Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2010:BL4575

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
115087
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing wegens overdrachtsproblematiek SGJb en bjz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 115087 / JE RK 09-1177

beschikking kinderrechter d.d. 20 januari 2010

inzake

BESCHIKKING

* [de minderjarige], geboren in de gemeente [***] [in 2004],

kind van:

[de vader],

wonende te [adres]

en

[de moeder],

wonende te [adres] .

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

PROCESGANG

Op 24 december 2009 heeft de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming (SGJb), namens het bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg ingediend, gedateerd 22 december 2009.

Op 15 januari 2010 is een plan van aanpak en een indicatiebesluit overgelegd.

Op 20 januari 2010 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn daarbij: moeder, mr. H.B. Boogaart, raadsman van moeder, dhr. R.M. Coutinho, psychiater GGZ, mevr. B. Dinklaar, casemanager GGZ, mevr. F. Dijkstra, namens SGJb en mevr. R. Engelgeer namens SGJb.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking van 2 juli 2009 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van het bureau jeugdzorg Groningen (bjz), met ingang van 2 juli 2009 voor de duur van drie maanden. Tevens is bij deze beschikking een (spoed) machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg afgegeven voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 15 juli 2009 is de beschikking van 2 juli 2009 bekrachtigd, met dien verstande dat een machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is verleend voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, derhalve tot 2 oktober 2009. De beslissing omtrent de definitieve ondertoezichtstelling is daarbij aangehouden in afwachting van het rapport en advies van de Raad.

Bij beschikking van 23 september 2009 is de ondertoezichtstelling uitgesproken met ingang van 2 oktober 2009 voor de duur van 1 jaar.

Voorts is bij voormelde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 2 oktober 2009 voor de duur van vier maanden.

Standpunt van de SGJb

Op dit moment heeft [de minderjarige] een veilige plek in een pleeggezin. Het perspectief van [de minderjarige] is afhankelijk van het psychische welbevinden van moeder en van de pedagogische vaardigheden van moeder. Deze dienen voldoende te zijn om [minderjarige] een veilige omgeving te bieden. Moeder is, na een opname bij Lentis, sinds 13 november 2009 weer thuis en ontvangt tot op heden ambulante begeleiding vanuit Lentis. Vader lijkt een signalerende rol te hebben. Hulpverlening in de thuissituatie is een vereiste om een terugplaatsing van [de minderjarige] te kunnen realiseren. Het is belangrijk dat er hulpverlening aanwezig is die een traject kan inzetten ten aanzien van het contactherstel tussen [de minderjarige] en haar ouders. Tenzij uit contactopbouw blijkt dat moeder niet is staat is om voor [minderjarige] een positieve opvoedingssituatie neer te zetten en vast te houden, is terugplaatsing van [de minderjarige] bij haar moeder het uitgangspunt. Hiervoor zal de module Terug Naar Huis van de Elker ingezet moeten worden. Daaropvolgend zal Intensieve Psychiatrische Gezinsondersteuning worden ingezet, zodra [de minderjarige] weer thuis woont. Dit dient gericht te zijn op zowel de psychiatrische problematiek van moeder als op het begeleiden van moeder in het aanleren van pedagogische vaardigheden voor een langdurige periode.

De SGJb is van mening dat de machtiging uithuisplaatsing dient te worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. De SGJb verwacht dat een volledige terugplaatsing van [de minderjarige] bij moeder binnen de termijn van de huidige machtiging uithuisplaatsing niet gerealiseerd kan worden. Er is tijd nodig voor begeleiding en terugplaatsing. De hulpverlening kan eind februari 2010 van start gaan. [de minderjarige] is lang uit huis geweest en de SGJb wil zicht houden op de situatie. Vanaf heden is er begeleide omgang op de Elker van een uur per twee weken tot aan de start van de hulpverlening. De hulpverlening gaat bezoekmomenten plannen in de thuissituatie.

Moeder heeft desgevraagd aangegeven dat zij christelijke jeugdzorg wilde, maar haar is niet verteld wat de consequenties hiervan zouden zijn. De zaak is half oktober door bjz aan de SGJb overgedragen. Het is de SGJb niet duidelijk waarom dit gedaan werd, aangezien het gaat om een uithuisplaatsing van vier maanden. De SGJb staat open voor samenwerking met de casemanager van GGZ bij de opbouw van het contact tussen moeder en [de minderjarige].

