschappen. Ik maak ook wel gebruik van de auto van de heer [medeverdachte], wanneer hij niet mee gaat.

Een proces-verbaal d.d. 10 augustus 2007, opgenomen als bijlage 1 in voormeld dossier, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte], zakelijk weergegeven:

(pag. 2) Onze relatie is eigenlijk niet veranderd sinds 1994. [voornaam verdachte] is de vrouw in mijn leven en ik ben de man in [voornaam verdachte]’s leven.

(pag. 3) Het is waar dat 8 van de 10 keer dat ik met de caravan weg was, [voornaam verdachte] ook mee was. U zegt mij dat u het vermoeden heeft dat ik de woning van [voornaam verdachte] in 1996 niet feitelijk heb verlaten, maar dat ik altijd met [voornaam verdachte] gezamenlijk één huishouding heb gevoerd. Het is eigenlijk wel zo dat de woning van [voornaam verdachte] aan de [straatnaam] mijn thuisbasis is gebleven. Ik verbleef daar hoofdzakelijk als ik niet met de caravan op weg was. En [voornaam verdachte] was vaak met mij mee als ik met de caravan op pad was.

Een proces-verbaal d.d. 5 juli 2007, opgenomen als bijlage 32 in voormeld dossier, voor zover inhoudende als relatering van de verbalisanten P. Wolswinkel en G. Egtberts, zakelijk weergegeven:

Wij bezochten de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats verdachte]. Er verscheen een vrouw in de deuropening, die zich even later bekend maakte als mevrouw [buurvrouw]. Op onze vraag naar de bewoning op nummer [huisnummer] hoorden wij betrokkene zeggen dat [medeverdachte] daar woonde. Op onze vraag of dat een man of vrouw betrof, hoorden wij haar zeggen dat het een man en vrouw betrof. Op onze vraag hoelang deze man en vrouw al aan de [adres] woonden, hoorden wij betrokkene zeggen dat dat al zo lang was dat zij en haar man aan de [adres] woonden, namelijk al zo’n 12 jaar.

Een proces-verbaal d.d. 25 augustus 2006, opgenomen als bijlage 3 in voormeld dossier, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

De dochter van [verdachte], [voornaam getuige 3], en mijn zoon zijn in juni 2004 gehuwd. Daarvoor hebben ze 9 of 10 jaar verkering gehad. Sinds die tijd komen wij wel bij elkaar op verjaardagen. Mevrouw [verdachte] komt met de heer [medeverdachte] wel bij ons op verjaardagvisite en wij komen wel op de verjaardagen van mevrouw [verdachte] en de heer [medeverdachte] aan de [straatnaam].

Bij het huwelijk van mijn zoon en [voornaam getuige 3] was ook de heer [medeverdachte] aanwezig. De heer [medeverdachte] was aan de zij van mevrouw [verdachte], net zoals ik naast mijn vrouw zat en liep. Ik geloof dat de heer [medeverdachte] ook getuige was bij het huwelijk.

De heer [medeverdachte] heeft mij gevraagd om op mijn adres zijn postadres te hebben. Ik dacht wel dat het met zijn uitkering te maken zou hebben.

Het proces-verbaal d.d. 13 december 2007 van de Sociale Verzekeringsbank, voor zover inhoudende als relatering van verbalisant P. Wolswinkel, zakelijk weergegeven:

(pag. 22) Uit informatie van N.V. Waterbedrijf Groningen blijkt dat het water-verbruik op het adres van [verdachte] over de jaren ’00 tot en met ’06 respectievelijk geweest is: 128 m3, 81 m3, 87 m3, 95 m3, 89 m3, 83 m3 en 43 m3 (6 mnd.). Het Waterbedrijf Groningen hanteert als landelijk gemiddelde drinkwaterverbruik voor een éénpersoonshuishouding 52 m3 per jaar. Met deze informatie geeft het verbruik een indicatie van een verbruik van een meerpersoonshuishouden.

(pag. 26) Op 19 juli 2007 is een bevel stelselmatige observatie verleend voor een periode van een maand, van 19 juli 2007 tot 19 augustus 2007.

(pag. 27) Vast is komen te staan dat [medeverdachte] en [verdachte] zich tijdens de observatie-periode samen hoofdzakelijk in of nabij de caravan op SVR camping [naam camping] ophielden.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de relatie tussen verdachte en [medeverdachte] meer omvatte dan een louter vriendschappelijke- of (vanaf 15 november 2006) commerciële relatie. Verdachte en [medeverdachte] verrichtten veel activiteiten gezamenlijk en er was sprake van wederzijdse verzorging. De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 11 augustus 1997 tot en met 9 augustus 2007 zijn hoofdverblijf had in de woning van verdachte en dat er gedurende die periode daarom sprake was van samenwonen. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift en het in strijd met een wettelijk voorschrift nalaten gegevens te verstrekken.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij op tijdstippen in de periode van 11 augustus 1997 tot en met 30 juni 2000 te [woonplaats verdachte], in de gemeente [gemeente], telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten:

a)

een formulier van de Sociale Verzekeringsbank, namelijk het Inkomstenopgaveformulier Anw-gerechtigden, gedagtekend op 11 augustus 1997 (zie bijlage 24), waarop (onder meer) de volgende vraag moest worden beantwoord:"Bent u de enige bewoner van het adres, waarop u op dit moment feitelijk woont? (vraag 5)", valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk als antwoord op de vraag "Bent u de enige bewoner van het adres, waarop u op dit moment feitelijk woont? (vraag 5)" een kruisje gezet in het hokje "Ja", terwijl zij, verdachte, niet de enige bewoonster was van het adres alwaar zij feitelijk woonde en

b)

een formulier van de Sociale Verzekeringsbank, namelijk het Inkomensopgaveformulier in verband met de inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, gedagtekend op 21 december 1998 (zie bijlage 26) waarop (onder meer) betreffende de woonsituatie de volgende vraag moest worden beantwoord:"Zo ja, wie woont er nog meer op dit adres? (vraag 1)", valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk als antwoord op de vraag: "Zo ja, wie woont er nog meer op dit adres? (vraag 1)" alleen de naam van [getuige 3], geboren [geboortedatum] vermeld, terwijl tevens op het adres alwaar zij, verdachte, feitelijk woonde ook [medeverdachte] woonde

en telkens dat formulier ondertekend, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2000 tot en met 9 augustus 2007 te [woonplaats verdachte], in de gemeente [gemeente], telkens in strijd met een haar krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 35 van de Algemene nabestaandewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij, verdachte, redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar, verdachtes, recht op een uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte telkens niet opgegeven dat zij, verdachte, samenwoonde met [medeverdachte], dan wel met die [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerde.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

2. in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf en terwijl zij redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, waarvan 120 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft daarbij gelet op de door het openbaar ministerie gehanteerde richtlijnen. In aanmerking genomen dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en dat het benadelingsbedrag rond de € 85.000,= ligt, past daar een gevangenisstraf van 8 maanden bij. Aan de andere kant heeft de officier van justitie gelet op het tijdsverloop, de leeftijd en de fysieke toestand van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank de feiten bewezen mocht achten, gepleit voor een voorwaardelijke werkstraf, gezien de leeftijd van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift. Gedurende een periode van drie jaar heeft zij op daartoe bestemde formulieren onjuiste opgave gedaan van haar woonsituatie. Hierdoor heeft verdachte het beeld in het leven geroepen dat [medeverdachte] niet bij haar inwoonde, terwijl dit wel het geval was.

Daarnaast is zij gedurende een periode van zeven jaar nalatig geweest de juiste gegevens te verstrekken in verband met een uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet.

Het handelen van verdachte had als gevolg dat de uitkeringsinstantie in onvoldoende mate kon beoordelen of en in welke mate verdachte recht had op een uitkering, wat heeft geleid tot een aanzienlijk benadelingsbedrag.

De rechtbank acht misbruik van de sociale voorzieningen een ernstig feit, waarop in beginsel moet worden gereageerd met oplegging van een onvoorwaardelijke straf. De rechtbank heeft bij de strafoplegging echter ook rekening gehouden met de persoon van verdachte.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke werkstraf opleggen, zoals is gevorderd door de officier van justitie. Gelet op de leeftijd van verdachte, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. P.H.M. Smeets, voorzitter, L.W. Janssen en

S. Tempel, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2010.