Standpunt van moeder

Met de pedagogische capaciteiten van moeder is niets mis. Het feit dat ze een terugval had en weer moest worden opgenomen was problematisch. Moeder ziet nu in dat het belangrijk is dat ze haar medicijnen neemt. Er moet vaart achter de hulpverlening worden gezet. [de minderjarige] is al een half jaar bij moeder weg. Moeder vraagt zich af waarom de zaak is overgedragen aan de SGJb. Dit kost veel tijd. Moeder heeft [de minderjarige] sinds de uithuisplaatsing slechts vier keer gezien. Het contact dient op korte termijn geïntensiveerd te worden. Moeder vraagt zich af of de module Terug Naar Huis nodig is. Dit betekent nog meer hulp, terwijl de casemanager van GGZ en de gezinsvoogd moeder regelmatig zien. Bij Elker zijn wachtlijsten van twee maanden. Bovendien zijn er geen zorgen omtrent de pedagogische kwaliteiten van moeder. De ontwikkelingsdreiging van [de minderjarige] door een mogelijke psychose is ondervangen. Dat [de minderjarige] een langere periode uit huis is geweest, moet er niet in resulteren dat ze nog langer weg blijft. De ondertoezichtstelling kan in stand blijven, maar moeder wil graag dat [de minderjarige] per 2 februari 2010 wordt teruggeplaatst of op een andere kortere termijn dan de gevraagde verlenging.

Standpunt van de casemanager van GGZ

Moeder krijgt medicatie per injectie toegediend, omdat ze in het verleden af en toe stopte met de inname van medicatie. De periodes dat het slecht ging in de thuissituatie waren van korte duur. Het is nu zeker dat moeder de medicijnen krijgt en er is sprake van groei van inzicht bij moeder over de noodzaak van medicatie. Ook fysiek is de gezondheid van moeder vooruit gegaan. In de contacten tussen de casemanager en moeder is veel energie gestoken in de zorgen rond [de minderjarige]. Moeder is klaar voor een terugplaatsing van [de minderjarige]. De casemanager heeft hierover gebeld, maar de betreffende instanties geven niet thuis. Als het toch mis dreigt te gaan geeft de casemanager een signaal af. Dit heeft zij tijdens de afgelopen crisis ook gedaan. De casemanager komt elke week bij moeder thuis en moeder komt voor haar medicijnen op de polikliniek. Het is eveneens mogelijk om toezicht te houden bij een bezoek van [de minderjarige].

Standpunt van de psychiater

Met medicatie is de kans op een terugval heel klein. Moeder heeft minimaal last van bijwerkingen, waardoor de stimulans om medicijnen te gebruiken wordt vergroot. Moeder heeft geen psychotische verschijnselen meer. Ze zal de medicijnen waarschijnlijk levenslang moeten blijven gebruiken. Moeder is erg gemotiveerd om de behandeling voort te zetten. De thuissituatie moet goed begeleid worden. Afspraken over het nemen van medicatie zijn opgenomen in het behandelplan. Dit wordt ook gecontroleerd. Bovendien zijn er vastgelegde afspraken met de casemanager.

Beoordeling

De kinderrechter heeft ambtshalve het Raadsrapport opgevraagd. Bij beschikking d.d. 23 september 2009 is de machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier maanden. Deze termijn werd voldoende geacht om [de minderjarige] weer bij moeder thuis te kunnen plaatsen. Sindsdien is er door overdrachtsproblematiek tussen bjz en de SGJb niets ondernomen om [de minderjarige] naar huis te laten terugkeren. Bovendien heeft moeder [de minderjarige] sinds de uithuisplaatsing slechts vier keer gezien. Ook de omgang van vader is gedurende deze periode beperkt.

Vanaf aanvang waren er geen pedagogische zorgen, maar was de zorg slechts gericht op de persoonlijke problematiek van moeder. Blijkens de verklaringen van de psychiater en de casemanager ter zitting is de psychiatrische problematiek van moeder ondervangen. Gelet op de eerdergenoemde beschikking is het onbegrijpelijk dat er niet meer vaart gezet is achter de terugplaatsing van [de minderjarige] bij moeder. Het is daarbij buitengewoon schrijnend dat moeder en [de minderjarige], maar ook vader en [de minderjarige], zo weinig mogelijkheden zijn geboden om op positieve wijze contact met elkaar te onderhouden. Als gevolg hiervan kan de kinderrechter thans, in het belang van [de minderjarige], nu niet anders dan wederom de machtiging uithuisplaatsing voor korte duur verlengen. [de minderjarige] moet immers begeleid en voorbereid worden op een terugplaatsing naar huis. De kinderrechter acht het evenwel onacceptabel dat daarmee eerst eind februari wordt gestart.

Ter zitting hebben de SGJb en de casemanager van de GGZ zich bereid verklaard met onmiddellijke ingang de omgang tussen moeder en [de minderjarige] te intensiveren. Ter zitting is gegarandeerd dat [de minderjarige] hierdoor niet van de wachtlijst van de module Terug naar huis zal worden verwijderd.

Gelet op het vooroverwogene zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot 1 mei 2010.

Indien de SGJb van mening is dat na 1 mei 2010 verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] toch nog noodzakelijk is, dienen de stukken waarop het verzoek tot verlenging is gebaseerd tot uiterlijk twee weken voor de afloop van de termijn te worden ingediend.

BESLISSING

verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 februari 2010 tot 1 mei 2010;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.A. From, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2010.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.